Tribunal de première instance de Bruxelles, 13 janvier 2010 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 13 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruxelles, 13 janvier 2010Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-2010-01-13-65a5

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
13 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

91 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 13.01.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 33ste Kamer

AR 2003/9733/A

- Varia- Buitencontractuele aansprakelijkheid – overheidsaansprakelijkheid

- op tegenspraak

- eindvonnis

Inzake van :

De heer R. V., wonende te …, ….

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. G. N. loco Mr. V. V. advocaat te·…, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12~vertegenwoordigd door de FOD Financiën, AIOF, Centrale Diensten, Dienst IV/2-Geschillen, wier kantoren gevestigd zijn te 1010 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 61;

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. L. V. H., advocaat te …, …;

In deze zaak, in beraad genomen op 21/12/2009, wordt door de rechtbank volgend

vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- het exploot van dagvaarding van 22/07/2003 op verzoek van eiser betekend aan verweerder;

- de beschikkingen tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 26/05/2008 en 23/06/2008;

- de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 27/10/2008;

- de conclusie en de syntheseconclusie van eiser, neergelegd ter grime op respectievelijk 26/02/2009 en 13/07/2009;

- de stukken van eiser, neergelegd ter griffie op 02/12/2009; en

- de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 27/04/2009 en ter zitting op 21/12/2009.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 21/12/2009, waarna de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Eiser werd op 28/07/1967 het slachtoffer van een arbeidsongeval met blijvende invaliditeit. Deze blijvende invaliditeit had evenwel geen invloed op de geldende loopbaan van eiser en leidde niet tot een inkomensverlies.

Eiser heeft de vergoedingen sinds het aanslagjaar 1969 steeds, conform de relevante bepalingen van het WIB ’64 (art. 32bis) en nadien het WIB 92 (art. 34, § 1, 1°), aangegeven als belastbaar inkomen.

Bij arrest van 09/12/1998 (met nummer … oordeelde het Grondwettelijk Hof (toen nog Arbitragehof) dat het artikel 32bis WIB 92 (huidig artikel 34, § 1, 1° WIB 92) het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel schendt in de mate dat het vergoedingen die ter uitvoering van een door de werkgever gesloten verzekeringscontract worden uitbetaald om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, zonder inkomensderving in hoofde van de genieter, belastbaar stelt. Bij arrest van 30/04/2003 (nummer 55/2003) heeft het Grondwettelijk Hof (toen nog Arbitragehof) op gelijkaardige wijze beslist.

Ingevolge dit arrest van het Arbitragehof werd volgens eiser ten onrechte inkomstenbelasting geheven op de vergoedingen die door hem werden ontvangen.

Voor het aanslagjaar 1998 kon nog een tijdig bezwaar worden ingediend en werd eiser ontheffing verleend. Voor de voorgaande aanslagjaren (1969 tot en met 1997) was dit evenwel niet meer mogelijk.

Eiser is van oordeel dat deze aanslagen met betrekking tot de aanslagjaren 1969 tot en met 1997 schade uitmaken, waarvoor de verwerende partij aansprakelijk is op grond van artikel 1382 B.W.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiser zoals opgenomen in synthesebesluiten strekt ertoe verweerder te horen veroordelen tot herberekening van de betreffende aanslagen (aanslagjaren 1969 tot en met 1997) tegen een door de rechtbank te bepalen datum en dit onder verbeurte van een dwangsom.

In afwachting hiervan dient de zaak naar de rol te worden verzonden.

Verwerende partij besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid, van de vordering.

3. BEOORDELING

3.

3.1. Verweerder werpt in eerste instantie op dat de vordering niet ontvankelijk zou zijn omdat het voorafgaandelijk administratief beroep door eiser niet, werd uitgeput (art. 1385undecies Ger.W.) en dus de onderliggende belastingen definitief werden. Een toepassing artikel 1382 e.v. B.W. wordt uitgesloten, nu in de fiscale wetgeving specifieke bepalingen worden voorzien.

3.2. Eiser vordert in huidige zaak op grond van een vermeende fout van de Belgische Staat, met name de wetgever. Deze vordering is gegrond op artikel 1382 B.W. en is dus op zich geen fiscaal geschil in de zin van artikel 56, eerste lid, 32° en art. 1385decies en undecies Ger. W. Bijgevolg kan deze vordering niet onontvankelijk worden verklaard om de loutere reden dat het voorafgaande administratief beroep niet werd uitgepunt (zie o.m. Gent 02/06/2009, R.A.G.B., 2009, p. 1239, noot en Brussel 02/10/2008, 2006/AR/1658).

