Tribunal de première instance, 6 février 2006 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 6 février 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance, 6 février 2006Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-kortrijk-2006-02-06-3908

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
6 février 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

184 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Courtrai du 06.02.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

In de zaak 96/61314/A

R. O. (en niet O. zoals verkeerdelijk vermeld in de dagvaarding) S., drukker, geboren te … op 7 april 1949, wonende te …, voorheen aan de … en thans aan de …, tot 30/06/2003 ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …,

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend meester P.-P. T., advocaat te …, …, (ref. : …).

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Rekenplichtige van het BTW­ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend meester F. W., advocaat te …, …, (ref. : …).

Gelet op de artikelen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

I. Relevante feitelijke gegevens

De woning van O. R. werd in 1960 opgericht volgens het procedé van de houten skeletbouw.

In de periode 1991-1992 liet O. R. werken in onroerende staat uitvoeren zowel aan het privégedeelte als aan het beroepsgedeelte van zijn woning.

Zo werden onder meer de houten buitenmuren vervangen door gemetselde muren.

O. R. liet alle werken factureren aan het verlaagd BTW-tarief van 6 %.

Op 2 mei 1994 begon J.-P. B., toentertijd opsteller bij de Administratie van de BTW, een controleonderzoek bij O. R..

Op 23 juni 1994 zond de Administratie een correctieopgave toe aan J. D., volmacht drager van O. R..

Op 12 september 1994 deelde J. D. aan de Administratie zijn akkoord mee in verband met de werken aan het beroepsgedeelte van de woning van O. R..

Op 16 september 1994 werd een correctieopgave voor akkoord ondertekend.

Op 6 februari 1995 maakte J.-P. B. een proces-verbaal op in verband met het resterend geschil over de werken aan het privégedeelte van de woning van O. R..

Op 28 augustus 1995 vaardigde J. V., Ontvanger van de BTW te Roeselare, een dwangbevel uit.

Op 26 september 1995 viseerde P. A., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge, het dwangbevel en verklaarde hij het uitvoerbaar.

Op 14 maart 1996 werd het dwangbevel betekend aan O. R..

II. Antecedenten

1. Bij dagvaarding op 27 maart 1996 betekend aan de Belgische Staat leidde O. R. de zaak in.

Hij vorderde :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat de door de Belgische Staat in het dwangbevel gesommeerde bedragen onverschuldigd zijn;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding;

- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, ondanks elk verhaal en zonder borg.

2. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 13 november 1996 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vroeg :

- het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- O. R. te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 28 februari 1997 handhaafde O. R. zijn vordering.

4. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 1 september 1997 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

5. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 25 augustus 1998 verduidelijkte O. R. zijn vordering.

Hij vorderde :

- zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat de werken in onroerende staat aan het privé-gedeelte van zijn woning … te … onderworpen zijn aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %;

- te zeggen voor recht dat de bedragen van het uitgevaardigde dwangbevel dat op 14.03.1996 aan hem werd betekend, niet verschuldigd zijn;

- de Belgische Staat te veroordelen in alle kosten van het geding.

6. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 15 oktober 1998 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

7. Bij tussenvonnis van 18 september 2000 werd geoordeeld als volgt :

- het verzet werd toelaatbaar verklaard;

- vooraleer ten gronde te oordelen, werd D. V. D. B., architect te …, …, met een welbepaalde opdracht aangesteld als deskundige.

8. Op 14 december 2004 zond de deskundige het eindverslag van het deskundig onderzoek toe aan de griffie.

III. Vorderingen en standpunten na het tussenvonnis van 18 september 2000

A. O. R..

1. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 21 maart 2005 breidde O. R. zijn vordering uit.

Hij vorderde :

- aan hem akte te verlenen van zijn aangepaste vordering, zoals gesteld in onderhavige conclusie;

- het verzet gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat de door de Belgische Staat in het dwangbevel gesommeerde bedragen niet verschuldigd zijn;

- te zeggen voor recht dat het tegoed op de consignatierekening bij NV ING Bank Privalis … moet worden vrijgegeven ten voordele van hem;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

2. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 13 september 2005 handhaafde hij zijn vordering.

B. De Belgische Staat.

1. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 12 mei 2005 verduidelijkte de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vroeg :

- te acteren dat hij volhardt;

- te zeggen voor recht dat de uitgevoerde bouwwerken aan de woning gelegen te …, … onder de toepassing vallen van het normale BTW-tarief en niet in aanmerking komen voor het verminderd BTW-tarief van 6 %;

- eiseres [bedoeld wordt : O. R.] te veroordelen tot de kosten van het geding.

2. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 26 oktober 2005 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

IV. Procedure

Op de openbare terechtzitting van 5 december 2005 verschenen Mr. P.-P. T. voor O. R. en Mr. F. W. voor de Belgische Staat.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

V. Beoordeling

1. Het verzet van O. R. is gegrond.

Het verlaagd BTW-tarief van 6 % is toepasselijk is op de werken in onroerende staat aan de woning van O. R. gelegen te …, … gedurende de periode 1991-1992.

Het dwangbevel, uitgevaardigd op 28 augustus 1995 door J. V., Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 26 september 1995 door P. A., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Brugge, wordt vernietigd.

De BTW voor een bedrag van 403.612 BEF [thans 10.005,28 euro], de geldboete voor een bedrag van 60.000 BEF [thans 1.487,36 euro] en de interesten zijn niet verschuldigd.

Het tegoed op de consignatierekening bij de NV ING Bank Privalis … moet vrijgegeven worden aan O. R..

2. De redenering die gevolgd werd om tot deze conclusie te komen, wordt hieronder stapsgewijs uiteengezet.

3. De wettelijke basis voor de oplossing van het geschil wordt gevormd door het toentertijd geldende artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en rubriek XXXI van Tabel A en rubriek II van Tabel B van de bijlage bij dat besluit.

4. Er moet tevens rekening gehouden met de Aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en het standpunt van de Administratie van 1994 (Revue nr. 110/09/1994 p. 1103-1104 - stuk 25 Belgische Staat).

Administratieve circulaires zijn weliswaar geen bron van recht De Aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en het standpunt van de Administratie van 1994 zijn evenwel gunstiger voor de belastingplichtigen dan het Koninklijk Besluit.

O. R. heeft het recht om op dezelfde manier behandeld te worden als de andere belastingplichtigen.

5. Er is slechts 1 BTW-tarief toepasselijk voor alle werken in onroerende staat - zowel aan het beroepsgedeelte, als aan het privégedeelte - aan een woning gedurende een bepaalde periode. De werken moeten in hun geheel beschouwd worden.

6. Eerst zullen de verschillende onderdelen van de werken apart beoordeeld worden. Dan zal met een aantal bijkomende elementen rekening gehouden worden.

Tenslotte zal 1 gemeenschappelijk BTW-tarief voor het geheel van de werken bepaald worden.

7. Bij de beschrijving van de werken wordt uitgegaan van de opsomming in de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 1 september 1997 p. 2 - 3.

Er worden evenwel neutrale termen voor de werken gebruikt.

8. De volgende werken werden uitgevoerd :

a) het vervangen van de houten buitenmuren door gemetselde muren;

b) het vervangen van dakbedekking en dakgoten;

c) het vervangen van schrijnwerk;

d) het vervangen van een slaapkamer en een berging door een bureau;

e) het vervangen van de garage door een atelier;

f) het vervangen van de keuken;

g) het vervangen van de veranda;

h) het bijbouwen van een nieuwe garage;

i) het vervngen van plafonds;

j) het vervangen van vloeren;

k) het vervangen van de sanitaire installatie;

l) het vervangen van de elektrische installatie.

9. Hieronder worden de diverse onderdelen van de werken gecatalogeerd.

Gemakkelijkheidshalve worden hierbij slechts 2 termen gebruikt, namelijk bouwen(= oprichten van een nieuw gebouw) of verbouwen(= omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud).

a) Het vervangen van de houten buitenmuren door gemetselde muren :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Dat onderdeel ressorteert onder punt 33 van de Aanschrijving nr. 6.

Punt 33 van de Aanschrijving nr. 6 vermeldt :

"Anders is de situatie in het geval van gedeeltelijke vernieling, indien de werken zelfs belangrijke herstellingen tot voorwerp hebben, met het oog op het opnieuw in goede staat brengen van het gebouw...".

De houten panelen werden vervangen, omdat ze aan het rotten waren.

Het vervangen van houten panelen omdat ze aan het rotten zijn, vormt een herstellingswerk.

Dat onderdeel van de werken valt ook onder het tweede lid van punt 30 van de Aanschrijving nr. 6.

Het tweede lid van punt 30 van de Aanschrijving nr. 6 vermeldt onder meer :

"Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (...) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.".

Uit het deskundig onderzoek blijkt dat de helft van de dragende muren niet vervangen werden.

De binnenmuren zijn immers ook dragende muren.

