Tribunal de première instance de Gand, 23 décembre 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 23 décembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Gand, 23 décembre 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-gand-2008-12-23-e953

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
23 décembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

53 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 23.12.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 DECEMBER 2008

Rolnummer AR 99/2182/B

In de zaak van :

NV I., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres,

hebbende als raad Mter G. V., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

DE BELGISCHE STAAT, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen Gent, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 601

verweerder,

hebbende als raad Mter M. P., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ter griffie neergelegd door eiseres de dato 12 augustus 1999.

De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting de dato 2 december 2008 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

Huidige betwisting betreft de weigeringsbeslissing van verweerder de dato 5 maart 1990 tot kwijtschelding of vermindering van de door de BTW aan eiseres opgelegde geldboete van 513.000 BEF of € 12.716,94 omwille van het feit dat eiseres de verschuldigde BTW van 5.137.793 BEF te laat had betaald.

Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dienvolgens gezegd wordt voor recht dat de opgelegde geldboete onwettig is dan wel buiten proportie en dienvolgens dat verweerder veroordeeld wordt in betaling van de ingehouden geldboete ten bedrage van 513.000 BEF meer de intresten en dat verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Verweerder vraagt dat het verzet van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijk; die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de boete

Een boete van 10 % op het BTW-bedrag voor een bedrag van 513.000 BEF of € 12.716,94 heeft een repressief karakter.

Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen.

Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechten en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999 rolnr. 1279, arrest nr. 22/99). Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder opgelegde proportionele boete van 513.000 BEF buiten iedere verhouding is met de aan eiseres verweten "inbreuk" nl. het een 49 dagental te laat betalen (reeds met nalatigheidsintresten) van de verschuldigde BTW.

De boete houdt bovendien geen rekening met de onderliggende feitelijke omstandigheden die tot de laattijdige betaling hebben geleid.

In casu had eiseres in haar BTW-aangifte van juli 1998 een bedrag van 2.294.734 BEF aangegeven daar waar dit bedrag slechts 1.263.941 BEF diende te bedragen. De boeking van de teruggave van het teveel aangegeven verschuldigde BTW-bedrag duurde drie maanden ten gevolge waarvan eiseres cash problemen gekend heeft.

De schade die verweerder lijdt door de laattijdige betaling is allerminst in verhouding met de opgelegde boete. Immers benevens een niet proportionele boete betaalde eiseres nalatigheidsintresten aan een meer dan realistische rentevoet.

In casu zijn er dan ook geen gronden om boetes op te leggen.

3.2.2. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Eiseres begroot deze kosten op het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding van € 1.100,00.

3.2.3. nopens de uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 2 maart 2004 nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienende.

Verklaart het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk en gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete ten bedrage van € 12.716,94 ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van de kwestieuze boete van 12.716,94 euro te vermeerderen met de verwijlsintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op € 1.100,00.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag drieëntwintig december tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :

mevrouw A. H., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.