Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.09.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 35ste Kamer
A.R. 08/1250/A
- BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De vennootschap W. S. LTD., met zetel te London (Groot-Brittannië), …, …, en met vaste inrichting te …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. F. J. en Mr. O. V. B. loco Mr. S. S., advocaat te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de Ea Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, waarvan het kantoor gevestigd is te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 3102.
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat te …, …,
In deze zaak, in beraad genomen op 30/06/2009 , wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :
Daartoe heeft W. UK in Europa en in delen van het midden oosten en Afrika een netwerk van bijkantoren opgericht.
W. UK sluit "S. A." met reisagenten, waarvoor de reisagenten een "S. F." betalen.
Tenslotte hebben W. USA en W. UK onderling een "Services agreement" afgesloten, een overeenkomst van dienstverlening.
In die overeenkomst is bepaald welke verplichtingen W. UK op zich neemt en welke "C. F." het daarvoor krijgt.
De ontvangen "C. F." wijst W. UK omwille van "transfer-pricing" - overwegingen aan elk van haar vaste inrichtingen toe.
Het Belgische bijkantoor van eisende partij sluit namens eisende partij "S. A." met reisagenten in België af en levert marketingdiensten (publiciteit voorbereiden en verdelen, deelnemen aan vakbeurzen enz.).
De inkomsten van het Belgisch bijkantoor zijn de “S. F.” die de Belgische reisagenten betalen en de "intercompany adjustmentsfees" die ze voor haar marketingactiviteiten van W. toegewezen krijgt.
Tijdens de jaren 2004 t.e.m. 2006 ontving het Belgisch bijkantoor respectievelijk € … … …, € … … en € … … aan vergoedingen.
Zoals eerder reeds vermeld meende de BTW Administratie na een controle m.b.t. de periode 1/01/2004 - 31/12/2006 dat eisende partij BTW had dienen aan te rekenen op dienstprestaties, hetgeen deze laatste niet gedaan had en stelden de bevoegde ambtenaren een proces-verbaal op (proces-verbaal d.d. 4/12/2007).
Op 11/12/2007 werd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12/12/2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en aan eisende partij werd betekend op 19/12/2007.
D.m.v. dat dwangbevel vordert verweerder :
BTW in hoofdsom : € …
Geldboete : € …
Interest (0,80 %/maand op de verschuldigde BTW vanaf 21/12/2007)
Moratoire interest op de geldboete vanaf 19/12/2007.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 23/01/2008 betwist eisende partij deze vordering.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering van eisende partij strekt ertoe "het dwangbevel uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV op 11 december 2007 en geviseerd en uitvoerbaar· verklaard op 12 december 2007 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn".
Ondergeschikt beoogt ze de opgelegde BTW boete te horen kwijtschelden, minstens gevoelig te horen verminderen.
Tot slot beoogt ze de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
Nu er geen door de rechtbank ambtshalve op te werken gronden voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk te worden verklaard.
3.2. Gegrondheid
Eisende partij voert aan dat de Fiscale Administratie :
- de diensten van eisende partij ten onrechte als diensten van intellectuele aard en publiciteit beschouwt;
- de plaats van de dienst ten onrechte overeenkomstig art. 21, § 3, 7° W.BTW in Groot-Brittannië bepaalt, namelijk de plaats waar de afnemer van de dienst is gevestigd.
M.b.t. de diensten die door de vaste inrichting van eisende partij in België worden verricht
Eisende partij stelt dat deze diensten ruimer zijn dan diensten van intellectuele aard en publiciteit; het gaat volgens haar om een totaalpakket van diensten.
Zij meent dat de gevolgen op het vlak van de BTW van de uitvoering van de diverse tussen partijen gesloten overeenkomsten afzonderlijk per overeenkomst dienen te worden bestudeerd.
De "S. A." voor de jaren 2004, 2005 en 2006
Op grond van deze overeenkomsten neemt W. UK een aantal verplichtingen op zich (publiciteit voeren, deelnemen aan vakbeurzen, relaties met de plaatselijke- en handelspers onderhouden, diensten verlenen aan subscribers, relaties met overheids- en administratieve diensten onderhouden inzake computerreserveringssystemen, marketingplannen ontwikkelen, de werking en het gebruik van de W. diensten op een adequate wijze uitleggen enz. …).
Uit het dossier blijkt dat er inzake geen discussie bestaat over het feit dat het Belgisch bijkantoor van W. UK een vaste inrichting voor BTW - doeleinden uitmaakt.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de "i. a."die de vaste inrichting in België ontvangt van W. UK voor het leveren van hogervermelde diensten al dan niet aan de BTW onderworpen zijn.