Daarenboven werden de funderingen behouden.

b) Het vervangen van dakbedekking en dakgoten :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van dakbedekking en dakgoten vormt een renovatie.

c) Het vervangen van schrijnwerk :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van schrijnwerk vormt een renovatie.

d) Het vervangen van een slaapkamer en een berging door een bureau :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als bouwen.

O. R. verklaarde tijdens het deskundig onderzoek dat de slaapkamer en de berging totaal afgebroken en herbouwd werden tot een bureau.

e) Het vervangen van de garage door een atelier :

Dat onderdeel van de werken kan met behulp van de voorhanden zijnde gegevens niet exact gecatalogeerd worden.

Uit het dossier kan niet met zekerheid uitgemaakt worden of de oorspronkelijke garage afgebroken en herbouwd dan wel omgevormd werd tot een atelier.

Het is niet duidelijk of de dragende muren van de oorspronkelijke garage behouden bleven.

f) Het vervangen van de keuken :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van de keuken vormt een renovatie.

g) Het vervangen van de veranda :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van de veranda vormt een renovatie.

De dragende muren bleven behouden.

h) Het bijbouwen van een nieuwe garage :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als bouwen.

Er werd een nieuwe garage bijgebouwd.

i) Het vervangen van plafonds :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van plafonds vormt een renovatie.

j) Het vervangen van vloeren :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van vloeren vormt een renovatie.

k) Het vervangen van de sanitaire installatie :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van de sanitaire installatie vormt een renovatie.

l) Het vervangen van de elektrische installatie :

Dat onderdeel van de werken wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Het vervangen van de elektrische installatie vormt een renovatie.

10. In 1994 nam de Administratie het volgend standpunt in :

"Verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector. Uitbreidingswerken. Onderscheid tussen "verbouwingen" en "nieuwbouw".

Hierna wordt verduidelijkt in welk geval een vergroting van een gebouw al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven (vgl. aanschr. 6/1986 (1), nr. 30).

De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken...".

11. Het geheel van de werken in onroerende staat aan de woning van O. R. gedurende de periode 1991-1992 wordt gecatalogeerd als verbouwen.

Zelfs als het vervangen van de garage door een atelier als bouwen gecatalogeerd moet worden, dan nog is het nieuw gebouwd gedeelte niet groter dan de helft van de totale oppervlakte van de woning.

12. Er wordt ook rekening gehouden met de volgende bijkomende elementen :

- de aard en de bestemming van de woning bleven behouden : het bleef een woning met een privégedeelte en een beroepsgedeelte en het privégedeelte bleef groter dan het beroepsgedeelte;

- in het stedenbouwkundig dossier werd de renovatie omschreven als "werken van geringe omvang";

- het kadastraal inkomen steeg slechts van 41.100 BEF [thans 1.018,84 euro] tot 45.800 BEF [thans 1.135,35 euro].

13. Uit de bovenstaande elementen wordt afgeleid dat het verlaagd BTW-tarief van 6 % toepasselijk is op de werken in onroerende staat aan de woning van O. R. gelegen te …, … gedurende de periode 1991-1992.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak,

Verklaart het verzet van O. R. gegrond.

Zegt voor recht dat het verlaagd BTW-tarief van 6 % toepasselijk is op de werken in onroerende staat aan de woning van O. R. gelegen te …, … gedurende de periode 1991-1992.

Vernietigt het dwangbevel, uitgevaardigd op 28 augustus 1995 door J. V., Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 26 september 1995 door P. A., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Brugge.

Zegt voor recht dat de BTW voor een bedrag van 403.612 BEF [thans 10.005,28 euro], de geldboete voor een bedrag van 60.000 BEF [thans 1.487,36 euro] en de interesten niet verschuldigd zijn.

Zegt voor recht dat het tegoed op de consignatierekening bij de NV ING Bank Privalis … vrijgegeven moet worden aan O. R..

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Stelt de kosten vast aan de zijde van O. R. :

- kosten dagvaarding en rolstelling : 6.046 BEF = thans 149,88 euro;

- rechtsplegingsvergoeding : 356,97 euro;

- aanvullende rechtsplegingsvergoeding deskundig onderzoek : 59,49 euro;

- kosten deskundig onderzoek : 3.233,30 euro;

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw I te Kortrijk in openbare terechtzitting op ZES FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter,

G. H., griffier-hoofd van dienst.

G. H. C. V.

Textes cités

1
AR no 20 art. 11 occurrence