Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 22.04.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN - AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - twaalfde kamer
Zitting : 22 april 2005
eindvonnis
Rol nr. : 04/149/A
D. H. Y. F., zonder gekend beroep, wonende te …, …;
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester D. W., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Sector BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het Ontvangkantoor van de BTW te Leuven, met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite 3 A, bus 2;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester d. N., advocaat te …, ….
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 25 maart 2005 in beraad werd genomen.
De rechtbank heeft toepassing gemaakt van de artikelen 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- de gedinginleidende dagvaarding op 6 januari 2004 betekend door J. W., gerechtsdeurwaarder met standplaats te ….
- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken.
De advocaten van partijen hebben de zaak gepleit op de openbare zitting van 25 maart 2005.
I. DE FEITEN
Y. D. H. (hierna: eiser) heeft in 2006 een woning, gelegen te …, … laten verbouwen. Op de facturen werd 6 % BTW aangerekend.
Op 19 mei 2003 schrijft de controle van de BTW te Haacht naar eiser en deelt hem mee dat "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelder van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (voorgevel aan straatzijde of een deel ervan), aangemerkt (wordt) als het bouwen van een nieuwe woning. De door de aannemers uitgereikte facturen werden ten onrechte opgemaakt met een BTW percentage van 6 % i.p.v. 21 %".
Op 19 september 2003 wordt door de controle van de BTW te Haacht proces-verbaal opgesteld. Hierin staat te lezen dat "aangezien het gebouw na afbraak herbouwd werd is, overeenkomstig artikel 1, 3° van het (Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970), het normale BTW-tarief van 21 % van toepassing. Op 16 oktober 2003 wordt op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd door het BTW-ontvangkantoor Leuven. Op 17 oktober 2003 wordt dit dwangbevel uitvoerbaar verklaard. Dit dwangbevel wordt op 4 december 2003 aan eiser betekend met bevel te betalen.
II. DE VORDERINGEN
Op 6 januari 2004 heeft eiser dagvaarding aan verweerster laten betekenen. Hij vraagt dat de rechtbank zou zeggen dat het dwangbevel ·van nul en generlei waarde is en dat hij uit hoofde van dit dwangbevel niets verschuldigd is.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist en de rechtbank ziet geen redenen die zij ambtshalve zou moeten inroepen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.
2. Het Koninklijk besluit nr. 20 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven bepaalt :
Art. 1. De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven :
1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;
[...]
3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.
De tabel A vermeldt onder rubriek XXXI :
XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.
§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld;
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
3. Wanneer het gaat om een verbouwing is het verlaagd tarief van toepassing. Wanneer het gaat om een nieuwbouw is het gewoon tarief van toepassing.
4. Uit een verslag van de politie van Keerbergen van 4 november 1999 blijkt dat de politie op 27 september 1999 in de loop van de avond opgeroepen werd door eiser. Er was een groot probleem ontstaan tijdens de verbouwing. Bij het wegnemen van het dak was er een muur naar binnen gevallen waardoor het grootste gedeelte van de woning was ingestort. De politie stelt vast dat het grootste gedeelte van de woning is ingestort waardoor een oorspronkelijke renovatie niet meer te realiseren is.
In het werfverslag van 5 oktober 1999 staat onder meer te lezen :
"Beschadigde en ingestorte muren zullen door aannemer op zijn kosten worden gemetst. Aannemer dient stabiliteitsstudie voor te leggen aan architectenbureau, legplan predallen eveneens vooraleer deze geplaatst worden. Aannemer vraagt nieuwe muren te mogen voorzien op 5 cm vanuit gevelvlak zodat arduinen plint op bestaande fundering kan gezet worden. Architect kan hiermee akkoord gaan."
5. Uit dit alles blijkt dat de woning niet werd verbouwd maar dat zij, nadat zij voor het grootste deel was ingestort, volledig werd herbouwd. Enkel de funderingen van het oude gebouw konden nog gebruikt worden. Dit zijn geen renovatiewerken meer, het betreft het optrekken van een nieuw gebouw.
Dit zijn duidelijk geen handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing.
6. Eiser wenst toepassing te maken van een uitzondering. Hij draagt de bewijslast van het feit dat aan de voorwaarden voldaan is om van het verlaagd tarief te kunnen genieten. Om van een renovatie te kunnen spreken moeten voldoende relevante gedeelten van de oorspronkelijke bouwconstructie behouden blijven. Eiser bewijst dit niet.
7. Het feit dat een bouwvergunning afgeleverd werd voor een verbouwing en dat geen bouwovertreding werd vastgesteld doet aan het bovenstaande geen afbreuk. Wat telt is wat effectief werd uitgevoerd, niet wat voorzien was.
Dispositif
DE RECHTBANK BESLIST HET VOLGENDE
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten en stelt deze als volgt vast :
- voor eiser : … euro (dagvaarding) + … euro (rechtsplegingsvergoeding)
- voor verweerster : … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 22 april 2005, waar zetelden :
de heer L. W., rechter;
mevrouw G. D., e.a. adjunct-griffier.
G. D. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.