Tribunal de première instance de Gand, 3 mai 2007 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 3 mai 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Gand, 3 mai 2007Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-gand-2007-05-03-9f03

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
3 mai 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 03.05.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT -ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 03 MEI 2007

Algemene rol nummer : 01/2108/A

In de zaak van :

BVBA R. & S., ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer …, met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt meester A. K., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-kantoor te Gent, te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6,

eerste verweerder,

voor wie optreedt meester E. V. A., advocaat te …, …,

NV F. B., voorheen genaamd NV G. B., met zetel te …, …, ingeschreven in het HR te Brussel onder nr. …,

tweede verweerster,

voor wie optreedt meester K. M., advocaat te …, …,

de I. S., agerende middels de invorderingsdienst Dispartimento Delle Dogane E. Delle II-II. Dogana Principale di Bella, gevestigd te 13051 Biella, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 1, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6,

derde verweerder,

voor wie optreedt meester E. V. A., advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

1. PROCEDURE

De partijen werden gehoord ,in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 22.2.2007, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding d.d. 1.6.2001, de onderscheiden conclusies en dossiers van partijen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres zoals uiteindelijk gesteld in conclusies strekt ertoe :

“…

Akte te nemen van de afstand van rechtsvordering van eerste en tweede verweerder op verzet ten belope van de vermeend verschuldigde bedragen aan landbouwheffingen en intresten.

Onderhavig verzet toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te zien verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd door de Heer C. S. op 30 maart 2001 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 april 2001 door de heer D. B. en betekend op 3 mei 2001 door deurwaarder L. A., nietig is, van nul en generlei waarde is;

De Belgische Staat te veroordelen in de kosten van het geding (...)”

Bij conclusie neergelegd ter griffie op 23.1.2003 heeft tweede verweerster op hoofdvordering een tegenvordering gesteld die ertoe strekt BVBA R. & S. te veroordelen tot terugbetaling aan de NV F. B. van alle bedragen die NV F. B. aan de Belgische Staat, Administratie der Belasting over de Toegevoegde waarde, registratie en domeinen, ontvanger BTW, kantoor Gent I zou dienen te betalen;

Bovendien BVBA R. & S. te sommeren tot mededeling van haar procedurestukken tegen de Italiaanse Staat in Italië.

Bij conclusies respectievelijk neergelegd op 12.6.2002 en 19.3.2003 stellen eerste en derde verweerder dat uit de Italiaanse executoriale titel blijkt dat als "landbouwheffing en BTW" : 19.679.866 frank (940.658.255 Ital. Lire) verschuldigd is en intresten berekend tot 3.6.1998 : 747.447.055 Ital. Lire (386.024,18 EUR).

Zij vragen akte te nemen van het feit dat de schuldvordering van de BTW-administratie herleid wordt tot het bedrag van de verschuldigde BTW vermeerderd met de intresten inzake BTW zijnde BTW 68.379.165 Ital. Lire (35.314,89 EUR) intresten over BTW 54.331.890 Ital. Lire (28.060,08 EUR); te stellen voor recht dat het dwangbevel rechtsgeldig is voor deze sommen.

3. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Op 18.12.1998 wordt door de bevoegde ambtenaar van de Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking met de andere EEG-Lid-Staten op het gebied van BTW een proces-verbaal opgesteld waarin bevestigd wordt dat de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, van de Italiaanse autoriteit een verzoek om bijstand bij de invordering ontvangen heeft (stuk 4 administratief dossier) in het kader van de wederzijdse bijstand inzake de invordering binnen de EEG-lidstaten.

De ambtenaar stelt dat de executoriale titel d.d. 22.10.1997 uitgaat van de bevoegde buitenlandse invorderingsdienst Dispartimento Delle Dogane E Delle II.II. , Dogana Principale di Biella, gevestigd te 13051 Biella en stelt :

"…

Onderhavig proces-verbaal dat in essentie de inhoud opneemt van de executoriale titel van 22 oktober 1997 van de bevoegde buitenlandse invorderingsdienst Dispartimento Della Dogane E Delle II.II., Dogana Principale di Biella, gevestigd te 13051 Biella en welke ter ondersteuning wordt bijgevoegd, zal tezamen met het dwangbevel ter kennis gegeven of betekend worden aan de belastingschuldige.

(...)

Essentie van de executoriale titel : Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid R. & S. gevestigd te …, … als hoofdschuldenaar en de NV G. B. te …, … als garantieverlener is verschuldigd aan de voormelde buitenlandse invorderingsdienst;

Als belasting over de toegevoegde waarde : (940.658.255 Ital. Lire = 19.679.866 frank) negentien miljoen zeshonderd negenenzeventigduizend achthonderd zesenzestig Belgische frank.

