Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2026.0072 dd. 31.03.2026
TVA · Opter pour l’imposition des opérations de paiement (article 44, § 3, 8° du CTVA) · Base d’imposition (article 26 du CTVA) · Droit à déduction (article 45, § 1er, 1° du CTVA)
Résumé
En application de l'article 44, § 3, 8° du CTVA, l'institution de paiement peut choisir d'imposer les opérations de paiement.
Lorsque l'institution de paiement a opté pour l'assujettissement conformément à la circulaire n° 18 du 26 octobre 1979, elle bénéficie d'un droit à déduction intégral en application de l'article 45, § 1er, 1° du CTVA pour ce qui concerne la TVA perçue sur les biens et services que l'institution de paiement utilise pour les opérations de paiement.
Sur la base de la détermination de la base d'imposition exposée par le demandeur au sens de l'article 26 du CTVA, les opérations de paiement et d'encaissement effectuées constituent une opération à titre onéreux.
Texte de la décision
Cette décision est publiée uniquement dans sa langue originale.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. X zal worden ingeschakeld als “erkende betalingsinstelling” binnen de groep.
2. Dit zal x enerzijds toelaten een betaalrekening aan te bieden aan, en betalingstransacties te verrichten voor, Y en anderzijds om de internationale klanten van Z te ontzorgen.
3. In dit verband werd X op datum van [ ] formeel erkend als betalingsinstelling in de zin van artikel 5, 6° van de Wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen (wet betalingsinstellingen).
4. De bij de Nationale Bank van België bekomen vergunning heeft betrekking op enerzijds de betalingsdienst type 3, nl. de uitvoering van betalingstransacties met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder en anderzijds op de betalingsdienst type 6, nl. geldtransfers.
5. In het bijzonder zal de vergunning van X toelaten om (i) geldtransferdiensten aan te bieden buiten de context van kernactiviteit van X in België, en (ii) geldtransferdiensten aan klanten binnen die kernactiviteit in andere EER-landen (waar er geen gelijkaardig statuut bestaat betreffende de kernactiviteit in België).
6. Het verkrijgen van deze vergunning kadert in de verdere internationale expansie van de Z waarbij de groep tot doel heeft om, in lijn met haar concurrenten, betalingen voor zowel de kernactiviteit als ondersteunende economische activiteiten uit te voeren voor haar klanten.
7. X zal de klantengelden ontvangen van Y overmaken aan bevoegde rechthebbende, waarbij de dienst vanwege X ten aanzien van Y beperkt is tot het aanbieden van een betaalrekening aan Y, waarvan Y de titularis zal zijn, met het oog op het vergemakkelijken van het betalingsverkeer vanwege Y naar de bevoegde rechthebbende.
8. X beheert deze klantengelden tot aan de betaaldag, binnen het reglementaire kader van haar erkenning als betalingsinstelling waarbij het grootste bedrag geplaatst wordt in AAA geldmarktfondsen of via grote financiële instellingen (bv. banken) met een beperkt rendement.
9. Het is voor een betalingsinstelling wettelijk verboden om rente uit te keren zonder banklicentie.
Binnen de grenzen van een “best practice” (ongeschreven toezichtspraktijk van de Nationale Bank van België), zijn eindpartijen vrij te bepalen of, en in welke mate, een deel van het behaalde rendement ook de eindklant toekomt bijvoorbeeld in de vorm van een cashback of een korting op de transactiekosten.
10. Artikel 42, §1, 2° van de wet betalingsinstellingen bepaalt dat één van de volgende vrijwaringsacties moet worden ondernomen met betrekking tot gelden die langer dan één dag op een betaalrekening staan: deponeren op een cliëntenrekening bij een kredietinstelling, belegging in een geldmarktfonds of belegging in veilige, liquide activa met een lage risicograad.
11. Concreet zal X – met ondersteuning van Z - de ontvangen klantengelden van Y “vrijwaren” in overeenstemming met artikelen 42, §1, 2° van de Wet Betalingsinstellingen. Ze zal een “voorzichtig” beleid voeren, rekening houdend met de richtlijnen die de Nationale Bank van België publiceert in dat verband, waarbij het grootste bedrag geplaatst wordt in AAA Geldmarktfondsen of via grote financiële instellingen (bv. banken) met een beperkt rendement. Dit beheer van de gelden vormt daarbij een logisch en wettelijk verplicht verlengstuk van de dienstverlening (het verrichten van betalingen) die de erkende betalingsinstelling verricht.
