Tribunal de première instance, 8 janvier 2004 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 8 janvier 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance, 8 janvier 2004Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-kortrijk-2004-01-08-0204

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
8 janvier 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

64 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 08.01.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE VOORZITTER VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, RECHTSPREKEND IN KORT GEDING, HEEFT VOLGENDE BESCHIKKING VERLEEND.

In de zaak B.R.K. nr. 03/421/C - a27z

V. W. M. O., zaakvoerder , geboren te Torhout op 13/02/1934, wonende te …, …, geïmmatriculeerd als belastingsplichtige …, met ondernemingsnummer ….

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. D., advocaat te …, … (ref.: ...),

tegen :

1. BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering-Sector BTW, in de persoon van de Heer Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor met burelen te 8500 Kortrijk Hoveniersstraat 31,

eerste verweerder,

en

2. BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, vertegenwoordigd door de heer Hoofdcontroleur van het Tweede BTW-controlekantoor, met burelen te 8500 Kortrijk Hoveniersstraat 31,

tweede verweerder,

beiden vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. W., advocaat te …, … (ref.: 2694/G).

Bij dagvaarding betekend op 31 oktober 2003 door gerechtsdeurwaarder H. V. V. met standplaats te Kortrijk, vorderde eisende partij :

- verwerende partijen te bevelen de BTW-tegoeden niet aan te wenden voor de aanzuivering van een directe belastingschuld, en eveneens de vrijgave te bevelen van de huidige en toekomstige BTW-tegoeden;

- verwerende partijen te veroordelen tot de gedingkosten;

- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van kantonnement.

De raadslieden van partijen hebben de zaak in openbare zitting uiteen gezet. Zij legden een dossier neer dat werd ingezien.

FEITEN/RELAAS

De heer V. had een oude belastingschuld inzake directe belastingen, waarvan het bedrag definitief werd ingevolge arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 16 mei 2001.

Er werden hem afbetalingsfaciliteiten toegestaan.

De BTW-rekening courant van de heer V. vertoonde op 30 april 2003 een batig saldo van … EUR.

De heer Hoofdcontroleur van de tweede BTW-controle (tweede verweerder) ontving op 23 mei 2003 via aangetekend schrijven een bericht van beslag met een aangehecht dwangschrift, waaruit bleek de heer V. een openstaande schuld had aan bevoorrechte belastingen van … EUR (excl. intresten) tegenover het tweede ontvangkantoor van de directe belastingen te Kortrijk.

De heer Hoofdcontroleur van de tweede BTW-controle (tweede verweerder) stelde op 28 mei 2003 de verklaring van derde-beslagene op.

De heer V. werd op 2 juni 2003 ingelicht dat het BTW-tegoed van het eerste kwartaal niet zou worden terug betaald, maar zou worden aangewend ter aanzuivering van de openstaande schuld bij de directe belastingen.

Specifiek betrof het de kohierartikels 5718125, 6701073 en 7712897 op het tweede ontvang kantoor der Directe Belastingen.

BEKNOPTE WEERGAVE VAN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verwerende partijen roepen de onbevoegdheid op van de kort gedingrechter.

Zij menen dat enkel de beslagrechter ter zake is bevoegd.

Volgens tweede verwerende partij is de vordering ten aanzien van hem onontvankelijk omdat de hij zich in zijn hoedanigheid van derde-beslagene, te schikken heeft naar de bepalingen van art. 164 par. 4 WIB en artikel 1452 Ger.W.

Ondergeschikt menen verweerders wat de grond van de zaak betreft, dat terecht beslag werd gelegd, omdat het verschuldigd niet betwist saldo … EUR bedraagt, terwijl het BTW-tegoed slechts … EUR bedraagt.

Eiser voert in de inleidende dagvaarding de hoogdringendheid aan. Volgens eiser is de kortgedingrechter wel degelijk bevoegd omdat vooreerst geen beslag werd gelegd volgens de geëigende manier.

Bovendien is er de volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, die zelfs bevoegd is om dwangbevelen te vernietigen.

Vervolgens benadrukt eiser dat geen aanzegging aan hem gebeurde van het derde beslag en werden de regels van het gerechtelijk wetboek (o.m. deurwaardersexploot) niet gevolgd.

