Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Termonde du 05.06.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
ZITTING VAN : 5 JUNI 2003, 9e KAMER B. Z.
AR 99/1558/A
In de zaak van :
V. G. E., kleinhandelaar in tuingereedschap, wonende te …, …, BTW-nummer BE …, iingeschreven in het handelsregister te Aalst onder het nummer …;
eiser,
verschijnende door Mr. W. D. B., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer E.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1-3;
verweerster,
verschijnende door Mr. J.-P. W., advocaat te …, …;
werden op de openbare terechtzitting van 4 april 2003, partijen gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
In deze zaak verleent de Rechtbank, na beraad, volgend vonnis :
Gezien de stukken waaronder de verzetsakte van 17 juni 1999, welke ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel van 7 januari 1999, uitvoerbaar verklaard op 18 januari 1999, aan eiser ter kennis gebracht op 26 januari 1999, naar rechte niet verantwoord is en dient vernietigd, te zeggen voor recht dat aan eiser ontheffing wordt verleend van alle verschuldigde sommen, belastingen, intresten, verhogingen en boetes, terugbetaling te bevelen van alle reeds betaalde of ingehouden sommen, meer de verwijlintresten of moratoire intresten en verweerder te veroordelen tot de gedingskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding voorzien bij art. 1022 Ger. Wet. en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.
Op 1 april 1998 werd bij V. G. E. op het adres … te …, kleinhandelaar in tuingereedschap, een fiscaal toezicht uitgeoefend inzake de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW over de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996.
De activiteiten van belastingplichtige bestaan in verkoop van machines, verkoop van gereedschap, verhuur van machines en herstelling en onderhoud van machines.
De handelszaak werd opgestart door V. G. E., nadien hielp zijn echtgenote mee, doch vanaf 1996 was het ingevolge ziekte van V. G. E. enkel nog zijn echtgenote en zoon die de handel uitbaatten.
In conclusies van 25 maart 2002 argumenteert V. G. E. dat de facto de handelszaak sedert 1994 niet meer door hem zelf werd uitgebaat, gelet op het feit dat in de periode 1994-1995 door hem veel arbeid werd verricht aan zijn woonhuis. Vanaf juni 1996 kon hij niets meer in de zaak doen wegens ziekte en vanaf dan werd de uitbating volledig verricht door zijn echtgenote en zoon.
Mevrouw B. was aanwezig bij de controles en vermits de facto de uitbating sedert 1994 op haar schouders rustte, is zij bij uitstek degene die het reilen en zeilen in de zaak bijzonder goed moet hebben gekend.
Uit de overgelegde stukken blijkt eveneens dat zijzelf ook instond voor het voeren van de boekhouding. Pas vanaf 22 mei 1998 werd door de belastingplichtige een beroep gedaan op een accountant om hem te vertegenwoordigen tegenover de administratie.
Bij het controlebezoek door de BTW-administratie op 1 april 1998 diende de inspecteur vast te stellen :
- dat de boekhouding niet volledig aanwezig was op het uitbatingsadres, maar wel op het privé-adres,
- er was een "kladboek" aanwezig, dat door de inspecteur bij zijn onaangekondigd plaatsbezoek werd geviseerd op 1 april 1998 en waaromtrent mevrouw B. verklaarde dat het kladboek nadien werd overgeschreven in een "proper" register,
- voor wat de herstellingen betreft, werd op 1 april 1998 door de administratie vastgesteld dat betreffende het onderhoud en de herstelling van de machines "werkfiches" werden opgesteld met detail van aangerekend uurloon en kostprijs onderdeel, doch uit de verklaring van mevrouw B. blijkt dat deze werkfiches of werden weggegooid of werden overhandigd aan de klant en dus geen exemplaar werd bewaard ter staving van de inschrijvingen in het dagboek,
- er werden een aantal onregelmatigheden vastgesteld waar BTW ten onrechte werd afgetrokken bij afwezigheid van een regelmatige factuur, of waar er een beperking van de aftrekregeling niet werd nageleefd of waar ten onrechte BTW werd afgetrokken bij een transactie waarop geen BTW verschuldigd was,
De belastingplichtige stelt dat de verklaringen door mevrouw B. en door mevrouw H. gedaan, dienen te worden "gerelativeerd" en derhalve ook de bewijswaarde en betrouwbaarheid van de elementen van het proces-verbaal moeten worden gerelativeerd.
Tevens is de belastingplichtige van oordeel dat de administratie in boekhouding onmogelijk als niet-bewijskrachtig zou kunnen verwerpen, omdat de werkfiches niet werden bijgehouden en de omzet door de administratie op onrechtmatige en volstrekt arbitraire wijze werd vastgesteld.
Dit alles is niet relevant.
Wel blijkt dat mevrouw B. toegeeft de facto sedert 1994 de handelszaak te runnen; zijzelf stond ook in voor het opvolgen van de boekhouding.
Op het ogenblik der controle bleek dat in onderling overleg, met de BTW-administratie tussen haar en de inspecteur een omzetverhoging van € 22.310,42 (900.000 BEF) voor 1994 werd goedgekeurd, € 14.873,61 (600.000 BEF) voor 1995 werd goedgekeurd en € 14.873,61 (600.000 BEF) voor 1996 werd goedgekeurd.
Het akkoord dat op 20 mei 1998 tussen haar en de belastingadministratie werd gesloten vormt derhalve een buitengerechtelijke bekentenis, zodat eiser gebonden is met betrekking tot deze omzetverhoging.
De administratie heeft naar aanleiding van de controle de met de BTW belastbare output exclusief BTW, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of eigen productieve prestaties, exclusief BTW, zodat berekening zoals geformuleerd in het document "minnelijke inregelstelling" bindend is voor de administratie.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak;
Met inachtneming van de beschikkingen van de wet van 15 juni 1935 en de aanvullende wetten op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 7 januari 1999 ontvankelijk en deels gegrond;
Zegt voor recht dat eiser ontheffing wordt verleend van de verschuldigde sommen, belastingen, intresten, verhogingen en boeten, met uitzondering tot een bedrag van € 11.021,57 (444.609 BEF), meer de intresten vanaf 20 mei 1998;
Wijst het anders of meergevorderde af als ongegrond;
Veroordeelt verweerster als "in het ongelijk gestelde partij" in de zin van art. 1017 Ger. W. tot de kosten van het geding;
Begroot de kosten aan de zijde van eiser tot heden op de som van € 425,14 ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering;
Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling;
Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van VIJF JUNI TWEEDUIZEND EN DRlE van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.
Aanwezig :
M. D. P., rechter, voorzitter van de negende kamer,
K. W., e.a. adj.-griffier.
K. W. M. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.