Tribunal de première instance de Hasselt, 22 mai 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 22 mai 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Hasselt, 22 mai 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-hasselt-2002-05-22-1b80

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
22 mai 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

45 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 22.05.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT – 11e KAMER HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR 97/1581/A

S. A., bakker, wonende te …, …, HR Tongeren nr. …;

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van het eerste BTW-Ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

verweerster,

vertegenwoordigd door Mr. R., advocaat te …, …;

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 20.03.2002, waarbij een heropening der debatten werd bevolen;

- de door partijen neergelegde besluiten en stukken;

- de herneming van de zaak voor zetel zoals deze thans is samengesteld;

Voorgaanden

Bij tussenvonnis van deze rechtbank van 20.03.2002 werd een heropening der debatten bevolen teneinde eiser toe te laten een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31.05.1999 over te leggen.

De rechtbank achtte .het immers gepast dat de inhoud van dit arrest haar ter kennis zou worden gebracht nu de thans voorliggende betwisting een identieke betwisting betreft als dewelke door her hof van beroep werd beslecht, zij het dan met betrekking tot een ander aanslagjaar.

In tegenstelling echter tot hetgeen eiser beweert in zijn besluiten neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 04.04.2002 werd het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31.05.1999 niet bijgevoegd bij de aanvullende besluiten na tussenvonnis van 07.06.1999.

Betreffend arrest werd dan neergelegd ter zitting van deze rechtbank van24.04.2002;

BeoordeIing

Op basis van computerlijsten uit de boekhouding van de leverancier van eiser, zijnde de NV K., en een geschreven verklaring van de afgevaardigd bestuurder van deze vennootschap, de heer D., heeft verweerder een omzetverhoging doorgevoerd voor het jaar 1993 in hoofde van eiser.

Uit deze stukken blijkt weliswaar het bestaan van een zwart circuit van leveringen doch deze gegevens laten niet toe om met zekerheid te stellen dat eiser aankopen in het zwart heeft verricht en ontvangen van de NV K..

Het loutere bestaan van zwarte leveringen door de NV K. bewijst immers niet dat eiser effectief zwarte leveringen zou hebben ontvangen.

De door verweerder voor het jaar 1993 ingeroepen aankopen in het zwart door eiser zijn niet ten genoegen van recht bewezen, zodat de daarop gebaseerde omzetverhoging en BTW navordering, vermeerderd met boeten en kosten, eveneens ongegrond is.

Nu de rechtbank dient vast te stellen dat verweerder faalt in zijn bewijslast is de vordering in verzet van eiser gegrond.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN:

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak

Herneemt de zaak voor de thans samengestelde zetel.

Het tussenvonnis van 20.03.2002 verder uitwerkende, verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 07.01.1997 ontvankelijk en gegrond en doet dit dwangbevel teniet.

Zegt voor recht dat eiser de in het dwangbevel gevorderde BTW, administratieve geldboete, intresten en kosten niet verschuldigd is.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van eiser op € 73,33 dagvaardingskosten, € 50,82 aanvullende rechtsplegingsvergoeding ambtshalve getuigenverhoor, € 54,54 aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten en € 327,22 rechtsplegingsvergoeding,'

- aan de zijde van verweerder op € 50,82 aanvullende rechtsplegingsvergoeding ambtshalve getuigenverhoor, € 25,29 zijnde getuigengeld, € 54,54 aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten en € 327,22 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 22 MEI 2002 alwaar zetelden :

De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter;

De Heer J.-M. J. en Mevrouw M. C., rechters;

De Heer A. T., griffier.

A. T. M. C. J.-M. J. E. S.