Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 3 novembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2009-11-03-029c

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
3 novembre 2009

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 4 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance d'Anvers27.06.2008
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers03.11.2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

67 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 03.11.2009

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/2223

N.V. K. N. T. O., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;

appelIante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27 juni 2008;

vertegenwoordigd door Meester K. H., advocaat te … (…), …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27 juni 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 21 augustus 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. - Appellante heeft voor de maand augustus 2006 geen tijdige BTW-aangifte ingediend. Derhalve wordt op 31 oktober 2006 de rekening - courant van appellante op nul gezet. Voor de periode van 31 juli 2006 tot 31 oktober 2006 wordt een bijzondere rekening opgemaakt, waaruit blijkt dat appellante een bedrag van … € BTW, … € geldboete en … € intresten verschuldigd is.

Bij aangetekend schrijven van 22 november 2006 wordt aan appellante kennis gegeven van de bijzondere rekening. Op 4 december 2006 verzendt het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen een betalingsbericht aan appellante waarin wordt meegedeeld dat zij een totaal bedrag van … € BTW, intresten en boete dient te betalen ingevolge de opening van de bijzondere rekening. Op 14 december 2006 gaat appellante over tot betaling.

Bij aangetekend schrijven van 27 december 2006 verzoekt appellante om de aangerekende boete van 10 % in toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 te verminderen, gelet op de uitzonderlijke omstandigheid en de onevenredigheid tussen de toegepaste boete en nalatigheidintresten en de begane overtreding. Appellante stelt dat omwille van gezondheidsproblemen van de financiële verantwoordelijke - die om die reden de vennootschap zal verlaten - in tegenstelling tot het verleden, gedurende de laatste maanden met te weinig diligentie werd toegezien op de administratieve formaliteiten voorgeschreven door de BTW- wetgeving.

Bij beslissing van de gewestelijk directeur van de directie BTW Antwerpen van 10 april 2007 wordt de boete - ten uitzonderlijke titel - bij toepassing van artikel 9 van het Besluit van de Regent van 18 maart 1831 verminderd tot … €.

1.2. - Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 7 mei 2007, vordert appellante de beslissing van 10 april 2007 te vernietigen, op opgelegde BTW-boete onwettig te verklaren; in ondergeschikte orde deze boete kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen; de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Appellante roept de schending van de verplichte motivering in evenals de schending van het proportionaliteitsbeginsel.

1.3. - Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27 juni 2008 verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelt dat uit de kennisgeving van de bijzondere rekening ontegensprekelijk blijkt dat appellante kennis had van de redenen die de administratie er toe hebben aangezet om tegen haar een geldboete van 10 % op te leggen en appellante hieruit onomstotelijk dan ook terdege kon afleiden waarom deze geldboete werd toegepast zodat haar dan ook een inzicht werd verschaft in de motieven van de geldboete en zij dan ook terdege kon oordelen of het zin had zich hiertegen te verzetten. De kennisgeving van de bijzondere rekening heeft appellante toegelaten de motieven te onderzoeken die door de administratie werden ingeroepen om de geldboete van 10 % toe te passen. De geldboete van 10 % is wettelijk en voldoende gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986. De eerste rechter oordeelt verder dat de geldboete, die later door de directorale beslissing van 10 april 2007 werd verminderd, in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

1.4. - Tegen dit vonnis heeft appellante bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 21 augustus 2008, hoger beroep aangetekend.

Appellante vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen; de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; derhalve de opgelegde boete onwettig te verklaren; in ondergeschikte orde de opgelegde geldboete kwijt te schelden, minstens in. belangrijke mate verder te verminderen; de terugbetaling te bevelen van een bedrag van … €, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest gerekend aan de wettelijke intrestvoet in fiscale zaken vanaf 7 mei 2007 tot de dag der effectieve terugbetaling; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding begroot op … € rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … € rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Appellante roept in hoofdorde de miskenning in van de verplichte motivering van de oplegging van de boete. De enkele verwijzing naar de bijlage van het K.B. nr. 41 volstaat niet als motivering. Er wordt geen melding gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren. Een belastingplichtige kan uit de kennisgeving houdende opening van de bijzondere rekening niet afleiden dat de boete wordt opgelegd louter en alleen omwille van de opening van een bijzondere rekening. Het opleggen van een boete naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening is geen gebonden bevoegdheid. De correcte motivering van een BTW-boete is niet enkel voorgeschreven om de belangen van de belastingplichtige te vrijwaren, doch tevens om de wettigheid van de belasting en fiscale sancties te verzekeren. Appellante is niet gehouden een belangenschade aan te tonen teneinde met succes de nietigheid te kunnen inroepen van de beslissing om een fiscale geldboete op te leggen. In ondergeschikte orde roept appellante de schending in van het beginsel van de proportionaliteit. Het Hof is wel degelijk bevoegd om de proportionele geldboete van 10 % die werd opgelegd ingevolge de opening van een bijzondere rekening, verder te verminderen. Volgens appellante staat de hoogte van de opgelegde boete niet in verhouding met de overtreding die haar ten laste wordt gelegd. Op 14 december 2006 werden de verschuldigde bedragen, inclusief de nalatigheidsintresten, volledig voldaan. Er was in het geheel geen sprake van enige onwil in hoofde van appellante om de BTW te voldoen.

