Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 10.01.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak : 02/1290/A
de NV BCV-I., (HR Kortrijk nr. …, BTW-nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester F. D., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de Invordering, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het 1e BTWOntvangkantoor Kortrijk, met burelen gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank alhier de dato 6.05.2002.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 13.12.2004.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte geregelde activiteit van immobiliënkantoor en activiteiten die in verband staan met onroerende goederen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 10 mei 2001 werd door E. S., e.a. inspecteur-diensthoofd bij de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 17 maart 1998 tot en met 31 december 1998.
Op 6 november 2001 werd door E. S. een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 4 december 2001 werd door J. C., e.a. inspecteur ad interim bij een fiscaal bestuur en rekenplichtige van het 1ste BTW-ontvangkantoor van Kortrijk, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 6 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. B., e.a. inspecteur ad interim van de derde BTW-controle te Kortrijk, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 26 februari 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.
Op 6 mei 2002 werd door eiseres een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 1385decies Ger. W..
2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat de terugbetaling wordt bevolen van de onverschuldigd geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintresten. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 342,09 EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat het vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van het verzet kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is het verzet ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nietigheid van het dwangbevel
Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Met betrekking tot de vorm en inhoud wordt door de wet geen enkele sacramentele vorm voorgeschreven. Een dwangbevel is regelmatig wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.
In casu beantwoordt het bestreden dwangbevel aan deze vereisten.
Het niet vermelden van de verhaalmogelijkheden in het dwangbevel heeft geen enkele invloed op de rechtsgeldigheid ervan.
3.2.2. de afgesloten overeenkomst
3.2.2.1. Tussen eiseres en de verbonden onderneming BVBA BCV W. werd op 1 juli 1998 een overeenkomst afgesloten voor onbepaalde duur. Bij deze overeenkomst verleent eiseres het recht aan BVBA BCV W. om binnen het gebouwencomplex gelegen te …, …, haar beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Verder bepaalt voormelde op 24 oktober 2000 geregistreerde overeenkomst dat de BVBA BCV W. haar beroepswerkzaamheden enkel zal kunnen uitoefenen in de lokalen van het voormelde gebouwencomplex en dat zij deze lokalen zal gebruiken volgens de instructies van eiseres. In artikel 8 van de overeenkomst wordt verder gestipuleerd dat de vertegenwoordigers van eiseres op ieder ogenblik de door de BVBA BCV W. gebruikte lokalen mogen betreden, bezoeken en gebruiken, in zoverre zij daardoor de uitbating van de beroepswerkzaamheden van de BVBA BCV W. niet hinderen. Artikel 9 bepaalt verder dat als vergoeding voor het gebruik van de lokalen de BVBA BCV W. aan eiseres een bedrag zal betalen van 552.000 Fr/jaar, maandelijks vervallend.
In toepassing van artikel 18, § 1, lid 2, 6° W.BTW rekent eiseres BTW aan op de vergoedingen die zij ingevolge artikel 9 van de overeenkomst aan verweerder aanrekent. In toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW trekt eiseres die ontvangen BTW af.
Verweerder stelt dat eiseres ten onrechte 21 % BTW heeft aangerekend op de vergoedingen die overeenkomstig artikel 9 van de overeenkomst aan verweerder werden gefactureerd. Volgens verweerder zijn deze vergoedingen in toepassing van artikel 44, § 3, 2° W.BTW (onroerende verhuur) vrijgesteld van BTW, zodat eiseres de ten onrechte aangerekende BTW niet in aftrek kan brengen.
Eiseres stelt daarentegen dat voormelde overeenkomst ten onrechte werd beschouwd als een overeenkomst van onroerende verhuur en dat het hier wel degelijk een overeenkomst is die aan de BVBA BCV W. het recht verleent in de lokalen een beroepswerkzaamheid uit te oefenen naar eigen keuze.
3.2.2.2. Krachtens artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW moet als een dienst worden beschouwd elke handeling die geen levering is van een goed in de zin van het BTWwetboek.
Artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn (nr. 77/388/EEG Raad 17.5.1977) bepaalt dat de lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor o.m. verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van de aldaar opgesomde gevallen.
Artikel 44, § 3, 2° W.BTW voorziet op zijn beurt dat van de BTW zijn vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met de in artikel 44, § 3, 2° W.BTW opgesomde uitzonderingen.
Waar voormeld artikel 44 voorziet in de vrijstelling voor verhuur van uit hun aard onroerende goederen is het een implementatie van het artikel 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn 77/388/EEG, zodat het dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn. Dit brengt onder meer met zich dat bij het onderzoek van de vraag of te dezen al dan niet sprake is van onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek, de volgende principes dienen in acht genomen :
- de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
- de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn zijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dienen derhalve een communautaire definitie te krijgen.
- wat de in artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen betreft, geeft deze bepaling geen omschrijving van het begrip "verhuur" en verwijst zij evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dat begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten; krachtens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het wezenlijke kenmerk van de verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, dat aan de houder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.
- om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, moeten verder alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.
(zie Hof van Beroep Gent, 30.03.2004, niet gepubliceerd).
3.2.2.3. Tijdens de controle werd in casu vastgesteld dat het gebouwencomplex aan de … te … leegstond en dat de burelen van eiseres en van de BVBA BCV W. gevestigd waren op een ander adres nl. te …, …. Uit de boekhouding is verder nog gebleken dat eiseres slechts 1 enkel uitgaande handeling heeft uitgevoerd, nl. de desbetreffende verhuur tot eind 1999. Deze vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel.
Verder blijkt uit het voorgelegde contract dat eiseres weinig is geïnteresseerd in de aard van de beroepswerkzaamheid die er in haar lokalen wordt uitgeoefend en dat zij geen andere diensten, dan het ter beschikking stellen van een ruimte, aanbiedt.
Uit de gedane vaststellingen en uit de voorliggende overeenkomst kan dan ook niet anders dan dat de overeenkomst wordt gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Het essentieel voorwerp van kwestieuze overeenkomst bestaat immers uit het verlenen van het volle en gehele genot van een bepaalde ruimte. Het gebruik van de uitbating en de aard van de uitgeoefende beroepswerkzaamheid voor BVBA BCV W. is hier duidelijk niet van primordiaal belang. Het beschikkingsrecht op de inrichting was hierbij niet bijkomstig.
Het gegeven dat de overeenkomst stipuleert dat de vertegenwoordigers van eiseres op ieder ogenblik de door de BVBA BCV W. gebruikte lokalen mogen betreden, bezoeken en gebruiken kan niet verhinderen dat zij als een overeenkomst van onroerende verhuur wordt gekwalificeerd aangezien de zaakvoerders van eiseres en van de verbonden onderneming BVBA BCV W. dezelfde zijn.
Derhalve dient voor de toepassing van de BTW te worden aangenomen dat de dienstverlening niet moet worden beschouwd als een belastbare handeling .in de zin van artikel 18, § 1, 6 W.BTW.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.
3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 349,53 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op tien januari tweeduizend en vijf.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.