Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 09.04.2001
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 94/2113/A Rep. Nr. 2001/4336
de NV E. R., in vereffening, met zetel te …, …, (H.R. Brugge nr. …), vertegenwoordigd door de vereffenaars :
1. de heer C. R., voorheen wonende te …, …, thans te …, …,
2. de burgerlijke vennootschap V.-G. & P., gevestigd te …, …,
3. mevrouw N. M., advocaat, met kantoor te …, …,
eisers, hierna genoemd 'eiseres'
voor wie optreedt Meester J. M., advocaat te …, …,
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor te Brugge II, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerders, hierna genoemd 'verweerder'
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …
1. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 5 juli 1994.
Gelet op het tussenvonnis de dato 20 december 1999 van de vijfde kamer van deze rechtbank.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 16 mei 2000, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.
Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 12 maart 2001.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
2. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in het tussenvonnis de dato 20 december 1999.
3. BEOORDELING
3.1. nopens het bewijs van het werkelijk karakter van de leveringen
In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt wordt in de neergelegde processen-verbaal … geen melding gemaakt van de 12 facturen uitgereikt door O.-H., noch van enig onderzoek naar de werkelijkheid van de gefactureerde leveringen.
De verklaring van eiseres dat aan de desbetreffende facturen daadwerkelijk leveringen gepaard gaan is een loutere bewering die door niets wordt gestaafd.
Aan de hand van het door verweerder voorgelegde onderzoek door de Opsporing Petroleum te Antwerpen, gekend onder de referte … (A en B) wordt de werkelijkheid van de kwestieuze leveringen dieselolie geenszins bewezen.
3.2. nopens de vermindering of kwijtschelding van de boete
3.2.1. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW, werd aan eiseres een boete opgelegd.
3.2.2. De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW, is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.
Artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70, W.BTW, bepaalt dat deze geldboete niet voor vermindering in aanmerking komt aangezien de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
3.2.3. Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 W.BTW, de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.
De rechtbank dient deze grondwetsconforme interpretatie toe te passen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd. doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.
Daarenboven dient vastgesteld dat de wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken de dato 23 maart 1999 uitdrukkelijk aan de bevoegde rechtsmachten de bevoegdheid verleent om de opportuniteit van de fiscale geldboeten en verhogingen te beoordelen
3.2.4. De in het tussen- en eindvonnis geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van een fiscale geldboete nu eiseres ongetwijfeld ter kwader trouw is en de begane overtredingen uitermate ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen.
Eiseres brengt geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
Desalniettemin stelt de rechtbank vast dat de in casu opgelegde boete (200 %) ten bedrage van … Bf. niet evenredig is in verhouding tot de aard en de ernst van de overtredingen.
De boete wordt dan ook herleid tot 100 % van de verschuldigde belasting, zijnde … Bf.
3.3. nopens de kosten
Daar eiseres slechts ten dele slaagt in haar vordering, worden de gedingkosten tussen partijen omgeslagen zoals hierna bepaald.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Zegt voor recht dat de overeenkomstig het dwangbevel de dato 7 juni 1994 verschuldigde boete dient te worden herleid tot … Bf.
Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel ontvangen bedrag, verhoogd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.
Wijst eiseres van het overige af.
Veroordeelt eiseres en verweerder elk tot betaling van ½ der gedingkosten, voor het geheel begroot als volgt :
- aan de zijde van eiseres :
- dagvaardingsexploot : … Bf.
- Rechtsplegingsvergoeding : … Bf. (zoals gevorderd)
totaal : … Bf.
- aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : … Bf. (zoals gevorderd)
- aanvullende RPV : … Bf. (zoals gevorderd)
totaal : … Bf.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negen april tweeduizend en één.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Décision jointe par le SPF
De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIJFDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 94/2113/A Rep. nr. 99/12586
NV E. R., in vereffening, met zetel te …, … voorheen en thans te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer … vertegenwoordigd door haar vereffenaars :
1. R. C., wonende te …, … voorheen en thans wonende te …, …
2. V.-G. & P., burgerlijke vennootschap, gevestigd te …, …
3. M. N., advocaat met kantoor te …, …
eisers op verzet,
voor wie is opgetreden meester J. M., advocaat te …, …,
tegen :
BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen in de persoon van :
1. de heer Ontvanger van het Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4
2. de heer Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor te Brugge II, met burelen te Brugge, G. Dujardinstraat 4
verweerder,
voor wie is opgetreden meester L. D. S., advocaat te …, …,
I. RECHTSPLEGING
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding houdende verzet d.d.5 juli 1994.
Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting d.d. 27 september 1999.
De Rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
Eiseres heeft ingevolge de toepassing van art. 4 W.BTW, de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige. Zij is als dusdanig onder het nr. … geregistreerd voor haar geregelde beroepsactiviteit nl. de handel in en het vervaardigen en vervoeren van alle brandstoffen, petroleumderivaten en derivaten.
Op 28 februari 1994 gebeurde bij eiseres door A. V. L., verificateur-accountant, R. B. en F. K., verificateurs bij de administratie van de BTW die ter beschikking waren gesteld van de administratie van de BBI, een toezicht van de boekhouding bij toepassing van art.61, § 1 W.BTW.
De aanleiding tot voornoemde centrale waren de gegevens en de verklaringen lastens de heer S. L. die de administratie van de BTW had gevonden in het strafdossier van het parket te Kortrijk, gekend onder notitienummer ….
De toelating tot inzage en afschrift van voornoemd strafdossier werd verleend door de Heer Procureur-Generaal bij het parket van het Hof van Beroep te Gent op 23 juli 1990.
De overtredingen vastgesteld tengevolge van de op 28.02.1994 bij eiseres gestarte controle door de administratie van de BBI, nl. dat er voor 12 fakturen geen leveringen van goederen hebben plaatsgevonden tussen de firma O.-H., als leverancier en de NV. E. R. als ontvanger van de goederen, proces-verbaal van 30 maart 1994.
Op 30 mei 1994 werd door notaris J. D. M. te …, bij toepassing van art. 93ter W.BTW, een kennisgeving nopens een geplande verkoop van een onroerend goed door eiseres verstuurd aan de heer ontvanger te Brugge.
Op 7 juni 1994 werd door de bevoegde BTW-ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd dat diezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer E. V. H., hoofdcontroleur van het tweede BTW-controlekantoor te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur. In voormeld dwangbevel vordert de BTW-administratie de BTW terug die eiseres ten onrechte in aftrek zou hebben gebracht over de fictieve facturatie en dito leveringen die tussen eiseres en O.-H. hebben plaatsgevonden, vermits een belastingplichtige slechts de BTW in aftrek kan brengen m.b.t. de werkelijk aan hem geleverde goederen.
Op 8 juni 1994 werd voornoemd dwangbevel, samen met het proces-verbaal d.d. 30 maart 1994, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, bij aangetekend schrijven aan de zetel van eiseres betekend.
Op 5 juli 1994 tekende eiseres bij verzetsexploot van gerechtsdeurwaarder J. V. M., verzet aan tegen het voornoemde dwangbevel.
De vordering van eiser strekt ertoe :
- te horen zeggen dat het dwangbevel nietig is en de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.
- tweede verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden sommen ingevolge dit dwangbevel, verhoogd met de nalatigheidsintresten voorzien in art. 91, § 3 W.BTW.
- de kosten ten laste te leggen van verweerders, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
- te horen zeggen dat het vonnis uitvoerbaar is bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep, zonder borgstelling of kantonnement.
III. BEOORDELING
1. Nopens de nietigheid van het dwangbevel
1.1. onregelmatige inzage van het strafdossier
In de aanvraag van 30 mei 1990 houdt de BBI-administratie van Antwerpen voor dat het haar bekend was dat het parket te Kortrijk onder notitienummer … een dossier heeft aangelegd betreffende C. O. CV.
Het feit dat de BBI-administratie weet dat het parket een strafdossier heeft aangelegd wijst er volgens eisers op dat er, voorafgaandelijk aan de aanvraag tot inzage d.d. 30 mei 1990, nog andere contacten zijn geweest tijdens dewelke de BBI-administratie inlichtingen heeft ingewonnen m.b.t. het door het parket aangelegde strafdossier.
Aangezien de BBI-administratie dus voor 30 mei 1990 van het parket heeft vernomen dat er een strafdossier lastens C. O. CV bestond en aangezien zij die informatie bekomen heeft zonder voorafgaandelijke toelating van het parket-generaal zijn die inlichtingen op een onregelmatige wijze verkregen.
Dit heeft volgens eiseres voor gevolg dat in de aanvraag d.d. 30 mei 1990 de BTW-administratie in ieder geval artikel 93quaterdecies W.BTW heeft geschonden precies omwille van het feit dat de administratie in haar aanvraag het door het parket gehanteerde notitienummer heeft vermeld.
