Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2021.0688 du 24.08.2021
Plan cafétéria · Contributions directes · Fait générateur · Warrants · Options sur actions · Disposition anti-abus
TVA · Fait générateur et moment d’exigibilité · Base d’imposition · Règles de la “valeur normale”
Résumé
Dans le cadre du plan cafétéria géré par le demandeur, les avantages recueillis seront imposés conformément au traitement fiscal de l’avantage concerné prévu par la législation belge.
En vue d’apprécier le caractère imposable ou non de l’avantage recueilli par le bénéficiaire, il convient de se positionner au moment où le bénéficiaire peut disposer de cet avantage, soit au moment de la mise à disposition effective ou du versement d’un avantage.
Si les limites et les modalités reprises dans la décision anticipée en ce qui concerne l’utilisation des warrants et options sont respectées, cela ne donne pas lieu à l'émergence d’un usage abusif de plans en matière de warrants et d’options sur lesquels l'octroi est basé, dans le cadre du plan « cafétéria » géré par le demandeur.
La mise en place du plan « cafétéria » basée sur les principes décrits dans la demande est justifiée par d’autres motifs que des motifs fiscaux au sens de l’article 344, §1er, CIR 92.
Lorsque les points sont transformés en avantage (biens et/ou services) tombant dans le domaine d’application de la TVA, le fait générateur de l’impôt a lieu au moment de la transformation lorsque tous les éléments de l’avantage choisi sont connus (c’est-à-dire le prix, le taux, etc.), ce qui sera en l’espèce le cas lorsque les biens et/ou les services seront mis effectivement à la disposition du travailleur, et la TVA deviendra exigible au moment de la mise à disposition effective de l’avantage.
Lors de la fixation de la base d'imposition entre le travailleur et l’employeur, il faudra tenir compte de la « valeur normale » des biens ou services fournis, comme le détermine le Code de la TVA.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Deze aanvraag strekt ertoe om, met betrekking tot het verloningsplan en de punten in dit plan dat aanvragers voor hun werknemers zullen implementeren, een bevestiging te verkrijgen dat:
Wat de directe belastingen betreft:
1.1. voor de beoordeling van het al dan niet belastbaar karakter van het door de werknemer verkregen voordeel, men zich dient te plaatsen op het moment dat de werknemer effectief over het voordeel kan beschikken;
1.2. de middels de omzetting van de punten verkregen voordelen zullen worden belast overeenkomstig de fiscale behandeling van het betreffende voordeel voorzien in de Belgische fiscale wetgeving, te weten:
1.2.1. de omzetting naar cash als premie wordt aangemerkt als een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, 1° WIB 92;
1.2.2. het jaarlijks belastbaar voordeel voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC of laptop, randapparatuur inbegrepen, wordt forfaitair vastgesteld op 72 EUR per jaar, van een kosteloos ter beschikking gestelde smartphone en/of tablet op 36 EUR per jaar per toestel, van een kosteloos ter beschikking gesteld mobiel telefoonabonnement op 48 EUR per jaar en van een kosteloos ter beschikking gesteld internetabonnement op 60 EUR per jaar (ongeacht of het een vaste aansluiting is of een mobiele en ongeacht het aantal vaste of mobiele verbindingen) (art. 36, §1, tweede lid WIB 92 juncto art. 18 KB/WIB 92);
1.2.3. de omzetting naar warrants vormt een belastbaar voordeel van alle aard op het ogenblik van de toekenning ervan (artikel 42, §1 Stockoptiewet);
1.2.4. de omzetting naar extralegale vakantiedagen wordt behandeld als de toekenning van een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1°, WIB 92;
1.2.5. het belastbaar voordeel voor het persoonlijk gebruik bij de omzetting naar een bedrijfswagen forfaitair wordt vastgesteld op basis van artikel 36, §2 WIB 92;
1.2.6. de omzetting naar aanvulling op de hospitalisatieverzekering vormt een niet-belastbaar sociaal voordeel in de zin van artikel 38, §1, 1e lid, 11° of 20° WIB 92;
1.3. de vennootschap de gerelateerde kosten in aftrek kan nemen overeenkomstig de regels van toepassing op elk specifiek voordeel, op het moment dat de met het voordeel overeenstemmende kost zeker en vaststaand wordt in hoofde van de vennootschap en aldus ook een definitief karakter krijgt;
1.4. de vennootschap haar fiscale verplichtingen inzake rapportering van inkomsten correct naleeft door het rapporteren van voormelde belastbare voordelen in de loonfiches 281.10 en dit voor het kalenderjaar waarin de werknemer het voordeel verkrijgt;
1.5. indien de hierna vermelde grenzen en modaliteiten rond het gebruik van warrants of opties worden nageleefd, er geen sprake is van een oneigenlijk gebruik van warrantsplannen waarop de toekenning is gebaseerd;
1.6. de implementatie van een nieuw verloningsbeleid met inbegrip van het plan gebaseerd op de in deze aanvraag beschreven principes geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, §1 WIB 92.