Op deze grond is de vordering van eiser dus niet onontvankelijk.

4.

4.1. Verweerder houdt vol dat de vordering van eiser zou verjaard zijn ingevolge artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991.

Een verweer aangaande de verjaring van een vordering raakt de ontvankelijkheid van deze vordering (vgl. A Van Oevelen, “Algemeen overzicht van de, bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgische privaatrecht", T.P.R., 1987 ,p. 1774, nr. 17).

4.2. De verjaring van schuldvorderingen lastens de Staat is van openbare orde (zie arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 90/2007, 20/06/2007, overweging B4).

Artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordelen van de Staat en de provinciën vormt thans artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt :

“Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaring ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen :

1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;

2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd;

3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito-en Consignatiekas",

Krachtens artikel 128 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat wordt de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën opgeheven voor de in artikel 2 van de eerstgenoemde wet vermelde diensten. De inwerkingtreding van deze bepaling werd sindsdien meermaals uitgesteld. Hoe dan ook blijft artikel 100, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing op de schuldvorderingen op de federale Staat die vóór de inwerkingtreding van de wet van 22/05/2003 zijn ontstaan (artikel 131, tweede lid).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in verschillende arresten, op grond van de parlementaire voorbereidingen, dat de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige termijn te onderwerpen, een maatregel heeft genomen die niet in onevenredig verband staat friet het nagestreefde doel, dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten (Grondwettelijk Hof nr. 1/2004 van 14/01/2004, overweging B4; Grondwettelijk Hof nr. 37/2003 van 03/04/2003, overweging B4; Grondwettelijk Hof nr. 64/2002 van 28/03/2002, overweging B5; Grondwettelijk Hof nr. 42/2002 van 20/02/2002, overweging B5; Grondwettelijk Hof nr. 85/2001 van 21/06/2001, overweging B5; Grondwettelijk Hof nr. 75/97 van 17/12/1997, overweging B5; Grondwettelijk Hof nr. 122/2007 van 26/09/2007).

In het arrest van 15/05/1996, bevestigd in het arrest van 20/06/2007, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de in artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijn onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen.

Om dezelfde redenen heeft het Hof in het arrest van 18/10/2006 (nr. 153/2006) vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling eveneens discriminerend is, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijkheid pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.

Deze rechtspraak werd bevestigd door het hof in zijn arrest van 20/06/2007, waarin artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, vergeleken wordt met de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 10 juni 1998.

Het is aan de hoven en rechtbanken om te bepalen of de schade is ontstaan na het verstrijken van de vijfjarige verjaringstermijn en of de schade en identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk konden worden vastgesteld door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld (Grondwettelijk Hof, 20/06/2007, overweging B10).

4.3. Gelei op de algemene bewoordingen van de wet en behoudens andersluidende wettelijke bepaling geldt de vijfjarige verjaringstermijn voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat. Bijgevolg is de vijfjarige verjaringstermijn tevens van toepassing op buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tot vergoeding van schade (in dezelfde zin; Cass., 11/02/2005, Pas. 2005, 350).

Buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen zijn geen vaste uitgaven voor de Staat, zodat zij in beginsel zijn onderworpen aan de overleggingsverplichting bepaald in artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991 (in dezelfde zin Cass. 10 oktober 1996, Arr. Cass.1996, 906)

De eiser houdt niet voor dat de schuldvorderingen, die het voorwerp uitmaken van onderhavig geding, op wettelijke of reglementaire wijze werd overgelegd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van vijf jaar vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Indien buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat niet werden overgelegd, verjaren zij op grond van artikel 100, lid 1, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17/07/1991 na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Bijgevolg moet worden nagegaan wanneer de buitencontractuele schuldvordering lastens de Staat is ontstaan.

4.4. Een schuldvordering ontstaat wanneer zij opeisbaar wordt. In geval van een onrechtmatige daad is dit het geval vanaf het ogenblik dat alle constitutieve bestanddelen aanwezig zijn, met name de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide.

Het recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad ontstaat in de regel vanaf het ogenblik dat de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat. De omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat, doet hieraan geen afbreuk (in dezelfde zin : Cass. 16/02/2006, www.cass.be ).

In voorliggend geval zijn de beweerde schuldvorderingen van eiser ontstaan op het ogenblik dat de belasting werd ingekohierd en het derhalve vaststond dat eiser deze belasting diende te betalen. Op dat ogenblik werd zijn vermogen tot beloop van de belasting verminderd (vgl. Gent 02/06/2009, R.A.G.B., 2009, 1239 met noot).

