Tribunal de première instance de Louvain, 7 avril 2006 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 7 avril 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Louvain, 7 avril 2006Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-louvain-2006-04-07-2cd3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
7 avril 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

86 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribual de première instance de Louvain du 07.04.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste aanleg Leuven, afdeling Burgerlijke rechtbank, twaalfde kamer

Zitting : 07 april 2006

Eindvonnis

Rol nr. : 04/442/A

Inzake :

C. K., landbouwer, wonende te … (…), …

eiser,

ter zitting in persoon aanwezig bijgestaan door zijn raadsman meester H. S., advocaat te …, … (ref. …)

tegen :

De BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Administratie van belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerste aanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Tienen, met burelen te 3300 Tienen, Goossensvest 3

verweerder,

ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….


In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 10 februari 2006, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- de gedinginleidende dagvaarding op 19 februari 2004 op verzoek van C. K. betekend aan de BELGISCHE STAAT, ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerst aanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Tienen

- de beschikking bij toepassing van artikel 750, tweede paragraaf, van het Gerechtelijk Wetboek van 11 oktober 2005

- de eerste, tweede, derde en vierde conclusie op respectievelijk 10 augustus 2004, 23 augustus 2004, 28 september 2005 en 6 oktober 2005 op de griffie neergelegd door C. K.

- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 29 maart 2004, 29 december 2004 en 9 november 2005 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondememings- en inkomensfiscaliteit, sector van de BTW.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 februari 2006, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

1. Feiten en procesverloop

1.1. C. K., hierna genoemd "eiser", is voor de activiteit van paardenfokker en landbouwer geregistreerd als BTW-plichtige vanaf 1 januari 1992. Naar aanleiding van een BTW-controle op 7 oktober2002 betreffende de jaren 1999, 2000 en 2001 werd de aftrek van de BTW op kosten betreffende paarden en andere dieren verworpen.

Een correctieopgave werd opgemaakt waarin de teveel afgetrokken BTW ten bedrage van 5.272,32 EUR, een boete van 520,00 EUR en de interesten worden gevorderd.

1.2. Het invorderingsorder werd onder het regime van opschorting ingeschreven in afwachting van de uitspraak van het Hof van beroep te Brussel inzake een betwisting aangaande het BTW-aspect van de activiteit van het fokken van paarden in de periode 1992 tot 1996.

Het Hof van beroep wees een arrest op 14 maart 2003 waarin het oordeelde dat eiser professioneel een paardenfokkerij heeft opgestart binnen het kader van zijn landbouwbedrijf, zodat hij overeenkomstig artikel 45, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde de door hem betaalde voorbelasting mocht aftrekken.

De administratie berustte in dit arrest, maar liet eiser bij schrijven van 25 november 2003 weten dat de gevorderde sommen in het kader van de controle betreffende de periode 1999 tot 2001 opeisbaar zijn.

1.3. Eiser dagvaardde op 19 februari 2004 de BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder". Hij vordert te zeggen voor recht dat verweerder in de periode 1999, 2000 en 2001 ten onrechte tot verwerping van de BTW-uitgaven hoofdens hem overging, de terugbetaling van het bedrag van 6.846,32 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten, de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Verweerder vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiser in de kosten te veroordelen.

2. In rechte

2.1. Eiser steunt zijn vordering op :

- de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel

- de schending van het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van beroep te Brussel van 14 maart 2003

- het feit dat hij in de betreffende periode paarden fokte en verkocht

2.2. - Het gezag van gewijsde. De beginselen van behoorlijk bestuur.

Volgens eiser schendt verweerder het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van beroep te Brussel van 14 maart 2003, door in strijd met zijn stelling ingenomen in zijn conclusie voor het Hof neergelegd, thans opnieuw de professionele organisatie van de paardenfokkerij aan te vechten voor de periode 1999, 2000 en 2001. Zodoende schendt verweerder ook het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel; aldus eiser.

Eiser haalt de overweging van het arrest aan waarin wordt vastgesteld : "Uit de conclusies, na neerlegging van stukken door (eiser), opgesteld door de BTW-administratie op 13 september 2002, blijkt echter dat deze administratie, thans de professionele organisatie van de paardenfokkerij niet meer betwist, doch stelt dat dit irrelevant is omdat de aan het hof van beroep voorgelegde betwisting betrekking heeft op een voorafgaande periode; tijdens dewelke niets werd verkocht".