Wat de btw betreft:
1.7. de funding of toekenning van de punten buiten het toepassingsgebied van de BTW valt;
1.8. de spending of omzetting van de punten als een levering/dienst onder bezwarende titel wordt beschouwd in zoverre het gekozen voordeel binnen de werkingssfeer van de BTW valt;
1.9. in het geval de omzetting van de punten naar het gekozen voordeel als een levering/dienst onder bezwarende titel dient beschouwd te worden, de BTW opeisbaar wordt op het moment van de effectieve terbeschikkingstelling van het voordeel en dat de regels van de ‘normale waarde’ hierop van toepassing zijn;
1.10. de vennootschappen zullen, in zover de gekozen goederen/diensten geacht worden onder bezwarende titel te zijn verleend aan haar werknemers, hun recht op aftrek kunnen uitoefenen overeenkomstig de principes van artikel 45 van het Btw-Wetboek (hierna W.BTW) (1)
[(1) Er wordt uiteraard ook rekening gehouden met de bepalingen van Circulaire 36/2015 (E.T.119.650) van 23 november 2015 betreffende het recht op aftrek van gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen en andere goederen en diensten, en herzieningen en andere regularisaties met betrekking tot de aftrek van voorbelasting.]
II. Beslissing
2. De aanvragers wensen een cafetariaplan of flexibel verloningsplan in te voeren waarbij de werknemers de mogelijkheid krijgen om, binnen bepaalde grenzen, zelf hun loonpakket samen te stellen.
3. De aanvragers bevestigen dat het cafetariaplan wordt ingevoerd binnen het voorziene wettelijke kader en conform de hiërarchie van de rechtsnormen, waarbij zowel de loonbeschermingswet als de baremieke lonen en alle cao’s strikt worden gerespecteerd.
4. Het cafetariaplan gaat uit van een juridische omzetting van bepaalde actuele bezoldigingscomponenten naar een budget opgebouwd uit punten en bestaat uit twee luiken, meer bepaald de ‘funding’ en de ‘spending’.
5. De huidige bezoldigingscomponenten die het budget (punten genaamd in het voorgelegde plan) zullen opbouwen en het voorwerp van deze beslissing uitmaken zijn de volgende:
o vaste verloning
o variabele verloning
6. Vanaf de inschrijving van de punten op de puntenrekening zullen de werknemers een keuze kunnen maken over hoe zij de punten willen besteden aan alternatieve looncomponenten (‘allocatie’ genaamd in het voorgelegde plan), waarna de eigenlijke toekenning van de gekozen voordelen zal plaatsvinden binnen bepaalde termijnen (de ‘omzetting’).
INZAKE DIRECTE BELASTINGEN
II.A. Belastbaar moment en fiscale behandeling van de voordelen
II.A.1. Belastbaar moment
7. Overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 2°, WIB 92 zijn bezoldigingen van werknemers alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever inzonderheid voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.
8. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 360 WIB 92 wordt de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen.
9. Tot het belastbare tijdperk behoren de beroepsinkomsten, bestaande uit o.m. tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen (artikel 204, 3°, b), KB/WIB 92).
10. Nr. 360/66 van de administratieve commentaar op het WIB 92 (hierna Com.IB 92) bepaalt het volgende: ‘De bezoldigingen van werknemers, van bestuurders en van werkende vennoten en de pensioenen, renten of toelagen moeten voor hun geheel worden aangerekend voor het jaar of het gedeelte van het jaar in de loop waarvan zij werden ‘betaald of toegekend’ (artikel 204, 3°, b) en c), KB/WIB 92).
11. Deze bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen worden, ten name van de verkrijgers, aan de PB of aan de BNI onderworpen:
11.1. voor het aanslagjaar dat het jaartal draagt van het jaar volgend op dat van de betaling of toekenning, indien de gronden voor belastbaarheid aanwezig waren op 31 december van het jaar van de betaling of van de toekenning;
11.2. voor het aanslagjaar dat het jaartal draagt van het jaar van de betaling of van de toekenning, indien de gronden voor belastbaarheid zijn weggevallen vóór 31 december van dat jaar’.