Art. 93quaterdecies, § 1 W.BTW. zegt het volgende : "De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van één der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Met het oog op de toepassing van dit Wetboek dient onder openbare lichamen te worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, instellingen en diensten welke de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat mede beheren, waaraan de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat een waarborg verstrekken, op de bedrijvigheid waarvan de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat toezicht uitoefenen of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de Regering of de Executieven, op voordracht of mits hun goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal."
De aanvraag tot inzage van 30 mei 1990 van het strafdossier is derhalve gesteund op wederrechtelijk bekomen gegevens, zodat deze aanvraag en de aldus bekomen toelating onregelmatig zijn. Wanneer de BTWadministratie bij het uitvaardigen van een dwangbevel immers gebruik maakt van gegevens die zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, op een onwettige manier heeft verworven , dan moet het dwangbevel, aldus eiseres, worden vernietigd.
Verweerder werpt op dat de fraude in de oliesector genoegzaam aan bod is gekomen in de media. Bijgevolg kreeg de BBI-administratie weet van het gerechtelijk onderzoek ingevolge de berichtgeving op radio en televisie en in de geschreven pers.
Het is ingevolge een telefonisch contact tussen de diensten van het parket en de BBI-administratie dat deze laatste in het bezit is gekomen van het voormelde notitienummer.
De rechtbank stelt samen met verweerder vast dat de manier waarop de administratie in het bezit is gekomen van voormeld notitienummer geen schending uitmaakt van art. 211 van het Wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen hetwelk thans is opgenomen in art. 93quaterdecies, § 1 W.BTW.
Voornoemd wetsartikel laat de parketten en/of de griffiediensten toe om aan de ambtenaar belast met de zetting of de invordering van de belasting alle inlichtingen te verschaffen. Welnu het notitienummer of het identificatienummer van een dossier is een inlichting zonder meer.
Enkel de inzage van deze inlichtingen in verband met de rechtspleging, nl. de inhoud van het dossier, is aan de toelating van de procureur-generaal onderworpen. De omstandigheid dat de administratie in het bezit was van inlichtingen die zij opvroeg bij het parket naar aanleiding van persberichten, maakt geen schending uit van art. 93quaterdecies, § 1 W.BTW, wanneer uit niets blijkt dat de administratie voor enige toelating tot inzage, effectief inzage heeft genomen van het gerechtsdossier (zie naar analogie arrest Hof van Beroep te Gent van 6.10.1994).
Eiseres poneert dat de machtiging tot inzage van de procureur-generaal een uitzonderingsmaatregel inhoudt op het geheim karakter van het strafonderzoek, zodat dit restrictief dient te worden geïnterpreteerd m.a.w. stukken die nog geen deel uitmaken van het strafdossier op het ogenblik van het verlenen van de machtiging vallen bijgevolg buiten die machtiging. Voor de inzage van de stukken die later aan het dossier worden toegevoegd, moet een nieuwe machtiging worden gevraagd.
In casu dateert de door de procureur-generaal verleende toelating van 23 juli 1990, daar waar het proces-verbaal uit het strafdossier waarop de BTW-administratie haar BTW-navordering integraal heeft gesteund dateert van 27 juli 1991 (pv. 3440/3). Voor de inzage van kwestieus proces-verbaal nr. 3440/3 van 27 juli 1991 beschikte de BTW-administratie derhave geenszins over de geldige toelating tot inzage.
De inzage van voormeld proces-verbaal is derhalve op een onwettige wijze door de BTW-administratie bekoen. Het dwangbevel en het proces-verbaal van 30 maart 1994, waarbij de BTW-administratie haar BTW-navordering steunt op dit proces-verbaal d.d. 27 juli 1991, zijn dan ook gesteund op inwettig bekomen inlichtingen en moeten derhalve vernietigd worden, aldus eiseres.
De toelating van de procureur-generaal d.d. 23 juli 1990 tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier werd verleend voor het ganse strafonderzoek, zonder beperking in de tijd. Het feit dat het proces-verbaal uit het strafdossier waarop de navordering is gesteund van een latere datum is dan de toelating is dan ook van geen enkel belang. Het gebruikte proces-verbaal is dan ook op een rechtsgeldige wijze bekomen.
1.2. De schending van de rechten van verdediging door het niet voorleggen van de stukken waarop de BTW-administratie haar vordering steunt
De rechtbank stelt in tegenstelling met eiseres vast dat verweerders alle stukken hebben voorgelegd waarop zij hun vordering steunen. Meer bepaald werden de processen-verbaal van 13 juli 1990 en van 22 februari 1990 dewelke de basis zijn van het uiteindelijk proces-verbaal d.d. 30 maart 1994 aan eiseres medegedeeld.