Doordat de verschuldigde BTW, evenals de nalatigheidsintresten inmiddels voldaan werden, heeft de Schatkist geen financieel nadeel geleden, wat een grond kan zijn om tot kwijtschelding van de opgelegde boete over te gaan. Bij de beoordeling van de disproportionaliteit van de opgelegde boete, dient verder rekening gehouden te worden met het feit dat het bedrag van de BTW die in het gewone tarief reeds 21 % bedraagt, niet berekend wordt op de gerealiseerde winst, doch op de gerealiseerde omzet waardoor de opgelegde proportionele boete eveneens op de omzet wordt berekend en niet op de winst en aldus een zware financiële last betekent. De hoogte van de boete moet vergeleken worden met de zogenaamde 'strafrechtelijke boeten' in de zin van artikel 73 W.BTW. In casu bedraagt de opgelegde boete zelfs na de vermindering door de gewestelijk directeur nog steeds … € waardoor deze meer dan twee maal hoger ligt dan de maximumboete voorzien in artikel 73 W.BTW. Zelfs na de herleiding staat de boete niet in verhouding met de overtreding die appellante ten laste wordt gelegd.

1.5. - Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis en vordert de veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep, door geïntimeerde begroot op … € rechtsplegingsvergoeding.

Geïntimeerde stelt dat het opleggen van de boete wel degelijk voldoende werd gemotiveerd. Het opleggen van de boete is een gebonden bevoegdheid, de administratie heeft immers geen enkele beoordelingsvrijheid. Bij een gebonden bevoegdheid leidt de vaststelling dat de voorwaarden voor de toepassing van het betrokken artikel vervuld zijn automatisch tot de effectieve toepassing ervan. Er is expliciet melding gemaakt van de toepasselijke bepalingen. Ook al zou het Hof oordelen dat er schending is van de wet motivering bestuurshandelingen, dan zou dit nog niet automatisch leiden tot de nietigverklaring van de beslissing, want appellante dient immers belangenschade aan te tonen. Verder stelt geïntimeerde dat het proportionaliteitsbeginsel niet werd geschonden.

2. Beoordeling

2.1. - Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen luidt als volgt :

"Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven op die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen."

2.2. - De kennisgeving tot opening van een bijzondere rekening van 22 november 2006 motiveert de boete als volgt :

"Verminderde proportionele geldboete :

Ingevolge de bepalingen van artikel 1, 1° en van het punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het BTW-Wetboek, wordt er over het als BTW verschuldigd saldo een boete geheven van … EUR."

In de beslissing wordt geen melding gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren noch van de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.

Een loutere verwijzing naar de bijlage van het K.R nr. 41 volstaat niet.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat deze laatste te dezen niet van toepassing is.

2.3. - Uit de kennisgeving van het opmaken van een bijzondere rekening blijkt niet dat de belastingplichtige kennis zou hebben van de redenen die de administratie ertoe aangezet hebben om een geldboete op te leggen. Uit de kennisgeving kan geenszins afgeleid worden dat de boete werd opgelegd wegens laattijdige betaling van de BTW; in de kennisgeving wordt zelfs niet vermeld dat er sprake is van een laattijdige betaling van de BTW. Bij laattijdige betaling van de BTW is trouwens in beginsel geen BTW verschuldigd, doch wel nalatigheidsinteresten.

2.4. - Het argument van geïntimeerde dat het opleggen van een boete naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening een gebonden bevoegdheid is, is, gelet op het voorgaande, niet terzake en dient niet verder onderzocht te worden.

2.5. - Het feit dat de administratie de afwezigheid van kwade trouw niet dient te motiveren, houdt niet in dat zij niet moet motiveren waarom een boete van 10 % wordt opgelegd.

2.6. - Geïntimeerde voert ook ten onrechte aan dat appellante een belangenschade dient aan te tonen.

De artikelen 860 en 861 Ger.W. zijn, gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wetgeving, evenwel niet van toepassing.

Een schending van de motiveringsverplichting heeft steeds de nietigheid van de beslissing tot gevolg.

2.7. - Er kan in casu enkel vastgesteld worden dat de kennisgeving van 22 november 2006 tot het opmaken van een bijzondere rekening onvoldoende gemotiveerd is, zodat deze nietig is.

Derhalve dienen de door partijen ontwikkelde middelen met betrekking tot het proportionaliteitsbeginsel niet onderzocht te worden.

2.8. - Het hoger beroep is gegrond en het bestreden vonnis dient hervormd te worden .

Geïntimeerde dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen, zoals hierna begroot.

Betwistingen inzake belastingen kunnen wel degelijk gewaardeerd worden in functie van het bedrag van de betwiste belastingschuld. Te dezen vordert appellante terugbetaling van een bedrag van … €, meer de gerechtelijke intresten, zodat dit bedrag in aanmerking kan genomen worden voor de bepaling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Het Hof stelt wel vast dat appellante niet betwist dat voor het geding in eerste aanleg de vordering niet in geld was uitgedrukt en niet waardeerbaar was.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende.

Verklaart de vordering van appellante gegrond.

Verklaart de door geïntimeerde bij kennisgeving van 22 november 2006 opgelegde boete onwettig.

Beveelt de terugbetaling van de ten onrechte betaalde boete ten bedrage van … €, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 7 mei 2007 tot de dag van betaling.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding, in hoofde van appellante begroot op … rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … € rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van DRIE NOVEMBER TWEEDUIZENDENNEGEN,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A.V. L. M. G. S. B. D. W.

Textes cités

3
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 711 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8