12. Hoewel geen voorwerp van de aanvraag werd de marktconforme vergoeding voor de betalingsverrichtingen van X bepaald aan de hand van een marktonderzoek naar de prijszetting van SEPA-betalingen bij grote betalingsaanbieders, en wordt thans nader vastgesteld in het kader van de allereerste dienstverleningsvoorstellen die X begint over te maken, ook internationaal aan grote klanten.
II. Vraagstelling
13. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing strekt deze aanvraag ertoe om bevestiging te verkrijgen, in de beschreven omstandigheden, over de optie voor de belastbaarheid van de betalingsverrichtingen, over de vaststelling van de maatstaf van heffing inzake de betalingsverrichtingen, en over het recht op aftrek van de btw over de diensten met betrekking tot de betalingsdiensten die X zal aanbieden als erkende betalingsinstelling.
III. Beslissing
14. De voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van voormelde wet van 24 december 2002 werden nageleefd.
III.A. Keuze voor de belastbaarheid van de betalingsverrichtingen
III.A.1 Juridisch kader
15. Artikel 44, §3, 8° W.BTW bepaalt het hiernavolgende: Van de belasting zijn nog vrijgesteld: […] de betalings- en ontvangstverrichtingen, bemiddeling daaronder begrepen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen; de dienstverrichter kan, onder de voorwaarden gesteld door of vanwege de Minister van Financiën, kiezen voor het belasten ervan.
16. De betalings- en ontvangstverrichtingen waarnaar wordt verwezen in artikel 44, §3, 8° W.BTW betreffen betalings-en ontvangstverrichtingen waarbij (i) iemand zich voor rekening van een ander belast met het doen van een betaling en (ii) iemand een geldsom voor rekening van een ander int.
Het betreft de betalings- en ontvangstverrichtingen die vóór 01.01.1978 binnen de werkingssfeer van de btw vielen, evenwel zonder vrijgesteld te zijn.
17. Wanneer het niet gaat om het innen zonder meer, bv. wanneer dwang moet worden uitgeoefend om betaling te bekomen, gaat het om een invordering van een schuldvordering. Deze dienst wordt door artikel 44, §3, 8° WBTW van de btw-vrijstelling uitgesloten.
18. De principiële vrijstelling van de betalings-en ontvangstverrichtingen, met de keuze voor belastbaarheid is onderworpen aan de voorwaarden gesteld door of vanwege de Minister van Financiën.
De aanschrijving nr. 18 dd. 26 oktober 1979 (“aanschrijving nr. 18”) bepaalt de wijze waarop de keuze moet worden gedaan en de gevolgen ervan.
De keuze voor belastbaarheid is onherroepelijk en ze geldt ten aanzien van alle betalings-en ontvangstverrichtingen die door de belastingplichtige worden gedaan.
III.A.2. Toepassing in casu
19. X verklaart dat zij voor rekening van Y de klantengelden zal overmaken aan de bevoegde bestemmeling binnen de opgelegde betalingstermijnen.
20. Bijgevolg vallen de voornoemde door X uitgeoefende betalingsverrichtingen binnen het toepassingsgebied van artikel 44, §3, 8° WBTW.
21. De aanvrager bevestigt tevens dat zij de voorwaarden uit aanschrijving nr. 18 inzake de belastbaarheid van betalings- en ontvangstverrichtingen nauwgezet zal naleven. Dit houdt in dat zij een schriftelijke verklaring zal opstellen waarin zij bevestigt haar verrichtingen aan btw te onderwerpen, met vermelding van haar naam, adres en btw-nummer. Deze verklaring zal gedateerd en ondertekend worden toegevoegd aan haar btw-aangifte.
22. Bijgevolg beschikt de aanvrager over de keuze om deze betalingsverrichtingen te laten belasten.
III.B. Maatstaf van heffing
III.B.1. Juridisch kader
23. Artikel 2 W.BTW bepaalt dat er sprake is van een in België belaste levering van goederen of diensten indien deze onder bezwarende titel worden verricht.
24. Concreet betekent dit dat er een prijs of een tegenwaarde moet zijn bedongen voor de transactie in kwestie.
25. De dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken kan zich uitspreken over elementen die al dan niet tot de maatstaf van heffing behoren, zonder zich evenwel uit te spreken in concreto. De DVB spreekt zich bijgevolg niet uit over een concreet cijfer als maatstaf van heffing.
26. Een betalingsinstelling is bij wet verplicht om zogenaamde vrijwaringsacties te ondernemen. Die acties leiden tot de realisatie van een rendement.