12. Nr. 360/67 Com.IB 92 bepaalt vervolgens: ‘De toekenning en de betaling van de bezoldigingen, enz., vallen dikwijls samen. Opdat er toekenning is, in de fiscale betekenis van het woord, is het noodzakelijk dat de verkrijger werkelijk over de inkomsten kan beschikken; m.a.w., de inkomsten moeten onmiddellijk kunnen worden geïncasseerd (zie commentaar op artikel 273 WIB 92).’
13. Uit de aanvraag blijkt dat:
13.1. het cafetariaplan wordt ingevoerd middels een CAO;
13.2. de personeelsleden een keuze moeten maken binnen het cafetariaplan alvorens men een recht op enige vergoeding of voordeel kan laten gelden;
13.3. de punten die worden ingeschreven op de punten kunnen gebruikt worden voor de zogenaamde ‘spending’ procedure, hetgeen de keuze voor een specifiek voordeel en de omzetting in het gekozen voordeel inhoudt;
13.4. de punten louter een niet-gewaarborgde en voorwaardelijke belofte vertegenwoordigen om een toekomstig voordeel te kunnen verkrijgen;
13.5. zolang de begunstigde geen allocatie van zijn punten doet en zijn punten derhalve niet omzet, de werkelijke waarde van het voordeel niet gekend is;
13.6. de punten de begunstigde in staat stelt om een bepaald voordeel (in natura of speciën) te verkrijgen naar keuze uit een lijst van welomschreven voordelen, tegen afstand van een bepaald aantal punten. Het benodigde aantal zal echter afhangen van de door de aanvrager bepaalde omzettingskoers die voor elk voordeel verschilt en kan eveneens fluctueren in de tijd;
13.7. zolang de finale omzetting niet heeft plaatsgevonden de inschrijvingen op de puntenrekening niet inruilbaar zijn, noch overdraagbaar aan derden;
13.8. de puntenrekening kan niet door de begunstigde gebruikt worden om mogelijke uitstaande debets of credits met de aanvrager die vallen buiten de werkingssfeer van het cafetariaplan te compenseren;
13.9. de inschrijvingen op de puntenrekening geen bijkomende inkomsten genereren onder de vorm van interesten of dividenden;
13.10. de punten worden toegekend onder voorwaarde van tewerkstelling tot op het moment van de omzetting, bepaalde omstandigheden uitgezonderd.
14. Gelet op wat voorafgaat en het gevoerde onderzoek terzake, is de DVB van oordeel dat in het onderhavig geval de begunstigde werknemers van het cafetariaplan pas reëel en effectief over inkomsten kunnen beschikken na het moment van omzetting van de punten. Het is slechts na de omzetting van de punten, in casu op het moment van de effectieve terbeschikkingstelling of uitbetaling van het gekozen voordeel, dat de betrokkene werkelijk over inkomsten kan beschikken, waardoor slechts op dat moment belastbaarheid in hoofde van de begunstigde werknemer ontstaat.
15. Wat betreft de eventuele deelname aan een optie- of warrantenplan binnen het cafetariaplan, zal het belastbaar moment desgevallend - indien van toepassing - overeenkomstig de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de artikelen 403 tot 407 van de wet van 24 december 2002, plaatsvinden op de 60ste dag volgend op de datum van aanbod van de aandelenopties mits de begunstigden de aangeboden opties binnen 60 dagen schriftelijk aanvaarden.
II.A.2. Fiscale behandeling van de voordelen
16. Gelet op wat voorafgaat, zullen de verschillende voordelen voorzien binnen het betrokken cafetariaplan (gebruik ICT-toestellen, warranten en aandelenopties, extralegale vakantiedagen, terbeschikkingstelling van bedrijfswagen, terbeschikkingstelling van bedrijfsfiets, treinabonnement, hospitalisatieverzekering, pensioensparen, training en eenmalige of maandelijkse cashpremie) hun eigen fiscale behandeling en waardering ondergaan, op basis van de normale fiscale bepalingen terzake, waarvan de voornaamste hierna worden vermeld.
