Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 18.11.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 22ste kamer
AR 07/433/A
Betaling - Eindvonnis
Deels bij verstek deels op tegenspraak
Inzake van :
De Ltd. P. T., vennootschap naar Engels recht, met zetel te …, …, Company Registration nr. …;
eiseres,
Vertegenwoordigd door Mter M. loco Mter H., advocaat te …, …;
tegen :
De NV A. T. B., met zetel te …, …, KBO nr. …;
verweerster,
vertegenwoordigd door Mter D., advocaat te …, …;
En inzake van :
De NV A. T. B., met zetel te …, …, KBO nr. …;
eiseres in gedwongen tussenkomst,
vertegenwoordigd door Mter D., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door zijn Minister met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
verweerster in gedwongen tussenkomst,
niet verschijnend, noch vertegenwoordigd;
In deze zaak, in beraad genomen op 10 juni 2008, spreekt de rechtbank het volgend vonnis uit :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde procedurestukken, inzonderheid :
- het tussenvonnis op 27 november 2007 gewezen door de 22ste kamer van deze rechtbank en de eraan voorafgaande procedurestukken;
- de gerechtsbrief "art. 803 Ger.W." die op 28 april 2004 aan de Belgische Staat, FOD Financiën verstuurd werd met het oog op de zitting van 10 juni 2008;
- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 22.02.08;
- de besluiten van verweerster, neergelegd ter griffie op 29.01.08 en op 31.03.08;
Gehoord de raadslieden van partijen in hun pleidooien ter zitting van 10 juni 2008, datum waarop de stavingsstukken neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Relevante feiten en voorgaanden
Zoals reeds overwogen werd in het tussenvonnis van 27 november 2007 van de 22ste kamer van deze rechtbank, kocht de Ltd. P. T. op 6 februari 2003 30.000 "Tempo Recharge 15 - Mobistar" kaarten (zogenaamde "prepaidkaarten") bij de NV A. T. B., voor 333.600 EUR. Zij betaalde bovenop deze prijs de transportkosten voor 565 EUR, zodat de totale prijs 334.165 EUR bedroeg.
Hiervoor heeft de NV A. T. B. op 10 februari 2003 een pro forma factuur nummer 2184 opgesteld.
Na betaling via Barclays International payment Service op 11 februari 2003 op de rekening van de NV A. T. B., heeft de NV A. T. B. op 13 februari 2003 een factuur nummer … opgesteld en werden de kaarten aan de Ltd. P. T. geleverd.
Op 7 maart 2003 deed de Ltd. P. T. opnieuw een aankoop bij de NV A. T. B., ditmaal van 40.000 "Tempo Recharge 15 - Mobistar" kaarten voor 444.800 EUR. De transportkosten bedroegen 626 EUR, wat resulteerde in een totaalprijs van 445.426 EUR, zoals blijkt uit de pro forma factuur nummer … van de NV A. T. B..
Dit bedrag werd door de Ltd. P. T. op 13 maart 2003 betaald aan de NV A. T. B. via Barclays International Payment Service.
Na deze betaling door de Ltd. P. T., werd door de NV A. T. B. telefonisch meegedeeld dat zij van mening was dat zij mogelijk ten onrechte geen Belgische BTW had aangerekend op deze verkopen. De Ltd. P. T. kon hiermee niet instemmen. De NV A. T. B. weigerde de 40.000 prepaidkaarten te leveren en verbrak deze tweede verkoop van de prepaidkaarten.
Op 21 maart 2003 stelde de NV A. T. B. een kredietnota met nummer … op voor de door de Ltd. P. T. betaalde 334.165 EUR voor de eerste verkoop van 30.000 prepaidkaarten, samen met een nieuwe factuur nummer … voor deze verkoop, voor 334.165 EUR, meer de BTW ten bedrage van 21 % zijnde 70.174,65 EUR of een totaal van 404.339,65 EUR.
Aangezien de tweede verkoop niet doorging, diende de NV A. T. B. in principe 445.426 EUR aan de Ltd. P. T. terug te betalen, namelijk de door de Ltd. P. T. voor de tweede verkoop reeds betaalde prijs.
Evenwel heeft zij slechts 375.251,35 EUR terugbetaald. Dit verschil van 70.174,65 EUR dat de NV A. T. B. aldus inhield van de betaling door de Ltd. T. C. voor de tweede verkoop, komt overeen met 21 % van het bedrag van de eerste verkoop, waarvan de NV A. T. B. voorhield dat dit bedrag mogelijk verschuldigd was als BTW.
De NV A. T. B. verantwoordde deze inhouding in een telefax die op 24 maart 2003 aan de Ltd. T. C. werd verzonden met de mededeling : "(...) Dur VAT office will check this special case and, in case we do not have to apply this VAT, we shall than (sic) refund the VAT amount of 70.174,65 EUR (. ..)."
Tot op heden mocht de Ltd. T. C. geen terugbetaling ontvangen van dit door de NV A. T. B. ingehouden bedrag, ondanks de aanmaningen en protesten die zij hiertoe aan de NV A. T. B. verzond.
