Contrôle, Rectification, Chiffre affaires, juge d'appel, régularisation spontanée · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 7 juin 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Contrôle, Rectification, Chiffre affaires, juge d'appel, régularisation spontanéeContrôle,Rectification,Chiffre affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-rectification-chiffre-affaires-juge-cour-appel-gand-2000-06-07-43d1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
7 juin 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

54 paragraphes

Corps de la décision

ARRET G 00/20

Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 07.06.2000

Contrôle - Rectification - Chiffre affaires

Une série d'infractions à la législation en matière de TVA sont constatées à l'occasion d'un contrôle auprès d'un fabricant de friandises. Celles-ci sont reprises dans une déclaration rectificative. Le fabricant prétendait effectuer des remboursements à ses clients pour les emballages récupérés, mais ne les reprenait pas dans sa comptabilité, alors que les paiements par les clients y étaient bel et bien inscrits. A défaut de preuve du remboursement, un accroissement du chiffre d'affaires a été retenu dans le chef de l'assujetti. Celui-ci est combattu par l'assujetti. La cour estime toutefois qu'il est invraisemblable que les paiements par les clients soient repris dans la comptabilité alors que ce ne serait pas le cas pour le remboursement de ces montants. Le défaut de preuve du remboursement justifie donc la surimposition établie par l'Administration de la TVA

13° Kamer

Alleenrechtsprekend kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet

Griffier: Dhr. C. Sonneville

Partij: Confiserie Vandenbulcke N.V. t. De Belgische Staat

Rolnr.: 1995/AR/705

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 22 maart 1995 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 21 februari 1994 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De feiten en de vordering:

De appellante was een fabrikant van snoepgoed.

Bij een controle van de boekhouding door de B.B.I. werden overtredingen vastgesteld; deze overtredingen werden opgenomen in een correctieopgave waardoor de appellante haar toestand op een minnelijke wijze kon regulariseren. Deze correctieopgave dd. 20 juli 1989 leidde tot een navordering van 677.925 fr. in hoofdsom, waarvan 276.285 fr. voortkwam uit een meeromzet.

In een schrijven van 14 juli 1989 had de appellante schriftelijk haar akkoord bevestigd met betrekking tot de wijziging van haar aangegeven omzet over de jaren 1985, 1986 en 1987.

Op de correctieopgave heeft de appellante pas geantwoord in oktober 1989; zij verklaarde zich akkoord voor 142.313 fr. (bedrag bekomen na rechtzetting van een materiële vergissing van 100 fr.).

Na een aanvullende uiteenzetting vanwege de administratie verklaarde de appellante zich op 9 november 1989 bijkomend akkoord voor 40.432 fr.

Nadien heeft de appellante haar akkoord met betrekking tot de omzetverhoging ingetrokken, voorhoudende dat het werd gegeven ingevolge dwaling. De administratie heeft deze bewering niet aanvaard.

Er werd een invorderingsorder opgesteld voor een bedrag van 458.930 fr., zijnde de som van de gedeeltelijke akkoordverklaringen dd. 14 juli 1989, 6 oktober 1989 en 9 november 1989, verminderde geldboeten en de interesten. De appellante betaalde vrijwillig 192.205 fr.

Met toepassing van art. 81 § 3 K.B. nr. 4 werden, bij het einde van het vierde kwartaal 1989 en het tweede kwartaal 1990 toerekeningen gedaan op het tegoed van de appellante op haar rekening-courant: voor het vierde kwartaal 1989 voor 241.799 fr. en voor het tweede kwartaal 1990 voor 88.440 fr.

Tegen de eerste toerekening heeft de appellante geen bezwaar ingediend, doch met haar schrijven dd. 2 oktober 1990 deelde zij mee niet akkoord te gaan met deze toerekeningen.

Op 27 maart 1991 werd door het Ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd; dit werd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard, aan de appellante betekend. Het totaal hoofdbedrag ervan bedroeg 459.030 fr., een geldboete van 105.000 fr. en de interesten vanaf 21 juli 1987. Na aanrekening van de vrijwillige betaling van 192.205 fr. door de appellante, bleven 446.985 fr. in hoofdsom en 35.000 fr. geldboete en de interesten, verschuldigd.

Op 19 april 1991 tekende de appellante verzet aan tegen dit dwangbevel.

De appellante bestreed het dwangbevel voorhoudende dat zij had gedwaald bij de ondertekening van het fiscaal compromis; zij stelde dat zij, op het ogenblik van de controle, de bewijzen niet kon terugvinden van de terugbetaling aan de klanten, van de waarborg welke werd betaald voor de manden waarin het doopsuiker werd gepresenteerd. Zij beweert dat zij later deze bewijsstukken heeft teruggevonden en dat de basis van de belasting derhalve op grond van deze nieuwe gegevens moet herberekend worden.