A. Terbeschikkingstelling van ICT-materiaal
17. Het belastbare voordeel wegens het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC, tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement dient te worden vastgesteld op basis van het nieuwe artikel 18, § 3, 10 KB/WIB 92 (ingevoerd per koninklijk besluit van 2 november 2017), van toepassing op de voordelen waarover een belastingplichtige vanaf 1 januari 2018 beschikt. Er wordt tevens verwezen naar de administratieve standpunten bepaald in de circulaire 2017/C/82 d.d.13 december 2017.
18. De in de aanvraag vermelde randaccessoires zoals een scherm, docking station,… voor uitsluitend gebruik bij de gekozen PC of laptop, kunnen tot de randapparatuur van deze PC of laptop worden gerekend. Randaccessoires voor de smartphone en tablet (bv. beschermhoes, pennetje, extra oplaadkabel, …), met een beperkte waarde ten opzichte van het toestel, kunnen eveneens worden geacht te zijn begrepen in de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard van artikel 18, § 3, 10 KB/WIB 92.
19. De kosten verbonden aan de terbeschikkingstelling van ICT, zoals omschreven in de aanvraag, vormen aftrekbare beroepskosten in hoofde van de vennootschap overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, artikel 52, 3° en artikel 57 WIB 92.
20. Bij het einde van de terbeschikkingstelling van het ICT-materiaal dient rekening te worden gehouden met de mogelijke belastbaarheid van een voordeel van alle aard ten belope van de werkelijke restwaarde van het toestel overeenkomstig de toepassing van de artikelen 31, tweede lid, 2° en artikel 36, § 1 WIB 92, in zoverre het einde van de terbeschikkingstelling gepaard gaat met de eigendomsoverdracht van het ICT-materiaal naar het privé-vermogen van de begunstigde werknemer.
21. Uit de aanvraag blijkt dat na afloop van het leasecontract of de termijn van terbeschikkingstelling van het door de werkgever aangekochte ICT-materiaal, kan de werknemer kiezen voor de overdraht van de eigendom van het ICT-materiaal. De eigendomsoverdracht geschiedt mits betaling ban een aangepaste vergoeding gelijk aan de marktwaarde. Er wordt evenwel geen uitspraak gedaan over de restwaarde van het ICT-materiaal op het einde van de terbeschikkingstelling/afloop leasecontract.
B. Warranten en aandelenopties
22. De DVB verwijst naar de bepalingen inzake aandelenopties vermeld in de artikelen 41 tot 47 van de wet van 16 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in zover dat de toegekende aandelenopties binnen het toepassingsgebied van deze artikels zullen vallen, evenals naar de begrenzingen inzake oneigenlijk gebruik zoals vermeld onder randnummers 41 tot en met 45 van deze beslissing.
C. Extralegale vakantiedagen
23. Het loon dat wordt doorbetaald tijdens een extralegale vakantiedag vormt een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1°, WIB 92, en betreft een aftrekbare beroepskost in die zin overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49, 52, 3° en 57 WIB 92.
D. Terbeschikkingstelling van bedrijfswagen
24. Het belastbare voordeel voor het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen wordt forfaitair vastgesteld op basis van artikel 36, § 2, WIB 92. In dit voordeel is het voordeel van de door de werkgever verstrekte tankkaart inbegrepen, wanneer een werkgever zowel een bedrijfswagen als een tankkaart ter beschikking stelt.
25. Wat betreft de aftrek van kosten voor de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen (met tankkaart) dient men in het algemeen rekening te houden met de bepalingen van artikel 66, 198, § 1, 9°, a) en 9°bis, a) en 198bis WIB 92.
E. Terbeschikkingstelling van bedrijfsfiets
26. Op basis van artikel 38, § 1, 14°, b), WIB 92 wordt het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling door de werkgever van een rijwiel of speed pedelec en de toebehoren, met inbegrip van onderhouds- en stallingskosten vrijgesteld, op voorwaarde dat deze gebruikt wordt voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.
27. De vrijstelling heeft betrekking op het volledige voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een rijwiel of speed pedelec die daadwerkelijk voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Indien deze gebruikt wordt voor de woon-werkverplaatsing, dan is ook het zuivere privé-gebruik ervan (tijdens weekend, vakantie, …) vrijgesteld van belasting.