Verweerder repliceert dat het Hof van beroep zich in deze zin uitsprak dat eiser een professionele paardenfokkerij "opstartte". Verweerder noemt het fout te stellen dat het niet meer betwisten van de professionele organisatie van de paardenfokkerij, tijdens de aanvangsfase, zou betekenen dat de administratie in een later stadium dient afte zien van controle op de werkelijke uitoefening van een regelmatige economische activiteit van eiser.

Inmiddels is naar de mening van verweerder echter duidelijk gebleken dat er van enige professionele activiteit als fokker van paarden geen sprake is.

Verweerder geeft aan het gezag van gewijsde van het arrest van 14 maart 2003 de juiste draagwijdte. Het gezag van gewijsde impliceert immers dat telkenmale in een eerste geding tussen partijen een geschilpunt werd beslecht dat opnieuw, maar ditmaal in het kader van de berechting van een tweede vordering door één van de partijen ter discussie wordt gesteld, de tweede rechter - zo een gedingpartij zich beroept op het gezag van gewijsde dat ter zake verbonden is aan de eerste uitspraak - gehouden is de hieraan gegeven oplossing te respecteren (P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer, 2001, nrs. 91 en 96).

Het Hof oordeelde dat in de periode van opstarting van de paardenfokkerij, zijnde de periode van 1992 tot 1996, eiser de BTW op zijn investeringen in aftrek mocht brengen.

In onderhavig geding betwist verweerder dat in de in het geding zijnde periode van 1999 tot 2001 een economische activiteit van paardenfokkerij plaats vond. Het huidige geschilpunt betreft bijgevolg het einde van de belastingplicht van eiser.

Feitelijk en juridisch betreft het twee totaal verschillende geschilpunten.

Het eerste geschilpunt betrof specifiek het ontstaan van de belastingplicht van eiser en zijn recht op aftrek. Het is een constante oplossing dat een economische activiteit verricht binnen het toepassingsgebied van de BTW wordt geacht een aanvang te nemen op het ogenblik dat men op dubbelzinnige wijze het voornemen daartoe tot uitdrukking brengt (Hof van Justitie, 14 februari 1985, 268/83, Rompelman, Jurispr., 1985, 655; Cass., 28 mei 1993, Arr. Cass., 1993, 531).

Het huidige geschilpunt betreft het einde van de belastingplicht van eiser. De belastingplicht eindigt van rechtswege wanneer de belastingplichtige geen economische activiteit meer uitoefent, of geen belastbare BTW-handelingen meer verricht, of niet meer op geregelde en zelfstandige wijze optreedt (P. VANDENDRIESSCHE, J. DE SPIEGELEER, D. STAS, K. THESIN en F. HERREMAN, Fiscale basisbegrippen BTW, Brugge, die Keure, 1996, nrs. 53-54).

Eiser leest in de conclusie besproken in de hoger aangehaalde overweging van het arrest van 14 maart 2003 verkeerdelijk een gerechtelijke bekentenis van verweerder betreffende de professionele organisatie van de paardenfokkerij in de thans in het geding zijnde jaren 1999, 2000 en 2001.

In de hoger aangehaalde overweging verwijst het Hof immers naar een conclusie van verweerder neergelegd op 13 september 2002, welke datum niet valt binnen de thans in het geding zijnde periode; en overweegt het Hof dat "thans", de professionele organisatie van de paardenfokkerij niet meer wordt betwist, zonder dat duidelijk is welke periode hiermee wordt bedoeld.

Het gezag van gewijsde noch het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden.

2.3. De belastingplicht

Overeenkomstig artikel 4, eerste paragraaf, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt als belastingplichtige beschouwd, iedereen die, om het even waar, in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Wetboek zijn omschreven.

De hoedanigheid van belastingplichtige kan enkel worden toegekend indien de persoon een economische activiteit uitoefent.