Bij verwijzingsvonnis van 21 december 2006 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd de zaak doorverzonden naar deze rechtbank.
Vervolgens werden met het reeds aangehaalde tussenvonnis van 27 november 2007 de debatten heropend, in volgende termen : "beslissend op tegenspraak en in eerste aanleg, alle strijdige en meeromvattende conclusies verwerpend,
verklaart de vordering ontvankelijk doch alvorens verder te oordelen ten gronde, beveelt de heropening der debatten ter zitting van 10 juni 2008 voor een pleidooiduur van 50 minuten, teneinde partijen toe te laten aanvullend te concluderen over volgende punten :
- de eventuele wenselijkheid van aanwezigheid van de Fiscus in de procedure;
- de fiscale behandeling van de contracten van 6 februari en 7 maart 2003, en desgevallend het gevolg dat partijen hieraan gegeven hebben.
(...)
houdt de zaak voor het overige aan, met inbegrip van het oordeel over de kosten;
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep;"
Naar aanleiding van de heropening der debatten heeft A. de Belgische Fiscus in vrijwaring geroepen, doch deze laat verstek gaan.
2. Vorderingen van de partijen
Thans vraagt eiseres de zaak te verwijzen naar een fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;
De vordering van de Ltd P. C. ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Te zeggen voor recht dat verweerster ten onrechte een bedrag van 70.174,65 EUR heeft ingehouden;
Te zeggen voor recht dat over de verkopen van prepaidkaarten door verweerster aan de Ltd P. C., zoals omschreven, geen Belgische BTW opeisbaar is;
Minstens te zeggen voor recht dat verweerster en de Ltd P. C. contracten hebben gesloten op 6 februari 2003 voor een prijs van 333.600 EUR meer 565 EUR transportkosten, en op 7 maart 2003 voor een prijs van 444.800 EUR meer 626 EUR transportkosten zonder vermeerdering met enige kost of belasting en dat verweerster hierop dan ook onterecht een prijsverhoging toepast bestaande uit het bedrag van de Belgische BTW;
Te zeggen voor recht dat verweerster eenzijdig en onrechtmatig de tweede overeenkomst tot verkoop door verweerster aan de Ltd P. C. van 40.000 prepaidkaarten heeft verbroken;
Verweerster te veroordelen tot betaling aan de L.td P. C. van :
- 70.174,65 EUR als terugbetaling van het saldo van de door de Ltd P. C. betaalde prijs van de tweede verkoop van "prepaid kaarten", te verhogen met de moratoire interesten vanaf de aanmaning en ingebrekestelling d.d. 24 mei 2003 tot de dag van dagvaarding op 12 maart 2004 en vanaf de datum van dagvaarding met de gerechtelijke interesten, alle gerekend aan de wettelijke interestvoet
- 65.212,30 EUR, zijnde de winstmarge die de Ltd P. C. zou hebben gerealiseerd bij de verkoop van de 40.000 "prepaid kaarten" à 15 EUR aan de eindconsument in het Verenigd Koninkrijk, rekening houdend met een BTW-tarief van 17,5 % in het Verenigd Koninkrijk, dit ingevolge de onterecht en eenzijdig door verweerster verbroken tweede verkoop, ter derving, rechtstreeks en onrechtstreeks, van de winst ten aanzien van deze tweede verkoop, waarvoor verweerster onterecht heeft afgezien van levering, meer de gerechtelijke interesten;
De vordering op tegeneis van verweerster onontvankelijk, minstens ongegrond, te verklaren;
Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Ltd P. C. begroot op 251,01 EUR aan dagvaardingskosten en op aan 5.000 EUR rechtsplegingsvergoeding, samen 5.251,01 EUR.
Van haar kant vraagt de NV A. T. B. de rechtbank van eerste aanleg te Brussel :
(1) Rechtdoende op het tussenvonnis :
Vast te stellen dat eiseres geen gevolg gaf aan het tussenvonnis, waarin werd verzocht dat partijen “een attest van hun nationale fiscale administratie zouden voorleggen, waarin beschreven is op welke wijze de contracten van 6 februari en 7 maart 2003 belast werden, of zij al dan niet bezwaar hebben aangetekend tegen deze fiscale behandeling, en wat desgevallend de afloop van een dergelijke procedure was” zodat er besloten moet worden dat er geen BTW verschuldigd was in het Verenigd Koninkrijk, en er zodoende door de NV A. T. terecht Belgische BTW werd ingehouden zodat de eis van Eiseres ongegrond is.