De administratie bestreed dit en stelde dat de akkoordverklaring was vooraf gegaan van diverse besprekingen en van een grondig onderzoek, zodat er geen sprake kon zijn van een dwaling.

Het bestreden vonnis

De eerste rechter oordeelde dat de akkoordverklaring niet kon gelijkgesteld worden met een dading in de zin van het Burgerlijk Wetboek omdat de fiscus geen toegevingen mag doen, maar dat het een fiscaal akkoord betrof inzake feitenkwesties, te weten het bepalen van de omzet waarop de BTW verschuldigd was. Ingevolge de akkoordverklaring rustte (aldus de eerste rechter) de bewijslast op de appellante, zodat zij diende aan te tonen waarom het akkoord nietig zou zijn.

Met betrekking tot de ingeroepen dwaling oordeelde de rechter:

- dat de administratie nooit had gesteld dat de in aanmerking genomen omzetstijging zou kunnen verklaard worden door de waarborgsommen op de manden, maar dat werd rekening gehouden met de bruto-winst en/of de rendementsnormen en met de eigen produktieve prestaties;

- dat de (al dan niet) terugbetaling van de waarborg op de verpakkingen van doopsuiker geen rol had gespeeld omdat, overeenkomstig art. 28, 4° BTW-wet, deze kosten buiten de werkingssfeer van de BTW vallen;

- dat geen dwaling bewezen werd.

Het hoger beroep

De appellante houdt voor:

- dat de meeromzet voortspruit uit het feit dat zij tijdens de controle niet kon aantonen dat de waarborgen, welke zij had ontvangen voor de manden voor doopsuiker, daadwerkelijk werden terugbetaald;

- dat later de ontbrekende bewijsstukken werden teruggevonden;

- dat wanneer een waarborg werd ontvangen, dit werd genoteerd en dat, wanneer deze nadien werd terugbetaald, dit eveneens genoteerd werd;

- dat er derhalve geen meeromzet bestond;

- dat de administratie zich ertoe beperkt te beweren dat de waarborg geen rol heeft gespeeld, maar niet aantoont wat dan wel de reden zou zijn geweest voor de omzetverhoging; (de appellante beschouwt het ontbreken van enig bewijs van een andere reden voor de omzetverhoging - te leveren door de administratie - als een 'omstandig stilzwijgen' van de administratie, dat de juistheid van haar versie bewijst);

- dat de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat de waarborgen geen rol hebben gespeeld en dat de kosten van de verpakking slechts buiten de werkingssfeer van de BTW vallen wanneer ze werden terugbetaald;

- dat haar akkoord derhalve was aangetast van een dwaling.

De administratie stelt dat het ontbreken van een bewijs van de terugbetaling van de waarborg op de verpakkingsmiddelen niet aan de basis lag van het fiscaal akkoord en dat er derhalve geen dwaling bewezen is. Zij houdt ook voor dat, wanneer het gaat om verpakkingsmiddelen welke 'in de regel' door de leverancier worden teruggenomen, de kosten ervan geen maatstaf zijn voor de heffing van de BTW en dat het daarbij niet relevant is te onderzoeken of de verpakkingsmiddelen ook daadwerkelijk werden teruggegeven.

Beoordeling

1. Er bestaat thans tussen de partijen geen discussie meer omtrent de waarde van het fiscaal akkoord, noch omtrent het feit dat de bewijslast van de dwaling rust op de appellante.

2. Dientengevolge dient de appellante vooraf te bewijzen dat de kostprijs van de verpakkingsmiddelen een dienende rol heeft gespeeld bij de bepaling van de meeromzet en dat de aanvaarding van het akkoord enkel kan toegeschreven worden aan het feit dat zij toen de bewijzen van terugbetaling van de waarborg op de manden voor doopsuiker niet terugvond.

Een dergelijk bewijs kan niet geleverd worden door een loutere bewering van de appellante en er worden omtrent deze bewering geen dienende bewijzen voorgelegd.

Daar de appellante niet bewijst dat de betaling van de waarborg een rol heeft gespeeld bij de bepaling van de omzetverhoging, is het niet dienend na te gaan of thans het bewijs wordt geleverd van de teruggave van deze waarborg.

3. De appellante kan de bewijslast niet omkeren door te beweren dat het stilzwijgen van de geïntimeerde 'omstandig' zou zijn.

4. Overigens komt het aan het Hof volkomen ongeloofwaardig voor dat de appellante de betaling van een waarborg door de klanten zou opnemen in haar boekhouding en BTW-aangifte (zodat ze een basis kunnen vormen voor het berekenen van de omzet) terwijl ze de terugbetaling van de waarborg niet zou hebben opgenomen.

Dispositif

Op deze gronden,

het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van de aanleg in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 16.400 fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.

Textes cités

1
AR no 4 art. 811 occurrence