Om hierop een antwoord te formuleren dient de rechtbank eerst de aard van de verleende diensten te kwalificeren.
Eisende partij stelt dat het ontegensprekelijk om "intellectuele diensten" gaat, en verwijst daarvoor o.a. naar een ruling die zij bij de Britse Fiscale diensten bekwam.
Nu deze ruling betrekking heeft op de diensten die eisende partij met zetel in Verenigd Koninkrijk aan de vennootschap W. VSA met zetel in de VSA verrichte op grond van de tussen deze twee afgesloten S. A. is de rechtbank van oordeel dat deze ruling, die overigens niet bindend is voor de Belgische Fiscale Administratie, niet ter zake dienend is wegens betrekking hebbend op een andere feitelijke situatie en andere problematiek.
Artikel 21 W.BTW bepaalt dat :
"§ 1 Een dienst vindt plaats in België als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich in België bevindt.
§2 Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.'
Nu geen van de uitzonderingen op de in art. 21, § 2 W.BTW bepaalde regel inzake toepassing vindt (behoudens de werkzaamheden op het gebied van de reclame (art. 21, § 3, 7° c) W.BTW)) dient inzake de algemene regel van art. 21, § 2 W.BTW te worden toegepast, behoudens voor de diensten op het vlak van reclame die de Belgische vaste inrichting van W. UK deed voor W. UK.
De rechtbank is van oordeel dat eerder opgesomde verplichtingen van de Belgische inrichting van eisende partij geen "intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, ... " is dat verricht werd voor W. UK
Activiteiten van coördinatie, prijsbeleid, marketing, toezicht, contacten met overheden zijn geen intellectuele prestaties als bedoeld in art. 21, § 3, 7°, d) W.BTW.
Zij zijn ook geen diensten op het gebied van reclame, zelfs niet wanneer deze laatste notie ruim zou worden geïnterpreteerd.
Evenwel stelt zich de vraag of de bepalingen van het W.BTW van toepassing (kunnen) zijn op verrichtingen die tot stand worden gebracht tussen een moedervennootschap en haar filiaal, m.a.w. binnen eenzelfde juridische entiteit ?
Uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (H.v.J. 23 maart 2006, C- 210/047 inzake FCE bank) blijkt - weliswaar niet in een qua feiten gelijkaardige zaak - dat binnen één en dezelfde rechtspersoon er geen sprake kan zijn van diensten onder bezwarende titel voor BTW in de mate dat het bijhuis "economisch" geen risico draagt.
In die zaak oordeelde het Hof dat het bijkantoor niet over een dotatiekapitaal beschikte zodat het bedrijfsrisico volledig bij de moedervennootschap berust.
In het aan de rechtbank voorgelegde geschil staat het vast dat het om prestaties gaat die door een vaste inrichting aan de hoofdzetel worden verstrekt.
Er wordt op geen enkele wijze aangetoond door de Fiscale Administratie dat de Belgische vaste inrichting autonoom is en het bedrijfsrisico draagt.
De geviseerde diensten vallen dan ook niet binnen de toepassingssfeer van de BTW (H.v.J. 23 maart 2006, C-210/047 inzake FCE bank; zie ook MASSIN, I., "Prestaties tussen hoofdzetel en bijkantoor vallen buiten de BTW", Fisc., 2006, nr. 1023, 5).
De vordering van eisende partij is op dit punt bijgevolg gegrond.
De S. A.
Deze overeenkomsten die door W. UK met reisagenten worden afgesloten hebben als doel de reisagenten toegang te verlenen tot het W. systeem, m.a.w. de database in de V.S.A.
Daarbij wordt hard- en software geleverd aan de reisagenten.
De reisagent betaalt daarvoor een "subscriber fee".
Dat deze diensten in België onder bezwarende titel verleend werden staat niet ter discussie. Voor deze diensten werd, zo blijkt uit het dossier, aan de Belgische reisagentschappen steeds een factuur met Belgische BTW uitgereikt.
M.b.t de opgelegde geldboeten
Nu de BTW ten onrechte werd opgelegd kan niet anders geconcludeerd dat de erop betrekking hebbende boetes ten onrechte werden opgelegd.
De vordering van eisende partij dient bijgevolg gegrond te worden verklaard.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
De waarde van de vordering situeert zich boven € ….
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € ….
Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit bedrag kan dit bedrag worden toegekend.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;
Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond;
Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV op 11 december 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 december 2007;
Zegt voor recht dat de in het vernietigde dwangbevel vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn door eisende partij;
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij begroot op € … rechtsplegingsvergoeding;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 22 september 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. L., rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I.D. M. L.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.