Parking, Déduction, Précompte mobilier · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2017.468 19 septembre 2017

Rechercher
Texte en néerlandais

Parking, Déduction, Précompte mobilierTva - Parking - Déduction - Précompte mobilier

https://juriel.be/fr/rulings/2017-468-parking-deduction-precompte-mobilier-droit-4f21

Numéro
2017.468
Date
19 septembre 2017

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

25 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2017.468 dd. 19.09.2017

TVA · Parking · Déduction · Précompte mobilier

Résumé

Conformément à l’article 44, § 3, 2°, a), premier tiret du Code de la TVA, la relation contractuelle envisagée entre la ville X et Y est qualifiée, dans le chef de la ville X, de location immobilière soumise à la TVA avec droit à déduction sur la base de l’article 45 du Code de la TVA, et ce, pour la TVA grevant les frais (d’investissement) des places de parking faisant l’objet du présent contrat de location.

L’indemnité versée par Y à la ville X (tant l’indemnité forfaitaire annuelle que l’indemnité locative variable) n’est pas qualifiée, dans le chef de la ville X, d’indemnité pour la concession d’un droit de nature incorporelle au sens de l’article 17, § 1er, 3° du CIR 92, ni de revenus divers au sens de l’article 90 du CIR 92, mais est à considérer comme un revenu immobilier. L’indemnité relative à la publicité dans le bien immobilier n’est pas qualifiée, dans le chef de la ville X, de revenus divers tels que visés à l’article 90, 5° du CIR 92. Par conséquent, la ville X n’est pas redevable du précompte mobilier et Y n’a pas davantage l’obligation de retenir un précompte mobilier.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

Uit het door de DVB gedane onderzoek blijkt het volgende:

1. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 en 22 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

2. Het dossier behelst de bouw van een nieuwe ondergrondse parkeergarage door de stad X. Zij doet voor de bouw een beroep op een ontwikkelaar. De stad X zal de ondergrondse parking vervolgens ter beschikking stellen van een gespecialiseerd parkeerbedrijf, Y, die de parking op haar beurt als publieke parking zal uitbaten. Met betrekking tot de terbeschikkingstelling en de uitbating van de parking zullen de stad X en Y een kaderovereenkomst sluiten.

BTW

3. Inzake btw wil de stad X bevestigd zien dat de relatie tussen de stad X en Y kan worden gekwalificeerd als een btw-belaste onroerende verhuur met een overeenkomstig recht op aftrek in hoofde van de stad X.

4. De door de aanvrager voorgelegde ontwerpovereenkomst ‘kaderovereenkomst – onroerende verhuur parking ‘x’’ heeft als voorwerp de terbeschikkingstelling van een onroerend goed, zijnde rotatieparkeerplaatsen in de parking, tegen de betaling van een vergoeding door Y.

5. In de ontwerpovereenkomst wordt toegelicht hoe deze vergoeding wordt samengesteld. Vooreerst is er een te indexeren vaste vergoeding ad 10.000 euro, aangevuld met een tweede bepaalbaar vast component, zijnde de financieringslast in hoofde van de stad X. Voor deze financieringslast wordt een vast investeringsbedrag per parkeerplaats bepaald, een vaste kredietlooptijd en een nog te bepalen rentevoet met een maximum van 4%. Tenslotte kan de door Y aan de stad X te betalen vergoeding nog worden verhoogd met een vorm van bonus in functie van het behaalde resultaat door Y. Dit laatste is optioneel en geen zekerheid voor de stad X. De twee eerste componenten, de 10.000 euro en de financieringslast, zijn echter vaststaande vergoedingen die door Y moeten worden betaald en dit ongeacht het door Y behaalde exploitatieresultaat.

6. Op basis van het voorgaande kan de DVB stellen dat Y de facto het risico draagt van de exploitatie van de parking en de stad X louter passief een vaste financiële vergoeding ontvangt voor het ter beschikking stellen van de parking. De DVB kwalificeert dit als een onroerende verhuur. Het feit dat er een optioneel bonusstelsel in de overeenkomst is voorzien ten gunste van de stad X doet geen afbreuk aan deze kwalificatie.

7. De stad X treedt in haar hoedanigheid van verhuurder op als een belastingplichtige die een btw-dienst verstrekt; de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (artikelen 2, 4, 18, §1, 8° en 44, §3, 2°, a), eerste streepje W.Btw).

8. De btw wordt berekend op alles wat de stad X als tegenprestatie ontvangt of moet ontvangen: in casu de drie componenten waaruit de huurvergoeding bestaat (cf. supra en artikel 26 W.Btw). Het standaardtarief is hierop van toepassing, vandaag 21%.

9. De door de stad X gedragen btw die betrekking heeft op de (investerings)kost van de parkeerplaatsen die het voorwerp uitmaken van bovenvermelde (ontwerp)overeenkomst met Y, kan door de stad X in aftrek worden gebracht (artikel 45 W.Btw). De stad X kan in dit kader worden aangeduid als een gedeeltelijke btw-belastingplichtige.

Roerende voorheffing

10. Overeenkomstig artikel 17, §1, 3° WIB92 zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, waaronder inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen.

11. Gelet op de analyse in randnummer 3 tot en met 9 kwalificeert de vergoeding die Y betaalt aan de stad X (zowel de jaarlijkse vaste vergoeding van 10.000 euro als de variabele huurvergoeding) in hoofde van de stad X niet als een vergoeding voor de concessie van een onlichamelijk recht (in casu het recht om parkeergelegenheid aan te bieden) zoals bedoeld in artikel 17, §1, 3° WIB92, noch als divers inkomen in de zin van artikel 90 WIB92, maar wel als een onroerend inkomen.

12. De vergoeding voor de publiciteit in het onroerend goed maakt deel uit van de variabele huurvergoeding. Y maakt zelf met de adverteerders contractuele afspraken over de publiciteit en de stad X is op geen enkele wijze betrokken partij. Volgens de aanvrager zijn de publicitaire inkomsten minimaal. De ‘kaderovereenkomst – onroerende verhuur parking ‘x’’ heeft als hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed, zijnde rotatieparkeerplaatsen in de parking, tot doel. De aard van het hoofdzakelijke voorwerp van de overeenkomst is onroerend. De publicitaire inkomsten volgen de hoofdzaak van de onroerende inkomsten. Er is bijgevolg geen roerende voorheffing verschuldigd door de stad X, noch heeft Y de verplichting er roerende voorheffing op in te houden.

13. Als onroerend inkomen, is de vergoeding die Y betaalt aan de stad X niet onderworpen aan de roerende voorheffing, noch heeft Y de verplichting er roerende voorheffing op in te houden.

Textes cités

2
CTVA art. 441 occurrence
CTVA art. 451 occurrence