28. Overeenkomstig artikel 64ter, 3°, a) WIB 92 zijn de kosten die specifiek zijn gedaan of gedragen door de werkgever om het gebruik van de fiets door de personeelsleden voor hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling aan te moedigen ten belope van 120 % aftrekbaar, in zoverre het kosten betreft die zijn gedaan of gedragen om rijwielen of speed pedelecs en hun toebehoren te verwerven, te onderhouden en te herstellen die ter beschikking gesteld worden van personeelsleden. Met ingang vanaf het aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020) zal artikel 64ter WIB 92 echter niet meer van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting. (2) Deze kosten met betrekking tot het gebruik van de fiets zullen dus slechts aftrekbaar zijn aan 100% in hoofde van de aanvrager.
[(2) Ingevolge de wet van 30.07.2018 houdende diverse bepalingen inzake inkomstenbelastingen (B.S. 10.08.2018)]
29. In casu kan de werknemer na afloop van het leasecontract of na afloop van de termijn van terbeschikkingstelling van de door de werkgever aangekochte fiets kiezen voor de overdracht van de eigendom van de fiets. De eigendomsoverdracht geschiedt mits betaling van een aangepaste vergoeding gelijk aan de resterende marktwaarde op dat ogenblik. Er wordt evenwel geen uitspraak gedaan over de restwaarde van de fietsen op het einde van de terbeschikkingstelling/afloop leasecontract.
F. Werkgeverstussenkomst in een abonnement openbaar vervoer voor woon-werkverkeer
30. Artikel 38, §1, 9°, a) WIB 92 bepaalt dat voor de werknemer wiens beroepskosten forfaitair worden bepaald, de vergoedingen die de werkgever toekent als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor het volledige bedrag worden vrijgesteld indien de werknemer die verplaatsing maakt met het openbaar vervoer. In zoverre de werknemer zich dus met het openbaar vervoer naar het werk verplaatst en zijn beroepskosten forfaitair worden bepaald, is de werkgeverstussenkomst in de kosten voor het openbaar vervoer vrijgesteld.
31. Wanneer het gaat om de woon-werkverplaatsing is de kost van het abonnement eveneens voor 100% aftrekbaar in hoofde van de werkgever. De werkgever moet het bedrag wel vermelden in rubriek “Bijdragen in de reiskosten”, rubriek “Openbaar gemeenschappelijk vervoer” van de individuele fiche 281.10 van de werknemer.
G. Hospitalisatieverzekering
32. Tegen omzetting van een bepaald aantal punten zal de werkgever de premies voor de hospitalisatieverzekering ten laste nemen. Het gaat hierbij om collectieve of individuele hospitalisatieverzekeringen, afgesloten door de aanvrager bij een verzekeraar ten behoeve van zijn personeel.
33. De DVB verwijst voor de fiscale behandeling van de premies en uitkeringen van de collectieve verzekeringen tevens naar de administratieve richtlijnen dienaangaande, zoals weergegeven in de circulaires nr. Ci.RH.332/577.284 (AOIF 14/2006) d.d. 14.04.2006 en Ci.RH.332/583.327 (AOIF nr. 42/2010) d.d. 20.05.2010 (inzonderheid randnummers 12 tot 25).
H. Terugbetaling van individueel pensioensparen (derde pijler)
34. De terugbetaling van de premies door de werkgever in de kost van een door de werknemer individueel gesloten verzekeringscontract, ter aanvulling van rustpensioen en/of vroegtijdig overlijden, is belastbaar als voordeel alle aard voor de werknemer (zie Parl. Voorb. DOC 1340/007, p.17 en Verslag Comm. Fin. DOC 1340/009, p. 75).
35. In hoofde van de aanvrager vormt deze terugbetaling een aftrekbare beroepskost als bezoldiging overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, 52, 3° en 57 WIB 92.
I. Training
36. Opleidingen die rechtstreeks verband houden met de concrete professionele activiteit van de betrokkene zijn in hoofde van de medewerker niet belastbaar, en vormen in hoofde van de werkgever een aftrekbare beroepskost (kosten eigen aan de werkgever).
37. Opleidingen die weliswaar in het kader van de tewerkstelling worden aangeboden, maar geen direct verband houden met de concrete professionele activiteit van de betrokkene, zijn niet aftrekbaar als beroepskost voor de werkgever, maar zijn wel vrijgesteld van belastingen in hoofde van de medewerker als sociaal voordeel, mits aan alle voorwaarden ter zake is voldaan. Zij zijn derhalve niet als beroepskosten aftrekbaar in hoofde van de aanvrager ingevolge artikel 53, 14°, WIB 92.