Artikel 42, §1, 2° van de wet betalingsinstellingen bepaalt dat één van de volgende vrijwaringsacties moet worden ondernomen met betrekking tot gelden van klanten die langer dan één dag op een betaalrekening staan:
- deponeren op een cliëntenrekening bij een kredietinstelling;
- belegging in een geldmarktfonds;
- of een belegging in veilige, liquide activa met een lage risicograad.
27. Die zogenaamde vrijwaringsacties zijn een wettelijke verplichting eigen aan de betalingsinstelling.
Bijgevolg vallen zij buiten de contractuele regelingen met de verschillende gebruikers van de diensten aangeboden door de betalingsinstelling.
28. Bovendien is het voor een betalingsinstelling zonder banklicentie bij wet verboden om rente uit te keren.
29. De door de betalingsinstelling bij wet verplicht gerealiseerde beleggingsrendementen komen bijgevolg uitsluitend toe aan de betalingsinstelling.
30. Indien een betalingsinstelling haar diensten onder bezwarende titel wenst te verrichten, dient zij contractueel te voorzien in een tegenprestatie.
31. In de regel is die tegenprestatie de betaling van een geldsom.
32. Die contractueel afgesproken te betalen geldsom mag in geen geval fluctueren in functie van de door de betalingsinstelling behaalde rendementen met gelden van klanten, overgemaakt door die klanten aan de betalingsinstelling met het oog op het verrichten van betalingen door de betalingsinstelling ten behoeve van de klant.
33. Mocht voornoemde wel het geval zijn, dan handelt een betalingsinstelling zonder banklicentie niet volgens de regels conform de wet op de betaalinstellingen.
Bovendien dreigt de maatstaf van heffing in dat geval als een symbolische vergoeding te worden beschouwd met als gevolg dat de kwalificatie van belaste handeling niet langer aangehouden kan worden.
Voornoemde is het geval indien als gevolg van een door een betalingsinstelling (zonder banklicentie) behaald gunstig beleggingsrendement ertoe zou leiden dat de contractueel te betalen vergoeding tot nul euro zou worden herleid.
34. Omdat de DVB zich niet uitspreekt over een maatstaf van heffing komt het steeds de betalingsinstelling toe om aan te tonen op welke wijze haar diensten onder bezwarende titel worden verricht.
Richtinggevend hierbij kan zijn in welke mate de contractueel bedongen prijs vast is en in welke mate de effectief te betalen prijs voor dezelfde te leveren diensten voor ieder van haar klanten dezelfde is.
Zogenaamde onverklaarbare verschillen kunnen er op duiden dat de betalingsinstelling een deel van het beleggingsrendement (onrechtstreeks) aanwendt om voor een klant een andere (lagere) prijs te hanteren.
III.B.2. Toepassing in casu
35. De aanvrager verklaart dat haar klanten een contractueel vastgestelde vergoeding voor de effectieve dienstverlening verschuldigd zijn.
36. Volgens de aanvrager is een vaste vergoeding per verrichte betalingsverrichting de norm, en de gebruikelijke werkwijze "in de markt" van de dienstprestaties verstrekt door erkende betalingsinstellingen.
37. Ter info deelt de aanvrager mee dat X voor de te verstrekken betalingsdiensten een eigen, marktconforme, contractuele vergoeding op basis van x euro per betalingsverrichting toepast.
Deze prijszetting is volgens de aanvrager conform de ook “in de markt”, in overleg met ervaren partners, toegepaste prijszetting voor betalingen in de SEPA-zone wat betreft “grote klanten”.
38. Eventueel behaalde beleggingsrendementen hebben volgens de aanvrager geen invloed op de contractueel vastgestelde vergoeding.
Dat is dan ook de reden, volgens de aanvrager, waarom in de contractueel bepaalde vergoeding niet wordt verwezen naar eventuele behaalde beleggingsrendementen.
De aanvrager besluit dat dit logisch is, want de omvang van de beleggingsopbrengst (het beleggingsrendement) houdt geen enkel verband met enig aantal dienstverrichtingen en staat dus duidelijk los van de ten gunste van de Y verrichte dienstverlening.
39. Omdat de aanvrager enerzijds stelt dat de te betalen vergoeding marktconform is en bijgevolg aan meerdere klanten dezelfde marktconforme vergoeding zal worden aangerekend voor dezelfde diensten, en anderzijds stelt dat het beleggingsrendement behaald door X als betalingsinstelling geen enkele invloed heeft op de contractueel bedongen prijs, kan op basis van de door de aanvrager aangereikte gegevens worden vastgesteld dat de diensten met betrekking tot de uit te voeren betalingen onder bezwarende titel plaatsvinden.
