Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 6 septembre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-service-operation-cour-appel-anvers-2011-09-06-7931

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
6 septembre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

51 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.09.2011

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2005/AR/1897

S. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

appellante,

tegen het vonnis gewezen op 06 april 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, vertegenwoordigd door Mr. A. C. loco Mr. G. L., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Rekenplichtige, van het 2de BTW-Ontvangkantoor Hasselt, te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 47,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 6 april 2005 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 juli 2005;

Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 10 maart 2009;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Retroacten

1.1. In het tussenarrest van 10 maart 2009 heeft het Hof het voorwerp van de vordering, de procedurele antecedenten en de feitelijke gegevens ter zake reeds uiteengezet. Het Hof verwijst hiernaar. Deze uiteenzetting dient hier voor zoveel als nodig als hernomen te worden beschouwd.

1.2. In dit tussenarrest heeft het Hof reeds beslist dat vaststaat dat de met invordering belaste ambtenaar het dwangbevel heeft uitgevaardigd en dat ook het juiste Ontvangkantoor het dwangbevel heeft uitgevaardigd. Verder stelt het Hof dat geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat het dwangbevel zelf dient ondertekend te zijn door een gerechtsdeurwaarder en tevens dat aan de wettelijke verplichting van artikel 43, 2° Ger. W. ook is voldaan. Het Hof oordeelt eveneens dat geen enkele wetsbepaling een termijn voorziet waarbinnen de controleambtenaren hun processen­verbaal dienen op te stellen. Uit het feit dat het proces-verbaal werd opgesteld een aantal maanden na de controle volgt in casu niet de onwaarde van het proces-verbaal. Appellante bewijst niet dat op enige manier haar rechten van verdediging zijn geschonden. Het enkele feit dat het proces-verbaal van 6 november 2001 pas ter kennis werd gebracht samen met de betekening van het dwangbevel, houdt geen schending van de rechten van verdediging in. De loutere bewering dat de nota's niet mee werden betekend en evenmin werden opgenomen in het proces­verbaal, bewijst geenszins dat de materiële vaststellingen van de ambtenaren met betrekking tot deze nota's niet correct zouden zijn.

Het feit dat het proces-verbaal verwijst naar "uitleg" verstrekt door de heren S., D. en V. D. B., zonder dat deze uitleg woordelijk in het proces-verbaal is vastgesteld of opgenomen, doet niets af aan de materiële vaststellingen die de controleambtenaren hebben gedaan en tast de bewijskracht van het proces-verbaal wat betreft de materiële vaststellingen niet aan. Met betrekking tot de hoedanigheid van appellante als belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, W.BTW stelt het Hof vast dat appellante een rechtspersoon is, nl. een burgerlijke vennootschap opgericht onder de vorm van een naamloze vennootschap, die in het kader van een economische activiteit diensten verstrekt die in het W.BTW zijn omschreven, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 6 november 2001. Appellante verstrekt immers logistieke prestaties voor notaris S.. Deze prestaties zijn bij toepassing van artikel 18, § 1, W.BTW te beschouwen als diensten in de zin van het BTW­wetboek. Appellante handelde hierbij overeenkomstig haar statutair doel, dat het verrichten van een aantal in het BTW-wetboek bedoelde dienstprestaties tot voorwerp heeft en in de uitoefening van een economische activiteit. Het feit dat het hier een familievennootschap zou betreffen waarvan de aandelen niet vrij verhandelbaar zijn, betekent niet dat de vennootschap niet zou deelnemen aan het economisch verkeer. Appellante is dan ook te beschouwen als BTW-belastingplichtige. Het Hof oordeelt voorts dat appellante een vennootschap is die werd opgericht met het oogmerk om aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen, zijnde een vennootschap die niet ressorteert onder artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW. Appellante voldoet verder niet aan de voorwaarden van artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW omdat zij niet kan beschouwd worden als een zelfstandige groepering van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. Appellante kan zich dan ook niet beroepen op de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW. Overeenkomstig artikel 83 oud W.BTW werd op 16 november 2001 overgegaan tot de betekening aan appellante van het dwangbevel van 12 november 2001, alsmede het proces-verbaal van 6 november 2001. Deze betekening is zodoende gebeurd vooraleer de verjaring is ingetreden voor de oudste overtreding en heeft tevens de verjaring gestuit. De BTW-navordering van geïntimeerde is dan ook niet verjaard. Nu is komen vast te staan dat appellante zelf in gebreke is gebleven bij het vervullen van de aan haar opgelegde wettelijke verplichtingen (o.m. geen BTW-registratie aangevraagd, geen aangiften in de BTW ingediend, geen BTW aangerekend op de door haar gestelde verrichtingen, geen BTW doorgestort aan de Schatkist, ...), kan appellante in de gegeven omstandigheden moeilijk voorwenden dat de redelijke termijn zou zijn geschonden.