De hoedanigheid van belastingplichtige veronderstelt een samengaan van arbeid en kapitaal. Het begrip economische activiteit vereist bovendien een deelneming aan het economisch verkeer. Deelneming aan het maatschappelijk verkeer impliceert eveneens een vergoeding. Tenslotte moeten er geregeld leveringen en diensten worden verricht (ibid., nr. 30).

Eiser betoogt dat zijn economische activiteit erin bestaat om in het kader van zijn landbouwbedrijf paarden te fokken met als belangrijkste doel de paarden na opleiding en training te kunnen verkopen. Eiser onderstreept dat hij dit sedert het opstarten van zijn activiteit als fokker, met een zekere regelmaat en op duurzame wijze ook effectief deed.

De feitelijke elementen die eiser aanvoert laten niet toe te besluiten dat hij de economische activiteit van het fokken van paarden op geregelde wijze uitoefende in de in het geding zijnde jaren 1999, 2000 en 2001:

- de deelname aan een twintigtal wedstrijden per jaar

- de verkoop van zeven paarden over een periode van vijf jaar

1997 : 1 paard

2000 : 3 paarden

2001 : 0 paarden

2002 : 1 paard

2003 : 1 paard

2004 : 2 paarden

- de aangewende middelen met name specifieke installaties zoals : 5 hectare weiland voor gras- en hooiwinning, 4,90 hectare akkerland. voor het telen van granen die deels als paardenvoer worden gebruikt en waarop het nodige stro wordt gewonnen, weideafsluitingen voorzien van speciale elektrische afrasterdraad geschikt voor paarden, acht paardenboxen, geïsoleerde stallen, paddock met een zandpiste van 20 op 40 meter, een camion, jeep en van voor het transport van de paarden

- een professionele berijder die tweemaal per week de paarden opleidt en traint; en de paarden berijdt op wedstrijden.

Men kart niet om de vaststelling heen dat eiser in de in het geding zijnde jaren 1999,2000 en 2001 slechts drie paarden verkocht :

1999 : 0 paarden

2000 : 3 paarden

2001 : 0 paarden

De uitleg die eiser geeft, namelijk dat vóór eind 1996 geen paarden konden worden verkocht, aangezien in de beginperiode veulens werden geboren die opgroeiden en werden opgeleid, is aannemelijk en werd door het Hof van beroep te Brussel aangenomen, maar neemt niet weg dat na deze opstartperiode, slechts drie paarden werden verkocht in 1999, 2000 en 2001. Verweerder gewaagt terecht van een sporadische verkoop, rekening houdend met de opstartperiode.

Eiser betrekt bij de beoordeling van de economische activiteit verkeerdelijk de cijfergegevens van de jaren 2002 en volgende. Deze cijfers laten misschien toe te besluiten tot een geregelde economische activiteit voor deze jaren, die echter in onderhavig geding niet ter beoordeling staan.

De uitleg van eiser dat zijn bedrijf kleinschalig is en dat dit geen reden is om het bestaan van een economische activiteit uit te sluiten is correct, maar doet niet terzake. Zelfs voor het kleinschalig bedrijf van eiser is een verkoop van drie paarden in drie jaar werkelijk te weinig om van een geregelde werkzaamheid te kunnen gewagen.

De deelname aan een twintigtal wedstrijden per jaar past misschien in het organisatorisch geheel, zoals eiser stelt, doordat deze deelname een middel tot publiciteit is en bijdraagt tot de naambekendheid van de fokker in functie van de successen van zijn paarden. In de concrete omstandigheden van deze zaak kadert de deelname aan wedstrijden veeleer in de uitoefening van een hobby, zoals verweerder stelt, dan in een economische activiteit.

Eiser had niet de hoedanigheid van belastingplichtige in de jaren 1999, 2000 en 2001, en had bijgevolg geen recht op aftrek van de voorbelasting: De vordering is ongegrond.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

rechtsprekend op tegenspraak,

alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

veroordeelt eiser in de kosten, aan zijn zijde begroot op het bedrag van 476,60 EUR (dagvaarding: 119,63 EUR; rechtsplegingsvergoeding : 356,97 EUR) en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van 356,97 EUR.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 07 april 2006 waar zetelden :

de heer P. V., alleen zetelend rechter;

mevrouw J. C., griffier.

J. C. P. V.