Als intresten tot op de dag van huidig proces-verbaal : (747.447.055 Ital. Lire = 15.637.622 frank) vijftien miljoen zeshonderd zevenendertigduizend zeshonderd tweeëntwintig Belgische frank.

Als kosten : nihil

Hetzij samen : (1.688.105.310 Ital. Lire = 35.317.488 frank) vijfendertig miljoen driehonderd zeventien duizend vierhonderd achtentachtig Belgische frank.

Deze zijn te vermeerderen met

De verwijlintresten (...)

Alle vervolgingskosten (...)"

2. Op 30.3.2001 wordt door het BTW-ontvangkantoor Gent I in hoofde van eiseres als hoofdschuldenaar en de NV G. B. als garantieverlener een dwangbevel uitgevaardigd dat geviseerd en uitvoerbaar wordt verklaard op 25.4.2001 uit hoofde van (stuk 1 A.D.) :

- BTW : 19.679.866 frank (940.658.255 Ital. Lire);

- Intresten tot op datum van 18.12.1998 : 15.637.622 frank (747.447.055 Ital. Lire);

Hetzij in totaal : 35.317.488 frank (875.497,65 EUR) (1.688.105.310 Ital. Lire).

3. Op 3.5.2001 worden aan eiseres als hoofdschuldenaar en de NV genaamd G. B., voorheen genaamd G. V. als garantieverlener betekend (stuk 1 eiseres) :

- het dwangbevel d.d.30.1.2001 met bevel tot betaling;

- het proces-verbaal d.d.18.12.1998;

- de Italiaanse executoriale titel d.d. 22.10.1997 (Ingiunzione met bijlage) zonder vertaling in het Nederlands.

4. Op 1.6.2001 werd door eiseres bij exploot verzet aangetekend tegen het dwangbevel.

5. BESPREKING

1. Betreffende de bevoegdheid van de Belgische rechtbank.

Volgens eiseres en tweede verweerster is het dwangbevel nietig omdat de taalwetgeving werd geschonden.

Bijgevolg heeft de betwisting betrekking op de uitvoeringsmaatregelen die in België zijn getroffen zodat krachtens art. 12,3 van de richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15.3.1976 de zaak terecht voor de bevoegde Belgische instantie werd ,gebracht overeenkomstig de Belgische wetgeving.

Onderhavige rechtbank is dan ook bevoegd.

2. Eerste en tweede verweerder laten gelden dat de vordering ten aanzien van de Italiaanse Staat onontvankelijk is.

Aangezien het dwangbevel waartegen verzet werd aangetekend uitgevaardigd werd door de Belgische BTW-ontvanger, weliswaar op verzoek van de Italiaanse Staat, een Belgische uitvoeringsmaatregel is, is de vordering ten aanzien van Italië onontvankelijk.

De vordering ten aanzien van de Italiaanse Staat is dan ook onontvankelijk.

3. M.b.t. de vermeende ongeldigheid van het verzoek tot bijstand vanwege de Italiaanse autoriteit.

3.1. Eiseres eist dat de Belgische autoriteit de vordering opschort aangezien eiseres de betreffende schuld in Italië zou betwisten.

De verplichting in art. 7 van de richtlijn heeft betrekking op de verhoudingen tussen de lidstaten. Zo de vereisten hierin vervat niet vervuld zijn mag de Belgische Staat geen gevolg geven aan het verzoek.

Het louter beweren dat men de schuld ten gronde betwist volstaat niet om te eisen dat de invorderingsprocedure wordt gestaakt, temeer eiseres geen enkel bewijs voorlegt van de betwisting ten gronde voor de Italiaanse rechtbank en de Italiaanse autoriteit in haar verzoek en haar schrijven d.d. 12.6.2002 uitdrukkelijk stelt dat de kwestieuze schuld en de uitvoerbare titel niet worden betwist voor de bevoegde rechtbank in Italië (stukken 4 en 12 eerste en derde verweerder).

3.2. Eiseres stelt dat de Italiaanse autoriteit niet het nodige heeft gedaan om de verschuldigde sommen in te vorderen in Italië.

Eiseres beroept zich op art .14, eerste lid, b richtlijn 76/308 op grond waarvan de aangezochte autoriteit niet gehouden is over te gaan tot invordering van de schuldvordering wanneer de verzoekende autoriteit op het grondgebied van de Lid-Staat waar zij gevestigd is, niet alle middelen tot invordering van genoemde schuldvordering heeft uitgeput.