De door appellante verschuldigde BTW is de BTW die dient te worden geheven over de met notaris S. overeengekomen prijs, die hem als dusdanig werd aangerekend in "NOTA'S" en is derhalve niet inbegrepen in de aan notaris S. aangerekende vergoedingen. Het recht op aftrek is een recht dat de belastingplichtige zelf dient uit te oefenen. In casu heeft appellante het recht op aftrek wél gevraagd in de inleidende dagvaarding voor de eerste rechter. Deze inleidende dagvaarding dateert van 12 maart 2002 en vanaf die datum dient 5 jaar te worden teruggegaan overeenkomstig artikel 4, § 2 KB nr. 3 teneinde te berekenen met welke bedragen appellante alsnog haar recht op aftrek mag uitoefenen. Teneinde een correcte afrekening te maken (en partijen toe te laten hun opmerkingen hierover te maken), rekening houdende ook met de overige elementen van het arrest, beslist het Hof de heropening van het debat te bevelen. Het Hof oordeelt tenslotte dat er door geïntimeerde terecht interesten werden aangerekend en dat de opgelegde administratieve geldboete van 20 % gemotiveerd is door een precieze en bepaalde verwijzing naar artikel 70, § 1 W.BTW en de artikelen 1 en 4, § 1, van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het KB van 21 oktober 1993, en tevens voldoende verantwoord is door de verwijzing naar alle van toepassing zijnde wetsartikelen en de begeleidende omstandigheden zoals ze tot uiting komen in het proces-verbaal van 6 november 2001. Uit vroegere controles in de personenbelasting of vennootschapsbelasting kan appellante geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur afleiden, nu deze handelswijze door haar niet kan worden gezien als een "vaste gedragslijn" die haar ontsloeg van haar verplichtingen als BTW­belastingplichtige. Er bestaat ook geen aanleiding om over te gaan tot kwijtschelding. Gezien de Rekenplichtige geen misbruik heeft gemaakt van enig recht door er in casu voor te opteren, om pragmatische redenen, het dwangbevel te laten betekenen, dient de kostprijs hiervan niet te worden afgewenteld op geïntimeerde. Het tussenarrest van 10 maart 2009 verklaart het hoger beroep reeds ontvankelijk, hervormt het bestreden vonnis, zegt voor recht dat appellante wél haar recht van aftrek kan uitoefenen, binnen de in het arrest aangehaalde grenzen, en beveelt de heropening van het debat teneinde partijen toe te laten een correcte afrekening te maken (en partijen toe te laten hun eventuele opmerkingen hierover te maken), rekening houdende ook met alle in het arrest aangehaalde elementen.

1.3. In zijn besluiten neergelegd op 18 april 2011 voert geïntimeerde nog steeds aan dat aangezien appellante haar recht op aftrek niet heeft uitgeoefend, noch onmiddellijk, noch binnen de periode van 2 jaar, noch binnen de periode van 5 jaar vanaf het ontstaan ervan door middel van een schriftelijke vraag ingediend bij het hoofd van het controlekantoor waaronder zij ressorteert, dit recht op aftrek in haren hoofde vervallen is en er dienaangaande in haren loofde dan ook geen recht op teruggaaf is ontstaan. Het in de gedinginleidende dagvaarding opgenomen verzoek van appellante om het recht op aftrek met betrekking tot de gecontroleerde periode nog te kunnen uitoefenen dient volgens geïntimeerde dan ook als onontvankelijk te worden beschouwd. Nopens het bedrag van de aftrekbare BTW waarop appellante volgens het tussenarrest van 10 maart 2009 nog recht zou hebben merkt geïntimeerde op dat het recht op teruggaaf enkel geldt over de periode vanaf 12 maart 1997 en is het dan ook evident dat enkel de facturen vanaf 12 maart 1997 in aanmerking komen voor het recht op aftrek. Het totaal van de debetboekingen bevat dan ook ten onrechte … EUR, … EUR, … EUR, … EUR en … EUR met betrekking tot respectievelijk de aankoopfacturen nr. 112 van 6 maart 1997 (Garage P.), 113 van 10 maart 1997 (Story J. Scientia BVBA), 114 van 10 maart 1997 (Story J. Scientia BVBA), 115 van 10 maart 1997 (A. BVBA) en 116 van 11 maart 1997 (B. NV), aangezien voor ieder van deze aankoopfacturen, blijkens de geboekte factuurdatum, het recht op aftrek is ontstaan vóór 12 maart 1997. Rekening houdend met de voormelde vaststelling gaat geïntimeerde onder alle voorbehoud als naar recht en zonder enige nadelige schulderkentenis akkoord met een bedrag van … EUR als aftrekbare BTW met betrekking tot het tijdvak van 12 maart 1997 tot 30 september 2000, zijnde het door appellante vooropgestelde bedrag van … EUR, verminderd met … EUR, … EUR, … EUR, … EUR en … EUR, waarvoor volgens het tussenarrest de verjaring reeds is ingetreden. Appellante heeft op datum van 21 maart 2011 slechts een bedrag van in totaal … EUR betaald, waardoor de openstaande schuld op 22 maart 2011 nog steeds … EUR bedraagt, samengesteld uit … EUR nog verschuldigde BTW en … EUR nog verschuldigde wettelijke interesten. Wat het bedrag van de alsnog aftrekbare BTW met betrekking tot het tijdvak van 12 maart 1997 tot 30 september 2000 betreft gaat geïntimeerde onder alle voorbehoud om rechtsmiddelen aan te wenden akkoord met een bedrag van … EUR.