Zelfs de regels in verband met het vereenvoudigd derdenbeslag (met notificatie aan de derde-houder en de beslagen schuldenaar), werden niet gerespecteerd.

BEOORDELING

Conform heersende rechtsleer is de kort gedingrechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil, van zodra de hoogdringendheid in de inleidende dagvaarding expliciet wordt vermeld. (TAELMAN, P., Ontwikkeling van de urgentievoorwaarde en het vereiste bij voorraad uitspraak te doen in de jaren '90 alsook enkele procedureaspecten, P.&B 1997, p.261; Cass. 11 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1175.)

Eenmaal de kort geding rechter vaststelt dat de urgentievoorwaarde in de dagvaarding is opgenomen, dient de vordering te worden beoordeeld op de gegrondheid, door na te gaan of enerzijds voldaan is aan de urgentievoorwaarde en anderzijds of een uitspraak in kort geding geen nadeel toebrengt aan de zaak.

(Volledigheidshalve kan hierbij worden vermeld dat volgens een tweede strekking deze urgentievoorwaarde eerder een element is dat betrekking heeft op de ontvankelijkheid dan op de bevoegdheid : Met betrekking tot deze problematiek kan worden verwezen naar Van Orshoven P. De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken, Themis Cahier 2003-2004, vormingsonderdeel gerechtelijk recht, p. 20-21)

Nu de inleidende dagvaarding expliciet melding maakt van het urgent karakter van de vordering, dienen wij ons ter zake bevoegd te verklaren.

Vervolgens moet de gegrondheid van de vordering worden getoetst aan de urgentievoorwaarde.

De urgentievereiste raakt de openbare orde, hetgeen betekent dat de kort gedingrechter desnoods ambtshalve nagaat of de vordering het hoogdringend ,karakter aantoont.

a Een eerste element ter beoordeling van het vereiste urgente karakter is na te gaan of een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. (Cass. 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987; TAELMAN, P., Ontwikkeling van de urgentievoorwaarde en het vereiste bij voorraad uitspraak te doen in de jaren '90 alsook enkele procedureaspecten, P.&B 1997, p. 261; BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1343-1345.)

Ter zitting voerde eiser aan dat hij door de beslissing van verweerders financieel in de problemen is gekomen. Voor het overige worden hieromtrent geen stukken neergelegd.

Op zich is hiermee het urgent karakter niet aangetoond.

b Een tweede element ter beoordeling van het urgent karakter, is de houding van eiseres.

In dit geschil moet worden vastgesteld dat de heer V. reeds op 2 juni 2003 door de 2° BTW-controle Kortrijk ervan werd op de hoogte gesteld dat het batig BTW-tegoed van het eerste kwartaal niet zou worden terugbetaald om het zou worden gebruikt ter aanzuivering van openstaande schulden bij het tweede ontvangkantoor van de directe belastingen te Kortrijk.

Volledigheidshalve kan ook worden opgemerkt dat de dienst invorderingen - sector directe belastingen reeds op 21 maart 2003 de heer V. had aangeschreven met betrekking tot zijn afbetalingsplan en in fine van de brief had vermeld dat "eventuele teruggaves zullen worden aangewend".

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de vordering van de heer V. betekend bij dagvaarding in kort geding op 31 oktober 2003, niet het vereiste spoedeisend karakter vertoont.

Conform een arrest van het Hof van Cassatie (eveneens) van 11 mei 1990 (Cass., 11 mei 1990, R.W., 1990-91, 987, met noot J. Laenens), mag de kort geding rechter wanneer hij vaststelt dat de vordering niet het vereiste spoedeisend karakter vertoont, .de zaak niet verwijzen naar de bevoegde rechter (in casu de beslag rechter) doch dient hij de vordering als ongegrond te verklaren.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

Wij, dienstdoende Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement Kortrijk, zetelend in kortgeding;

Wijzende op tegenspraak;

Gelet op de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaren ons ter zake bevoegd, doch verklaren de vordering ongegrond;

Veroordelen eiser tot de gerechtskosten, namelijk de dagvaardingskosten, begroot op … euro en de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster begroot op … euro.

Aldus verleend en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in openbare terechtzitting, op ACHT JANUARI TWEEDUIZEND EN VIER.

Aanwezig :

C. D., dienstdoende Voorzitter,

I. D., adjunct-griffier.

I.D. C. D.