Tribunal de première instance de Hasselt, 23 décembre 1996 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 23 décembre 1996

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Hasselt, 23 décembre 1996Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-hasselt-1996-12-23-b1bb

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
23 décembre 1996

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

35 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 23.12.1996

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR NR. 96/273/A

V. A., beenhouwer, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, wonende te …, …,

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. V. loco Mr. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan, 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. Th. H. loco Mr. V. M., advocaat te …, …,

VOLGT HET VONNIS :

Bij geregistreerd exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … d.d. 25.4.1990 tekende eiser verzet aan tegen de verdere uitvoering van een dwangbevel hetwelk hem d.d. 19.4.1990 werd betekend ten verzoeke van verweerder.

Standpunt van eiser :

Voor de jaren 1985 en 1986 voerde verweerder een omzetverhoging door en steunde zich hierbij op de door eiser aangekochte mayonaise en het door hem verkochte slachtafval. Hij betwist niet dat hij gedurende genoemde jaren 300 kg mayonaise aankocht. Hij stelt evenwel dat verweerder bij de berekening van de hieruit volgende omzet ten onrechte geen rekening hield met het feit dat er ook mayonaise afzonderlijk werd verkocht en met het bederven van vleeswaren. Verder betwist hij de afleidingen dewelke door verweerder gedaan werden uit het door hem verkochte slachtafval.

Beoordeling :

1. De omzetverhoging ingevolge voornoemde aankoop van mayonaise

Voorafgaandelijk dient te worden opgemerkt dat eiser over genoemde jaren geen aangifte deed van zijn verkoop van zelfbereide vleeswaren (zie proces-verbaal p. 3). Tijdens het onderzoek van verweerder gaf hij dergelijke verkoop toe (proces-verbaal p. 4) zodat er terecht een omzetverhoging werd weerhouden.

De bemerkingen van eiser om de berekening van deze verhoging te betwisten kunnen de rechtbank niet overtuigen en wordt trouwens door niets bewezen. Het feit dat eiser bakjes aankocht toont niet aan dat deze gebruikt werden om mayonaise te verkopen. Het is toch algemeen geweten dat dergelijke bakjes door de beenhouwers gebruikt worden om kleine hoeveelheden bereide vleeswaren te verkopen. Van een normale beenhouwer mag verder verondersteld worden dat hij zijn vleeswaren in die hoeveelheden bereidt dat er geen gevaar voor bederving is.

De omzetverhoging werd derhalve juist berekend door verweerder.

2. De omzetverhoging ingevolge de verkoop van slachtafval

Het gewicht van het verkochte slachtafval werd door verweerder vastgesteld op basis van de door eiser voorgelegde officiële documenten. In die omstandigheden is de rechtbank van mening dat dit gewicht als juist moet worden aangenomen. Wanneer de bewering van eiser als zou het slachtafval bij levering niet gewogen worden nog zou worden aanvaard, laat dit niet toe van voornoemd gewicht af te wijken want in dat geval is onderschatting evengoed mogelijk als overschatting wat het gewicht betreft. Het is trouwens aan eiser om er voor te zorgen dat betrouwbare documenten aan verweerder worden voorgelegd.

Dat het slachtafval voor 80 % bestaat uit beenderen en voor 20 % uit vet werd vastgesteld door de verbalisant en dient derhalve te worden aangenomen tot het tegenbewijs, hetgeen niet geleverd wordt door een geschreven verklaring vanwege de koper van het slachtafval dewelke stelt dat dit slechts voor 55 % beenderen zou bevatten.

Ook deze omzetverhoging komt als verantwoord voor.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst eiser tot de kosten van het geding, deze in zijnen hoofde begroot op de som van … fr (… fr . dagvaardingskosten, de dagvaardingskosten werden vernrinderd met … fr rolrecht, hetwelk ten onrechte geheven werd, … fr rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op … fr rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 23 DECEMBER 1996, alwaar zetelden :

De Heer R. S., Ondervoorzitter,

De Heer R. D., Griffier.

R. D. R. S.