40. Zoals reeds aangeven doet de DVB geen enkele uitspraak met betrekking tot het meegedeelde bedrag van x euro per betalingsverrichting.
De DVB onderzocht ook niet in welke mate het bedrag van x euro per betalingsverrichting marktconform is en of hetzelfde bedrag aan alle (toekomstige) klanten voor dezelfde soort dienstverlening zal worden aangerekend.
Tot slot onderzocht de DVB ook niet in welke mate het beleggingsrendement effectief geen enkel verband heeft, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks, met de contractueel bedongen prijs voor de dienstverlening van x.
III.C. Recht op aftrek in hoofde van X
III.C.1. Juridisch kader
41. Wanneer een belastingplichtige opteert voor de belastbaarheid van de betalings-en ontvangstverrichtingen in overeenstemming met de aanschrijving nr. 18 (zie hoger), bepaalt deze aanschrijving dat de btw geheven van de goederen en diensten die de belastingplichtige gebruikt voor de betalings-en ontvangstverrichtingen volgens de gewone regelen in aftrek kan worden genomen.
42. De juridische regels inzake aftrek van btw zijn neergelegd in artikel 45, §1, 1° tot 3° W.BTW.
BTW in aftrek nemen, een recht, mag elke belastingplichtige van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor onder meer het verrichten van belaste handelingen.
43. Volgens artikel 2 W.BTW is er sprake van een in België belaste levering van goederen of diensten indien deze onder bezwarende titel worden verricht.
44. Concreet betekent dit dat er een prijs of een tegenwaarde moet zijn bedongen voor de transactie in kwestie (zie onderdeel met betrekking tot de maatstaf van heffing).
III.C.2. Toepassing in concreto
45. Er dient te worden vastgesteld dat x aangeeft te zullen opteren voor de belastbaarheid van de betalings-en ontvangstverrichtingen in overeenstemming met de aanschrijving nr. 18.
46. X is volgens aanschrijving nr. 18 aldus gerechtigd om de btw op de diensten die zij afneemt voor het uitvoeren van deze verrichtingen volledig in aftrek te nemen.
47. X deelt mee dat dit in casu betekent dat de btw geheven op de diensten van Z1 en Z2 volledig aftrekbaar zal zijn in hoofde van X aangezien X beroep doet op zowel Z1 en Z2 teneinde haar betalingsverrichtingen te kunnen uitvoeren.
48. De DVB spreekt zich niet uit over het recht op aftrek in concreto.
Het is immers niet mogelijk voor de DVB om effectief na te gaan of voornoemde inkomende handelingen effectief aangewend zullen worden voor het verrichten van de betalingsverrichtingen.
49. Evenwel kan de DVB vaststellen dat X over een recht op aftrek beschikt als zij handelt volgens de voornoemde aanschrijving nummer 18 én als zij effectief belaste diensten verricht.
50. Voor beide elementen, het verrichten van belaste diensten en over een recht op aftrek beschikken, dient te worden verwezen naar voornoemde rubrieken in voorliggende beslissing, zijnde rubrieken IV A en B.
Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in deel IV beslist het College van de DVB in zitting van 31 maart 2026 dat:
51. In toepassing van artikel 44, §3, 8° WBTW, X kan opteren voor het belasten van de betalingsverrichtingen;
52. Wanneer X de keuze voor belastbaarheid heeft gedaan overeenkomstig de aanschrijving nr. 18 dd. 26 oktober 1979, zij beschikt over een volledig recht op aftrek in toepassing van artikel 45, §1, 1° WBTW voor wat betreft de btw geheven over de goederen en diensten die X gebruikt voor de betalingsverrichtingen;
53. Op basis van de door de aanvrager uiteengezette vaststelling van de maatstaf van heffing in de zin van artikel 26 WBTW de geleverde betalings-en ontvangstverrichtingen een handeling onder bezwarende titel is.
54. De DVB spreekt zich niet uit over het recht op aftrek in concreto.
55. Eveneens spreekt de DVB zich niet uit in concreto over de maatstaf van heffing en de effectief te betalen vergoeding, zijnde het meegedeelde bedrag van x euro per betalingsverrichting.
56. Deze beslissing houdt geen uitspraak in over de toepassing van directe belastingen betreffende de samenwerkingsovereenkomst(en) al dan niet als stille maatschap, noch over de toegepaste verrekenprijsmethodologieën (TP) tussen de betrokken groepsvennootschappen.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.