J. Eénmalige of maandelijkse cashpremie
38. Indien een werknemer ervoor kiest om (een deel van) het budget te laten uitbetalen in speciën, zal dit kwalificeren als een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1°, WIB 92 en vormt het een aftrekbare beroepskost in die zin overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49, 52, 3° en 57 WIB 92.
II.B. Aftrekbaarheid van de kosten in hoofde van de werkgever
39. De aanvrager kan de kosten gerelateerd aan de voordelen in aftrek nemen overeenkomstig de normale regels en eventuele aftrekbeperkingen van toepassing op elk specifiek voordeel (ingevolge de bepalingen van artikel 49 en volgende WIB 92), op het moment dat de met het voordeel overeenstemmende kost zeker en vaststaand wordt. De voornaamste bepalingen werden onder punt II.A.2. vermeld.
II.C. Rapporteringsverplichting overeenkomstig artikel 57 WIB 92
40. Gelet op wat voorafgaat zal de aanvrager de verplichtingen inzake rapportering van inkomsten op basis van artikel 57 WIB 92 correct naleven door het rapporteren van voormelde belastbare voordelen in individuele fiches met betrekking tot de respectievelijke jaren waarin de begunstigde de omzetting van de punten doet en de voordelen aldus worden toegekend.
II.D. Afwezigheid oneigenlijk gebruik van optie- en warrantenplannen
41. In de voorafgaande beslissingen inzake optie- en warrantenplannen wordt onder andere voorzien dat de toekenning van warranten/opties niet disproportioneel (wat het bedrag en de frequentie betreft) mag zijn ten opzichte van de bezoldiging die normaal wordt toegekend.
42. In zijn geheel, mag de omzetting van punten in warranten op jaarbasis niet meer dan 20 % van het totale verloningspakket uitmaken, opdat de omzetting geen aanleiding geeft tot het ontstaan van een oneigenlijk gebruik in de zin van de bepalingen van de voorafgaande beslissingen met betrekking tot de warrantenplannen waarop de toekenning is gebaseerd. Het totale verloningspakket op jaarbasis wordt als volgt gedefinieerd:
42.1. Het bruto (3) maandloon (maximum 4.700 EUR te indexeren) x 12,92 uitbetalingen (= inclusief vakantiegeld);
[(3) Zijnde het loon vóór aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen in hoofde van de werknemer, exclusief werkgeversbijdragen.]
42.2. Recurrente punten uitgedrukt in EUR met inbegrip van punten uit omzetting van de eindejaarspremie die op maandelijkse basis wordt toegekend;
42.3. De bruto (4) variabele verloning.
[(4) Idem als in voetnoot 3]
43. De volgende omzetting van het in punten uitgedrukte budget in aandelenopties of warranten geeft aldus geen aanleiding tot het ontstaan van een oneigenlijk gebruik van de optie- of warrantenplannen waarop deze toekenning is gebaseerd:
43.1. 20% van het grensbedrag van EUR 4.700 aan bruto maandloon (bedrag te indexeren (5)) x 12,92 (6);
[(5) Bedrag jaarlijks te indexeren en te onderwerpen aan de koopkrachtverhoging overeenkomstig interprofessioneel akkoord.]
[(6) Werknemers van de vennootschappen wiens maandelijks brutoloon lager is dan EUR 4.700 (bedrag, te indexeren vanaf 1 januari 2018) kunnen geen recurrente punten omzetten in warrants / opties.]
43.2. aangevuld met punten ter vervanging van de 13e maand zonder beperking;
43.3. aangevuld met het variabel loon: tot een grens van 50%;
43.4. met in zijn geheel een beperking tot 20% op het totale verloningspakket (zoals hierboven gedefinieerd), als absoluut maximum en waarbij het variabel loon niet mag worden omgezet naar recurrente punten.
44. De reële/economische waarde van de opties of warranten of de waarde van het voordeel van alle aard (VAA) (7) dat resulteert uit de toekenning van de opties of warranten moet in aanmerking worden genomen om te bepalen of de grens van 20 % is nageleefd) (8) (9).
[(7) Vóór aftrek van een eventuele eigen bijdrage door de begunstigde.]
[(8) De keuze dient onherroepelijk door de vennootschap-werkgever te worden toegepast voor het geheel van de aan de begunstigden aangeboden plannen.]
