Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 19.02.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 01/3198/A Rep. nr. 2007/2619
de BVBA D'O. K., (ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester P. C., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 13.11.2001.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 22.01.2007.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door haar opgegeven activiteit van uitbating van een restaurant. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 14 september 1999 werd door J. D., e.a. verificateur bij de administratie van de BTW, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1 oktober 1997 tot 14 september 1999.
Op 3 mei 2000 werd door J. D. een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 26 september 2001 werd door D. L. B., e.a. inspecteur ad interim verbonden aan het BTW-ontvangkantoor van Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 28 september 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door V. K., e.a. inspecteur ad interim van de tweede BTW-controle te Brugge, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 8 oktober 2001 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.
Op 13 november 2001 werd hiertegen verzet aangetekend.
2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat de terugbetaling wordt bevolen van de onverschuldigd geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintresten. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat het vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van het verzet kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is het verzet ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Eiseres heeft in haar BTW-aangifte van het 4de kwartaal 1997 1.287.657 BF als aftrekbare BTW opgenomen. Dit bedrag is voornamelijk afkomstig van inkomfacturen van 1995 met betrekking tot de verbouwing van de voormalige brouwerij en gasthof "D. K." gelegen te …, …. Dit volledig gebouw is eigendom van de NV C. I. te … en het achterste gedeelte van het gebouw dat werd verbouwd, wordt gehuurd door eiseres. De rest van het gebouw wordt verhuurd aan de CV G. D. K..
3.2.2. Vooreerst dient vastgesteld dat eiseres in de periode van 1 januari 1995 tot 30 september 1998 geen belastbare handelingen heeft aangegeven. Pas in de periodieke BTW-aangifte van het 4de kwartaal 1998 werden er belastbare handelingen aangegeven. Alleen reeds om deze reden was aftrek van de BTW op de inkomende facturen uitgesloten.
3.2.3. De aangegeven verrichtingen spruiten voort uit de op 30 september 1997 afgesloten overeenkomst tussen de CV G. D. K. en eiseres. In die overeenkomst verleent eiseres, zijnde de hoofdhuurder en exploitante van het gebouwencomplex gelegen te …, …, aan CV G. D. K. het recht om binnen dat complex haar beroepswerkzaamheden uit te oefenen overeenkomstig artikel 18, par. 1, 6 W.BTW.
Krachtens artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW moet als een dienst worden beschouwd elke handeling die geen levering is van een goed in de zin van het BTW-wetboek.
Artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn (nr. 77/388/EEG Raad 17.5.1977) bepaalt dat de lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor o.m. verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van de aldaar opgesomde gevallen.
Artikel 44, § 3, 2° W.BTW voorziet op zijn beurt dat van de BTW zijn vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met de in artikel 44, § 3, 2° W.BTW opgesomde uitzonderingen.
Waar voormeld artikel 44 voorziet in de vrijstelling voor verhuur van uit hun aard onroerende goederen is het een implementatie van het artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn 77/388/EEG, zodat het dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn. Dit brengt onder meer met zich dat bij het onderzoek van de vraag of te dezen al dan niet sprake is van onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek, de volgende principes dienen in acht genomen :
- de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
- de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn zijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dienen derhalve een communautaire definitie te krijgen.
- wat de in artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen betreft, geeft deze bepaling geen omschrijving van het begrip "verhuur" en verwijst zij evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dat begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten; krachtens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het wezenlijke kenmerk van de verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, dat aan de houder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.
- om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, moeten verder alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.
(zie Hof van Beroep Gent, 30.03.2004, niet gepubliceerd).
In casu stelt de rechtbank vast dat eiseres het kwestieuze lokaal nooit zelf gebruikte en zij niet anders deed dan een onroerende ruimte ter beschikking stellen van een derde.
De terbeschikkingstelling van het lokaal door eiseres aan haar klant vertoont alle kenmerken van een onroerende verhuur en is bijgevolg niet onderworpen aan de BTW en kan derhalve ook geen aanleiding geven tot de aftrek van de BTW.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.
3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag negentien februari tweeduizend en zeven.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.