Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 22 novembre 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-hasselt-2012-11-22-49f5

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
22 novembre 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 22.11.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR nr. 10/2502/A

P. M., accountant, ingeschreven bij de KBO onder nummer …, kantoorhoudende te …, …, wonende te …, ….

eiser,

vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijke Directeur van de BTW te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21.10.2010;

- de conclusies van eiser;

- de conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door hem uitgevoerde zelfstandige beroepswerkzaamheid als accountant en is onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na voorafgaande verwittiging werd bij eiser op zijn kantoor in aanwezigheid van hemzelf op 10.06.2009 een controle aangevat teneinde de naleving van de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan gegeven regels na te gaan vanaf 01.01.2006.

Deze controle werd verder gezet op 29.06.2009. Op 10.06.2009 en 29.06.2009 heeft eiser een aantal verklaringen afgelegd en heeft de controleambtenaar een aantal vaststellingen gedaan m.b.t. de verkoopboekhouding. Hiervan werd op 29.06.2009 een proces-verbaal opgesteld (zie stuk 1, bundel verweerder).

Vervolgens werd er niet of slecht gedeeltelijk ingegaan op diverse vragen van de controleambtenaar om stukken en comptabiliteitsboeken voor te leggen. Hiervan werden op 29.09.2009 (zie stuk 2, bundel verweerder), 30.09.2009 (zie stuk 3, bundel verweerder), 13.10.2009 (zie stuk 4, bundel verweerder) en 23.10.2009 (zie stuk 5, bundel verweerder) processen-verbaal van opgesteld.

Overeenkomstig art. 84ter W.BTW werd bij brief van 09.11.2009 eiser in kennis gesteld van het feit dat de administratie het voornemen had om de verjaringstermijn van art. 81bis, tweede lid, 4e W.BTW (7-jarige verjaringstermijn) toe te passen aangezien er vermoedens van belastingontduiking tegen eiser bestaan (zie stuk 6, bundel verweerder).

Een aantal overtredingen tegen de BTW-wetgeving werden door de controleambtenaar opgenomen in een proces-verbaal van 09.02.2010 (zie stuk 7, bundel verweerder).

Een aantal dienstverrichtingen van eiser nl. de facturen m.b.t. de handelingen van het derde en vierde kwartaal 2006 werden niet opgenomen in de ingediende BTW­aangifte en de verschuldigde BTW ten bedrage van … euro werd niet opgenomen in de periodieke BTW-aangifte.

In het proces-verbaal werden de volgende bedragen gevorderd :

- … euro aan BTW;

- … euro wettelijke geldboete bij toepassing van art. 70, § 1 W.BTW;

- intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand over de som van … euro te rekenen vanaf 09.02.2010.

Op 10.02.2010 werd een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 09.02.2010. Het dwangbevel werd door de e.a. inspecteur van de BTW-controle Hasselt II, aangewezen door de gewestelijke directeur, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.08.2010 en met exploot van gerechtsdeurwaarder B. R. te Hasselt op 24.03.2010 betekend aan eiser (zie stukken 7 en 8, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21.10.2010 stelde eiser een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. Eiser betwist niet de BTW-vordering.

Eiser streeft enkel de kwijtschelding, minstens de herleiding van de opgelegde geldboete en intresten na.

2. Krachtens art. 70, § 1 W.BTW bepaalt dat voor iedere overtreding de belasting te voldoen een geldboete wordt opgelegd van het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens art. 84 W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In casu werd een boete van 200 % opgelegd aangezien de administratie van oordeel was dat eiser handelde met het bedrieglijk opzet om de belastingen te ontduiken en bijgevolg niet in aanmerking kon komen voor de vermindering van de opgelegde geldboete.

In tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt, is er evenwel geen kwade trouw bewezen in hoofde van eiser.

Kwade trouw wordt immers niet vermoed, en wordt te deze ook niet bewezen.

De loutere vaststelling dat eiser inderdaad te laat heeft gefactureerd en deze gefactureerde omzet laattijdig of niet heeft opgenomen in zijn BTW-aangifte, bewijst geenszins het bedrieglijk opzet in hoofde van eiser.

Uit het loutere feit dat een bepaald bedrag niet werd aangegeven kan niet worden afgeleid dat eiser gehandeld heeft met bedrieglijk opzet, zelfs niet wanneer de niet­aangegeven inkomsten aanzienlijk zijn (zie Cass., 3 januari 1997, F.J.F., nr. 97/49; Gent, 23 april 1998, F.J.F., nr. 98/199, Rb. Antwerpen, 1 juni 2001, F.J.F., nr. 12002/113).

Het intentionele element van het bedrieglijk opzet is te deze niet bewezen.

De vordering van eiser tot kwijtschelding van de opgelegd boete is derhalve gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Verleent kwijtschelding van de geldboeten en de op de geldboete verschuldigde intresten en kosten zoals opgenomen in het dwangbevel van 10.02.2010.

Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werd betaald of ingehouden.

Veroordeelt verweerder tot de kosten, begroot in hoofde van eiser op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op alwaar aanwezig waren :

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 22.11.2012, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

1
AR no 41 art. 11 occurrence