[(9) Indien de vennootschap-werkgever ervoor opteert om de waarde van het VAA, dat resulteert uit de toekenning van de opties/warranten, te weerhouden voor de berekeningsbasis van de grenswaarde, dan zal de vaste of variabele brutobezoldiging toegekend onder de vorm van opties/warranten eveneens in rekening worden genomen voor de berekening van de grenswaarde en dit voor de waarde van het VAA dat die toekenning van opties/warranten vertegenwoordigt.]
45. De DVB is van oordeel dat de bovenstaande omzetting van punten in warranten of opties, binnen de grenzen voorzien in randnummers 42 en 43, niet disproportioneel is in de zin van de bepalingen van de voorafgaande beslissingen met betrekking tot de optie- en warrantenplannen en zodoende geen aanleiding geeft tot het ontstaan van een oneigenlijk gebruik van de optie- of warrantenplannen waarop de toekenning is gebaseerd.
II.E. Artikel 344, § 1, WIB 92
46. De invoering van het cafetariaplan is ingegeven door verscheidene doelstellingen, zoals onder andere:
• het inspelen op de behoefte van de werknemers om steeds meer zelf een keuze te maken op basis van hun privésituatie en hun persoonlijke behoeften, waardoor de noodzaak bestaat om het huidige verloningspakket te flexibiliseren en te personaliseren;
• de verdere uitbouw van een motiverende verloningspolitiek die sterke prestaties ondersteunt.
• de implementatie van een performant retentiebeleid door het loonbeleid te moderniseren, waarbij de Vennootschappen als werkgever competitief wil blijven op de arbeidsmarkt en goede werknemers in dienst wenst te houden;
47. Op basis van het voormelde, is de voorgelegde verrichting verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92.
INZAKE BTW
II.F. De ‘funding’ of toekenning van punten
48. De ‘funding’ van punten door de werkgever op een puntenrekening valt buiten de werkingssfeer van de btw aangezien op het moment van de ‘funding’ het te verkrijgen voordeel, zijnde de werkelijke tegenprestatie of het belastbaar feit, nog niet gekend is. Op het moment van de ‘funding’ zijn er geen of nauwelijks relevante elementen bekend omtrent het te verkrijgen voordeel, noch bij de werknemer, noch bij de werkgever. Het is daarom ook nog niet mogelijk om de (eventuele) btw-gevolgen te bepalen op het moment van de ‘funding’ van punten.
49. Zoals hiervoor beschreven, kunnen de punten later, op het moment van ‘spending’, mogelijk ingeruild worden tegen extra vakantiedagen, cash of andere voordelen in natura. In bepaalde omstandigheden, namelijk eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst, zullen de punten zelfs verloren gaan. Daarnaast is de eenheidswaarde van een punten op het moment van ‘funding’ nog onbekend. Deze zal pas later vastgesteld kunnen worden in functie van het gekozen voordeel, maar ook in functie van andere factoren zoals het moment waarop het voordeel wordt aangevraagd.
50. Bijgevolg valt de ‘funding’ van punten buiten de werkingssfeer van de btw. Dit is in overeenstemming met de principes van artikel 2 W.BTW, de gevestigde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer H.v.J. 16.12.2010, C-270/09, Mc Donald Resorts, http://curia.europa.eu) en met circulaire 2018/C/127 van 07.12.2018 betreffende de btw-behandeling van vouchers die vanaf 01.01.2019 van toepassing zullen zijn.
II.G. De ‘spending’ of omzetting van punten
51. Wanneer de punten worden omgezet in voordelen (goederen en/of diensten) die binnen de werkingssfeer van de btw vallen, zullen zij onderworpen zijn aan de btw-regeling die geldt voor elk van deze voordelen.
52. Het belastbaar feit zal plaatsvinden op het ogenblik van omzetting wanneer alle elementen van het gekozen voordeel bekend zijn (i.e. prijs, tarief, e.a.), dit zal met name het geval zijn wanneer de goederen en/of diensten effectief ter beschikking worden gesteld van de werknemer.
53. Bij de bepaling van de maatstaf van heffing tussen werkgever en werknemer zal weliswaar wel rekening moeten worden gehouden met de ‘normale waarde’ van de verstrekte goederen of diensten overeenkomstig artikel 33, § 2, W.BTW en zoals verder verduidelijkt in punt 3.4 van Circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015.
54. De werkgever zal de btw voldoen overeenkomstig de btw-regeling die van toepassing is op het gekozen voordeel.
II.G.1. Tijdstip van opeisbaarheid
55. Overeenkomstig de artikelen 16 en 22 W.BTW wordt de btw opeisbaar op het moment van het belastbaar feit. In de regel zal het belastbaar feit plaatsvinden op het moment van omzetting van de punten, met name wanneer alle elementen van het gekozen voordeel bekend zijn.