4.5. De meest recente nog ter discussie staande 'onterechte' belasting werd ingekohierd op 12/06/1998 en aan eiser verzonden op 22/06/1998. Bijgevolg lagen de constitutieve bestanddelen van de vermeende onrechtmatige daad vast in 1998.

Deze vordering ontstond dus in het begrotingsjaar 1998, zodat de vordering diende ingesteld te worden binnen de 5 jaar vanaf 01/01/1998. Op 01/01/2003 verjaarde bijgevolg de laatste der vermeende onterechte aanslagen. Nu de huidige vordering, slechts werd ingesteld bij exploot van dagvaarding van 22/07/2003, zijn de vorderingen wat betreft alle aanslagjaren voor 1997 (dus de volledige vordering van eiser) verjaard.

4.6. Eiser houdt voor slechts in 2000 (circulaire van 10/01/2000 omtrent de toepassing van vernoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof) op de hoogte te zijn gekomen van de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof voor hem. Bovendien werd het arrest van 09/12/1998 (waarbij de ongrondwettigheid van art. 32bis WIB '64 en art 34, § 1, 1° WIB '92 werd vastgesteld) slechts gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19/03/1999. Op dat moment kon hij slechts kennis hebben van deze rechtspraak. De schade kwam pas na die datum tot uiting.

Deze argumentatie kan niet worden gevolgd. De schade van eiser is ontstaan op het ogenblik dat een aanslag werd gevestigd in zijnen hoofde en hij gehouden was om de belasting te betalen. Op dat ogenblik onderging hij de schadelijke gevolgen van de beweerde fout begaan door de Belgische Staat. Ook de identiteit van de aansprakelijke overheid was vanaf dat ogenblik gekend. (vgl Gent 02/06/2009, R.A.G.B. 2009, 1239 met noot)

Het loutere feit dat het Grondwettelijk Hof naderhand in een procedure waarbij eiser geen partij was tot het besluit is gekomen dat de betaalde belasting niet verschuldigd was, omdat de wettelijke grondslag van de betasting in strijd is met de Grondwet, doet hieraan geen afbreuk. Niets kon eiser immers verhinderen om zelf eerder op te komen tegen de belasting en om zelf eventueel een prejudiciële vraag te laten stellen aan het Grondwettelijk Hof.

In dat verband kan tevens verwezen worden naar de gelijklopende problematiek van aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat in geval van vernietiging van een administratieve rechtshandeling door de Raad van State. Dienaangaande wordt aangenomen dat de schade veroorzaakt door een naderhand nietig verklaarde administratieve rechtshandeling ontstaat op het ogenblik van de bestreden rechtshandeling. De wet van 25/07/2008 wijzigde evenwel artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 101 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. Voortaan heeft een beroep tot vernietiging ingediend bij de Raad van State tot gevolg dat de verjaring van de vordering tot herstel van de schade wordt gestuit, en dit in afwijking van de vaststaande rechtspraak. Tevens wordt de verjaring bij toepassing van de wetten inzake rijkscomptabiliteit gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht. Er werd geen analoge schorsings- of stuitingsgrond ingevoerd voor wat betreft annulatieberoepen bij het Grondwettelijk Hof.

Overigens is de argumentatie van eiser onverenigbaar met de werkelijke bedoeling van de bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen ten laste van de Staat, die erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Deze doelstelling zou in gevaar worden gebracht, indien zou worden toegelaten dat belastingplichtigen alle door hen in het verleden betaalde belastingen zouden kunnen terugvorderen onder de vorm van schadevergoeding, wanneer een belastingwet door het Grondwettelijk Hof in strijd wordt geacht met de Grondwet.

Dit wordt in huidige zaak nog duidelijker geïllustreerd door het probleem dat verweerder voor het overgrote deel van de aanslagen niet meer in het bezit is van de stukken. De redenering van eiser volgen zou een totale onzekerheid tol gevolg hebben in verband met termijnen gedurende dewelke fiscale dossiers dienen bewaard te. worden.

5. De volledige vordering van eiser is aldus verjaard en bijgevolg niet ontvankelijk.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

6. Aangezien de vordering van eiser niet ontvankelijk is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiser.

Verweerder vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 3.000,00 euro.

De vordering gesteld door eiser zoals blijkt uit synthesebesluiten is een niet in geld waardeerbare vordering zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op 1.200,00 euro.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser onontvankelijk.

Veroordeelt eiser tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 1.200,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 13 januari 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter,

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. J. V. B.