Ook het proces-verbaal 3340/4 d.d. 27 juli 1991, opgemaakt door de gerechtelijke politie te Kortrijk, waarbij S. L. werd verhoord met betrekking tot de 12 kwestieuze facturen werd medegedeeld.
Eiseres stelt verder dat verweerders niet het bewijs voorleggen dat de heren A. V. L., R. B., F. K. en M. D. B. door de gewestelijke directeur van de BBI-administratie te Antwerpen werden gemachtigd om het strafdossier te Kortrijk in te zien. Bovendien werd de machtiging door de procureur-generaal verleend aan de Directie Antwerpen terwijl de ambtenaren die het strafdossier geconsulteerd hebben behoren tot de BBI-inspectie te Kortrijk.
De rechtbank stelt vast dat er door de procureur-generaal toelating werd verleend aan de door de gewestelijke directer aangeduide ambtenaren van de bevoegde administraties van het Ministerie van Financiën, gelast met de controle op de toepassing van de fiscale wetgeving, om inzage en afschrift te nemen van de stukken van het strafdossier ten laste van S. L. e.a.. Alle ambtenaren die belast zijn met het onderzoek mogen dus voormeld strafdossier consulteren. Bovendien is er geen enkele wettelijke verplichting die zegt dat de gewestelijke directeur voormelde ambtenaren hiertoe schriftelijk dient aan te wijzen.
De rechtbank stelt verder vast dat de machtiging werd verleend aan de ambtenaren van de bevoegde fiscale administratie, gelast met de controle op de toepassing van de fiscale wetgeving. De machtiging kan m.a.w. gebruikt worden door alle administraties van het Ministerie van Financiën die belast zijn met de controle en de invordering van belastingen.
Uit dit alles blijkt dat de rechten van verdediging geenszins zijn geschonden.
2. Nopens de schending van de regels inzake bewijsvoering
Verweerders stellen dat voor wat de gedane vaststellingen uit het strafdossier betreft de bijzondere bewijswaarde geldt en dat de gevolgtrekkingen die uit deze vaststellingen worden gemaakt onderworpen zijn aan de beoordeling van de rechtbank.
De bijzondere bewijswaarde van een proces-verbaal opgesteld bij toepassing van artikel 59, § 1 W.BTW, geldt enkel voor de persoonlijke vaststellingen, die door de verbalisanten werden verricht m.a.w. enkel hetgeen door de BTW-ambtenaren zelf fysisch of zintuiglijk werd waargenomen verkrijgt door de opname in het proces-verbaal bijzondere bewijswaarde. Deze bijzondere bewijswaarde geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden. Deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere vermoedens.
In casu houdt dit in dat de vaststellingen die door de gerechtelijke diensten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek inzake O. C. werden gedaan en die opgenomen werden in een pro-justitia geen bijzondere bewijswaarde hebben bekomen door de enkele opname van deze vaststellingen door de BTW-administratie in het proces-verbaal d.d. 30 maart 1994. Dezelfde conclusie geldt voor de processen-verbaal van 13 juli 1990 en van 22 februari 1990, opgesteld door de andere BTW-ambtenaren en waarnaar de verbaliserende BTW-ambtenaren in hun proces-verbaal van 30 maart 1994 verwijzen.
De rechtbank stelt tevens vast dat het proces-verbaal d.d. 30 maart 1994 niet louter is gebaseerd op het gerechtelijk dossier. Voor de vaststellingen door de verbaliserende ambtenaren van de BBI gedaan, naar aanleiding van de op 28 februari 1994 gestarte controle bij eiseres, geldt wel de bijzondere bewijswaarde.
Ingevolge de bepaling van art. 59, § 1 W.BTW is het verweerder toegelaten om met behulp van vermoedens de verschuldigbaarheid van de BTW aan te tonen. Krachtens art. 1350 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet (wettelijk vermoeden) of de rechter (feitelijk vermoeden) afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Naast de wettelijke vermoedens mag verweerder dus ook een beroep doen op feitelijke vermoedens. Deze laatste worden enkel door de rechtspraak aanvaard als zij gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend aan zijn. De fictiviteit van de facturen kan m.a.w. bewezen worden de hand van gewichtige bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens.