Het tussenarrest van 10 maart 2009 uitwerkend, volgens hetwelk appellante haar recht op aftrek terzake geldig heeft uitgeoefend middels een verzoek daartoe in de gedinginleidende akte van 12 maart 2002, kan het als aftrekbare BTW terug te geven bedrag worden toegerekend op de in het dwangbevel vermelde verschuldigde BTW, in principe met als datum van uitwerking van de toerekening 12 maart 2002 (datum van uitoefening van het recht op aftrek volgens het tussenarrest), en met een hiermee rekening houdende herberekening van de op grond van artikel 91, § 1 W.BTW van rechtswege verschuldigde interesten over het saldo van de verschuldigde BTW na de toerekening tot gevolg. Met betrekking tot de gerechtskosten voert geïntimeerde aan dat zelfs in het geval het Hof bevestigt dat het recht op aftrek met betrekking tot de periode van 12 maart 1997 tot en met 30 september 2000 tijdig en reglementair werd uitgeoefend middels een in de gedinginleidende dagvaarding van 12 maart 2002 geformuleerd verzoek, deze bevestiging niets afdoet van de geldigheid van het door geïntimeerde betekende dwangbevel met betrekking tot de door appellante ingevolge controle over de periode van 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2000 verschuldigde bedragen. Appellante vordert volkomen ten onrechte een rechtsplegingvergoeding van … EUR voor de procedure in eerste aanleg vermits het door appellante bestreden vonnis dateert van 6 april 2005 zijnde een ogenblik waarop de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat nog niet bestond. Geïntimeerde besluit derhalve tot het ongegrond verklaren van het hoger beroep en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat appellante gerechtigd zou zijn haar recht op aftrek uit te oefenen met betrekking tot het tijdvak van 12 maart 1997 tot 30 september 2000 besluit geïntimeerde tot het beperken van dit recht tot een bedrag van … EUR als aftrekbare BTW zijnde het door appellante vooropgestelde bedrag van … EUR, verminderd met … EUR, … EUR, … EUR, … EUR en … EUR, waarvoor volgens het tussenarrest de verjaring reeds is ingetreden. Geïntimeerde besluit tevens tot de veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep, welke begroot wordt op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

1.4. Appellante stelt in haar conclusies neergelegd op 21 januari 2011 dat geïntimeerde in zijn conclusies na tussenarrest het gewijsde dat aan dit tussenarrest verbonden is miskent. Volgens haar berekeningen heeft appellante voor de betrokken periode recht op een aftrek van … EUR. Omtrent de afrekening stelt appellante voor dat het Hof deze kwestie naar de rol zou verzenden, minstens en alleszins verzoekt appellante dat het Hof, eens het bedrag is bepaald inzake het recht op aftrek, de debatten zou heropenen teneinde partijen toe te laten te concluderen omtrent de precieze afrekening en de eventuele restituties welke dienen te gebeuren, gelet op het alsdan tussengekomen (tussen)arrest. Het behoort aan geïntimeerde immers om een volledige herberekening te maken, nu ook de boetes, intresten, e.d.m. uitgaan van de heffing, zonder recht op aftrek. Dit bedrag (aan aftrekbare BTW) moet vervolgens geïmputeerd worden op het bedrag aan geheven BTW. Hierbij benadrukt appellante dat het ook tot de rechtsmacht van het Hof behoort om kennis te nemen van betwistingen inzake de precieze afrekening. Deze betwistingen zijn zeer waarschijnlijk, gelet op de herberekening die zich opdringt, nadat het bedrag van de aftrek zal bepaald zijn. Er zijn tevens intresten verschuldigd, o.a. op grond van artikel 1382 B.W. (een onjuiste toepassing van het recht op aftrek houdt een schending in van de wet en bijgevolg ipso facto een onrechtmatige daad), hetzij op grond van het algemeen beginsel dat de tenuitvoerlegging altijd op risico geschiedt van de executant (cfr. artikel 1398 Ger. W., dat naar analogie kan toegepast worden op een dwangbevel dat immers steeds uitvoerbaar is van rechtswege). De (partiële) gegrondheid van het verzet staat dan ook vast. Appellante besluit derhalve tot het akte verlenen dat zij geen afstand doet van haar recht rechtsmiddelen aan te wenden, het gegrond verklaren van het verzet, de vernietiging van het bestreden dwangbevel, het zeggen voor recht dat het recht op aftrek in hoofde van appellante (zijnde het bedrag aan BTW-aftrek, waarop appellante aanspraak kan maken conform het tussenarrest van 10 maart 2009) … EUR bedraagt, tevens het zeggen voor recht dat een bedrag van € … (zijnde het bedrag aan BTW-aftrek, waarop appellante aanspraak kan maken conform het tussenarrest van 10 maart 2009) in mindering kan gebracht worden van voormelde aanslag, c.q. door appellante niet verschuldigd is, voorts het zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot teruggaaf van voornoemd bedrag (dat door appellante onder alle voorbehoud voordien reeds betaald geweest is) meer de wettelijke moratoriuminteresten, minstens het zeggen voor recht dat voornoemd bedrag in mindering moet worden gebracht bij de berekening van het totale bedrag dat appellante verschuldigd is, het verzenden van de zaak naar de rol voor verdere afhandeling, minstens het heropenen van de debatten, teneinde partijen toe te laten te concluderen omtrent het precieze bedrag van de afrekening, na verrekening met de bedragen die in mindering kunnen gebracht worden, ingevolge het bij tussenarrest van 10 maart 2009 erkende recht op aftrek in hoofde van appellante. Appellante begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