56. Voor de levering van goederen is dat in de regel het moment waarop het goed ter beschikking wordt gesteld van de verkrijger (artikel 16, § 1, W.BTW) en bij diensten op het tijdstip waarop de dienst is verricht (artikel 22, § 1, W.BTW).
57. In afwijking op deze regel wordt de btw opeisbaar bij uitreiking van de factuur, ongeacht of de uitreiking plaatsvindt vóór of na het belastbare feit (artikel 17, § 1, W.BTW en artikel 22bis, § 1, W.BTW).
58. Voor handelingen met particulieren, en werknemers worden in casu als particulieren beschouwd, voorziet het Btw-Wetboek erin dat voor de leveringen van goederen en diensten waarvoor geen facturatieplicht geldt, de btw pas opeisbaar wordt op het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling (of een deel ervan) ontvangen wordt (artikel 17, § 3, W.BTW en artikel 22bis, § 3, W.BTW).
59. De afhouding van de punten van de rekening van de begunstigde werknemer wordt aldus als ‘betaling’ beschouwd en dus als tijdstip waarop de btw opeisbaar wordt. Dit is in de regel het moment van de effectieve terbeschikkingstelling van het voordeel.
II.G.2. Maatstaf van heffing
60. Op grond van artikel 26 W.BTW wordt voor de leveringen van goederen en de diensten de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
61. In afwijking van artikel 26 W.BTW, is de maatstaf van heffing voor de levering van goederen of de diensten de normale waarde zoals die overeenkomstig artikel 32 W.BTW is bepaald indien:
1. de tegenprestatie lager is dan de normale waarde;
2. de afnemer van de levering van goederen of de dienst geen volledig recht op aftrek heeft van de verschuldigde belasting;
3. de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen of de dienstverrichter ingevolge een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad of als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad.
62. Als normale waarde in de zin van artikel 32 W.BTW wordt beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen.
63. In afwijking daarvan, en bij ontstentenis van een vergelijkbare verrichting, mag de normale waarde van een levering niet lager zijn dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht, en, met betrekking tot een dienst, een waarde die niet lager is dan de voor het verrichten van die dienst gemaakte uitgaven.
64. Als deze maatstaf van heffing echter niet overeenstemt met de normale waarde, wordt deze maatstaf van heffing dan verhoogd tot deze normale waarde, ervan uitgaande dat, rekening houdend met de goederen en de diensten die kunnen verkregen worden via het cafetariaplan, het over het algemeen mogelijk zal zijn het bedrag te bepalen dat de werknemer bij eerlijke concurrentie in de fase van het finaal verbruik had moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter. Dit bedrag zal niet noodzakelijk overeenstemmen met het bedrag dat werd voldaan door de werkgever om de betreffende goederen of diensten te verkrijgen.
65. Bij de bepaling van de maatstaf van heffing tussen werkgever en werknemer zal weliswaar wel rekening moeten worden gehouden met de ‘normale waarde’ van de verstrekte goederen of diensten overeenkomstig artikel 33, § 2, W.BTW en zoals verder verduidelijkt in punt 3.4 van Circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015.
II.H. Recht op aftrek van voorbelasting in hoofde van de werkgever
66. De werkgever zal zijn recht op aftrek op de facturen van derden-leveranciers uitoefenen overeenkomstig de algemene regels van het recht op aftrek van artikel 45, § 1, W.BTW. In zoverre het de aanrekening betreft van voordelen die eerder door de externe dienstverlener werden aangekocht bij deze derden-leveranciers en deze voordelen binnen de werkingssfeer van de btw vallen, zal zij, tenzij voor het gekozen voordeel specifieke aftrekbeperkingen gelden (bijvoorbeeld artikel 45, § 2, W.BTW), een volledig recht op aftrek van voorbelasting kunnen uitoefenen in de mate dat deze voordelen geacht worden om onder bezwarende titel ter beschikking gesteld te worden aan de werknemers.
67. Indien de werkgever een beperkt recht op aftrek zou hebben omwille van haar gemengde activiteiten, dan zal zij bij de uitoefening van haar recht op aftrek rekening moeten houden met de principes van artikel 46, § 1 en § 2, W.BTW.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.