In casu wil verweerder door het inroepen van het strafrechterlijk onderzoek ten laste van S. L. en de firma H.-O. naar eis van recht door overeenstemmende, bepaalde en gewichtige vermoedens aantonen dat er zeer ernstige redenen zijn om te twijfelen aan de correctheid van de gedane aftrek van BTW, betreffende de twaalf in het proces-verbaal van 30 maart 1994 bedoelde facturen.
De rechtbank stelt vast dat de kwestieuze facturen effectief werden uitgereikt door of op naam van H.-O. en dat de BTW-bedragen, gelet op de brief van 6 december 1991 (stuk 9 verweerder) waarin eiseres aangeeft in welke BTW-aangifte de als BTW-vermelde bedragen op voormelde facturen werden opgenomen, effectief werden in aftrek gebracht.
Tevens stelt de rechtbank vast dat eiseres het aankoopjournaal waarin de inkomende facturen moeten geboekt worden niet meer kan terugvinden. Bovendien blijkt uit de gegevens van het bovenvermeld strafdossier dat de firma H.-O. (naam waaronder S. L. handel dreef) nooit daadwerkelijk enige activiteit heeft gehad, dat de heer L. nog nooit heeft gehoord van de NV R. of van de heer C. R., dat de heer L. heeft verklaard de facturen te hebben opgemaakt aan de hand van een door een zekere B. V. R. met de hand geschreven voorbeeld en dat tenslotte de zolderkamer in het pand nr. 2 aan de … te … (adres van de firma H.-O) een nepadres is.
Gelet op het voorgaande zijn er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die het bestaan van fictieve facturen aantonen en die bijgevolg toelaten te twijfelen aan de rechtmatigeid van de reeds in aftrek gebrachte BTW op kwestieuze facturen.
Het is aan eiseres om te bewijzen dat het om werkelijk geleverde goederen gaat.
3. Nopens het bewijs van het werkelijk karakter van de leveringen van de betreffende facturen
Volgens eiseres behelzen kwestieuze facturen allemaal effectieve leveringen die door eiseres bij H.-O werden geplaatst en die door eiseres werden afgenomen in de opslagplaatsen van O. te …. De heer C. R. zou hierbij steeds gehandeld hebben met een zekere heer P. en G., dewelke zich voordeden als vertegenwoordigers van de betrokken firma H.-O.
Eiseres stelt verder dat de administratie der douane en accijnzen gedurende het jaar 1990 en volgende de werkelijkheid van de desbetreffende leveringen heeft onderzocht in het kader van de zogenaamde “hoeveelheidscontroles”. Dit onderzoek zou destijds gevoerd zijn geweest door de Opsporing Petroleum te Antwerpen (de heer Hoofdcontroleur V. D. B.) en zou aldaar gekend zijn onder de referte ….
Om de werkelijkheid van de leveringen aan te tonen heeft eiseres bij schrijven d.d. 25 september 1990 zoveel mogelijk ritbladen van chauffeurs, vervoerdocumenten en leveringsbons aan voormelde opsporingsdienst opgestuurd (stuk 2 van eiseres). De BTW-administratie werd hiervan op 6 december ingelicht (stuk 9 van verweerder).
In de besluiten d.d. 2 november 1998 verzoekt eiseres verweerders dan ook om bij de “zusteradministratie” de resultaten van het destijds door de administratie controle petroleum opsporing gevoerd onderzoek te willen opvragen en dit te willen voorleggen aan de rechtbank. In de laatste besluiten voor verweerders d.d. 28 december 1998 (pagina 5) zeggen zij te willen ingaan op dit verzoek. Tot op heden is dit echter niet gebeurd.
De rechtbank acht het in deze evenwel belangrijk kennis te kunnen nemen van het gevoerde onderzoek door de Opsporing Petroleum te Antwerpen, gekend onder de referte …, aangezien voormeld onderzoek van belang zou kunnen zijn om de waarachtigheid van de effectieve leveringen aan te tonen.
De debatten dienen dan ook te worden heropend teneinde de verweerders toe te laten voormelde stukken voor te leggen en teneinde partijen toe te laten dienaangaande verder standpunt in te nemen.
OM DEZE REDENEN
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet dienend terzake en/of overbodig.
Verklaart de vordering ontvankelijk en alvorens verder ten gronde te oordelen.
HEROPENT DE DEBATTEN teneinde partijen toe te laten te handelen zoals hierboven uiteengezet.
Verzendt de zaak terug naar de bijzondere rol.
Houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorrraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op twintig december negentienhonderd negenennegentig.
Aanwezig zijn :
I.D., alleenrechtsprekend rechter
K. D., griffier.
K. D. I. D.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.