Eiseres legt hieromtrent geen enkel bewijs voor.

In casu stelt de rechtbank vast dat het verzoek tot invordering van de schuldvordering een verklaring omvatte van de verzoekende autoriteit waarin werd bevestigd dat o.m. voldaan was aan de voorwaarde, dat zij in de lidstaat waar zij gevestigd is de invorderingsprocedure heeft ingesteld en de genomen maatregelen niet hebben geleid tot volledige betaling van de schuldvordering (stuk 4 eerste en derde verweerder). Door het opstellen van het proces verbaal en het dwangbevel mag men aannemen dat deze voorwaarden vervuld zijn. De rechtbank is niet bevoegd om zich in de plaats te stellen van de Belgische Staat.

3.3. Eiseres stelt dat de vordering dramatische gevolgen zou hebben wegens de situatie van de debiteur.

Eiseres beroept zich op art .14, eerste lid, a richtlijn 76/308 op grond waarvan de aangezochte autoriteit niet zou moeten overgaan tot het verlenen van bijstand wanneer de invordering van de schuldvordering, wegens de situatie van de debiteur, ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard zou kunnen opleveren in de Lid- Staat waar hij gevestigd is.

Het komt enkel de aangezochte lidstaat toe om uit te maken of de voorwaarden van art. 14 van de richtlijn zijn nageleefd, zodat eiseres zich hier niet in de plaats kan stellen.

4. Betreffende de schending van de taalwetgeving.

Volgens eiseres en tweede verweerder is het bestreden dwangbevel d.d. 30.1.2001 nietig omdat integraal deel uitmakend van dit dwangbevel zich de buitenlandse titel "ingiunzione" met bijlagen bevindt, onvertaald.

Krachtens art. 8 van de richtlijn 76/308 wordt de door de Italiaanse autoriteit overgelegde titel in voorkomend geval, zo spoedig mogelijk bekrachtigd, erkend, aangevuld of vervangen door een titel die in België uitvoerbaar is en kan het bekrachtigen, erkennen, aanvullen of vervangen niet worden geweigerd wanneer voor de Staat, waarin de Italiaanse autoriteit is gevestigd, de titel in behoorlijke vorm is opgesteld.

In principe verplicht geen enkele wettelijke bepaling de bevoegde Belgische autoriteit om de Italiaanse executoriale titel te voegen bij de Belgische uitvoerbare titel.

De rechtbank stelt vast dat het dwangbevel verwijst naar het proces-verbaal, dat op zijn beurt verwijst naar de “Ingiunzione” die onvertaald bij de Belgische uitvoerbare titel wordt gevoegd. In casu vormt de Italiaanse executoriale titel een wezenlijk onderdeel van het dwangbevel, waarvan de inhoud niet werd opgenomen in het dwangbevel of het proces-verbaal en zonder dewelke eiseres zich geen rekenschap kan geven van wat van haar gevraagd wordt en waarom. Dit is des te meer het geval nu het dwangbevel enkel spreekt van een BTW schuld, de “Ingiunzione” over douanerechten en de bijlagen over landbouwheffingen en BTW.

Aangezien het dwangbevel een buitengerechtelijke akte is en meer in het bijzonder een bestuurlijke akte is de wetgeving inzake taalgebruik in bestuurszaken van toepassing hetgeen impliceert dat een dwangbevel in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands wordt opgesteld. Hetzelfde geldt voor de Italiaanse executoriale titel die er een geheel mee vormt.

Overeenkomstig art. 58 van de gecoördineerde wetten betreffende het gebruik der talen in bestuurszaken is het dwangbevel nietig.

5. De overige grieven dienen niet onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kan leiden.

6. Aangezien de hoofdvordering gegrond is dient de tegenvordering te worden afgewezen gezien ze zonder voorwerp is.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd,

Verklaart de vordering tegen derde verweerder onontvankelijk,

Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond, vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door de Heer C. S. op 30 maart 2001 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 april 2001 door de heer D. B. en betekend op 3 mei 2001 door deurwaarder L. A.,

Veroordeel teers te verweerder tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres :

- kosten dagvaarding : 236,30 EUR (9.452 frank)

- rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR

aan de zijde van eerste en derde verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR

aan de zijde van tweede verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 03 mei 2007, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

M. V., griffier.

M. V. J. D. B.

Textes cités

5
directive 76/308 art. 121 occurrence
directive 76/308 art. 141 occurrence
directive 76/308 art. 31 occurrence
directive 76/308 art. 71 occurrence
directive 76/308 art. 81 occurrence