2. Beoordeling

2.1. Uit de consideransen van het tussenarrest van 10 maart 2009 volgt dat appellante haar recht op aftrek kan doen gelden over de periode vanaf 12 maart 1997. Hierbij werd tevens aangenomen dat de in het dwangbevel gevorderde bedragen, interesten, boeten en kosten inbegrepen, gegrond zijn en dat het recht op teruggaaf een door de belastingplichtige zelf uit te oefenen recht is.

Gezien de herneming van de zaak ab initio ter terechtzitting van 24 mei 2011, wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel, maakt het Hof, in zijn gewijzigde samenstelling, zich de motieven van het tussenarrest eigen en dienen deze motieven hier, voor zoveel als nodig, als hernomen, ter beantwoording van de conclusies van partijen, te worden beschouwd.

In zoverre het hoger beroep tot vernietiging van het dwangbevel strekt, dient het dan ook te worden afgewezen.

Met betrekking tot het tijdvak van 12 maart 1997 tot 30 september 2000 dient het recht op aftrek in hoofde van appellante te worden bepaald op een bedrag van … EUR, d.i. na aftrek van de bedragen waarvoor reeds verjaring is ingetreden, hetzij voor de bedragen van … EUR, … EUR, … EUR en … EUR.

Op voormeld bedrag kunnen enkel interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW worden toegekend.

2.2. Uit de vorenstaande consideransen volgt dat partijen onderscheidenlijk over enige geschilpunt in het ongelijk worden gesteld, hetzij appellante omtrent de gevorderde vernietiging van het dwangbevel en geïntimeerde omtrent het door appellante gevorderde recht op aftrek.

Naar luid van artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld.

Het komt dan ook gepast voor om de kosten in hoger beroep tussen partijen volledig om te slaan.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak, na herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de zesde kamer,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Het tussenarrest van 10 maart 2009 verder uitwerkend;

Verklaart het hoger beroep ongegrond in zoverre het strekt tot vernietiging van het bij de akte van verzet aangevochten dwangbevel;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis in zoverre het verzet tegen het dwangbevel van 12 november 2001 ontvankelijk doch ongegrond verklaart en appellante tot de kosten van het geding, zoals in het bestreden vonnis begroot, veroordeelt;

Verklaart het hoger beroep gegrond in zoverre het strekt tot het zeggen voor recht dat appellante haar recht op aftrek kan uitoefenen voor de periode van 12 maart tot 30 september 2000;

Doet derhalve het bestreden vonnis teniet in zoverre het de vordering tot uitoefening van het recht op aftrek door appellante als ongegrond afwijst, en opnieuw recht doende binnen deze beperkte perken,

Zegt voor recht dat appellante gerechtigd is haar recht op aftrek uit te oefenen met betrekking tot het tijdvak van 12 maart 1997 tot 30 september 2000, dit ten belope van een bedrag van … EUR als aftrekbare BTW, vermeerderd met de interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW;

Slaat de kosten in hoger beroep tussen partijen om;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en

M. D., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V.L. M. D. S. B. D. W.

Textes cités

3
AR no 3 art. 41 occurrence
AR no 41 art. 11 occurrence
AR no 41 art. 41 occurrence