(2) En dienvolgens :
a) Hoofdvordering :
- Te horen zeggen voor recht dat verweerster op hoofdeis terecht de Belgische BTW heeft toegepast op de verkoopovereenkomsten die zij gesloten heeft met eiseres op hoofdeis;
- Te horen zeggen voor recht dat eiseres op hoofdeis eenzijdig of toch minstens wederzijds de overeenkomst tot verkoop door verweerster aan eiseres van 40.000 prepaid kaarten heeft verbroken;
- Dienvolgens, de vorderingen van eiseres op hoofdeis af te wijzen;
- Alleszins indien de Belgische staat zou gehouden zijn tot betaling aan eiseres van de ingehouden BTW, de vordering van eiseres op hoofdeis tegenover de NV A. T. zonder voorwerp te verklaren en te bevestigen dat de NV A. T. niet tot enige betaling in hoofdsom, interesten, of schadevergoeding van welke aard ook gehouden is;
b) Tegenvordering :
- Verweerster op tegeneis tot betaling te veroordelen van 25.000 EUR, ten provisionele titel begroot, onder voorbehoud van verdere aanvullende begroting, ter derving, rechtsreeks en onrechtstreeks van de winst ten aanzien van de tweede verkoop van prepaid kaarten, waarvoor eiseres onterecht de levering heeft geweigerd;
c) Dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring :
- akte te nemen van het feit dat de NV A. T. instructie heeft gegeven de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in deze zaak te dagvaarden in tussenkomst en vrijwaring; en recht te doen zoals gevorderd in de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring;
d) Rechtsplegingsvergoeding :
- Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding die begroot werd op 5.000 EUR.
Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
Tenslotte heeft de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door zijn bevoegde Minister, niet geconcludeerd.
3. In Rechte
3.1. Over het verzoek van eiseres om de zaak te verwijzen naar een fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel
Thans vraagt eiseres de zaak te verwijzen naar een fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, hetgeen zij niet gevraagd had naar aanleiding van de eerste pleidooien.
Vooreerst geldt dat de verdeling der zaken niet tot de bevoegdheid van de kamervoorzitter behoort, maar enkel aan de voorzitter van de rechtbank toekomt.
Artikel 88, § 2 Ger. W. bepaalt in dat verband
“Art. 88, § 1. (...)
§ 2. Incidenten in verband met de verdeling van de burgerlijke zaken onder de afdelingen, kamers of rechters van een zelfde rechtbank van eerste aanleg worden op de volgende manier geregeld :
Indien een zodanig incident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve wordt uitgelokt, legt de afdeling, de kamer of de rechter het dossier voor aan de voorzitter van de rechtbank die oordeelt of de zaak anders moet worden toegewezen.
(...)”
Er dient vastgesteld te worden dat eiseres het incident niet uitgelokt heeft vóór ieder ander middel, en dat in elk geval de kamervoorzitter de zaak alleen maar zou kunnen voorleggen aan de voorzitter van de rechtbank, teneinde te beslissen over een eventuele herverdeling.
Voorts zijn de debatten enkel heropend teneinde partijen toe te laten te antwoorden op twee zeer concrete vragen, met name de eventuele wenselijkheid van aanwezigheid van de Fiscus in de procedure en de fiscale behandeling van de contracten van 6 februari en 7 maart 2003, en desgevallend het gevolg dat partijen hieraan gegeven hebben.
De vraag van eiseres gaat het kader van de heropening der debatten te buiten.
Het verdelingsincident is zodoende om twee redenen onontvankelijk, en de rechtbank ziet ook geen redenen om ambtshalve een verdelingsincident op te werpen.
3.2. Ten gronde
Partijen dienden uitleg te verschaffen over de fiscale behandeling van de contracten van 6 februari en 7 maart 2003, en desgevallend het gevolg dat zij hieraan gegeven hebben.
A. T. toont aan de hand van boekhoudkundige stukken aan dat zij de transacties heeft opgenomen in haar BTW-aangifte, en de BTW daadwerkelijk betaalde.
Dit is in overeenstemming met de beslissing E.T. 104.812 van 18 maart 2003 van de Belgische BTW-administratie.
Daarentegen heeft eiseres ontwijkend geantwoord op de vragen die de rechtbank gesteld heeft bij de heropening der debatten.
Zij toont niet aan dat zij in het Verenigd Koninkrijk BTW betaald heeft, noch dat zij deze aldaar zou verschuldigd geweest zijn.
Nu A. aantoont de BTW te hebben voldaan en P. niet ingaat op de vraag of zij in het Verenigd Koninkrijk de BTW zou voldaan hebben, heeft A. niet foutief gehandeld en de contractvoorwaarden niet gewijzigd door alsnog BTW aan te rekenen voor beide transacties. Zij handelde niet onredelijk door de schuldvergelijking toe te passen bij de teruggave naar aanleiding van het verbreken van het tweede contract.
3.3. Over de tegeneis
Door te weigeren de BTW te voldoen, heeft P. T. een contractuele fout begaan. A. had daarop het recht te weigeren om de telecards van de tweede transactie te leveren.
A. kan tevens schadevergoeding vragen voor deze contractuele wanprestatie van P. T..
De gevorderde winstderving van 25.000 € op een contract van 444.800 € is niet overdreven.
Deze schadevergoeding wordt evenwel ten definitieve titel toegekend, en niet slechts provisioneel : A. heeft immers tijd en kans genoeg gehad aan te tonen dat haar schade eventueel groter zou zijn dan de gevorderde 25.000 €, en zij levert dit bewijs niet.
De voorheen gestelde vraag tot schadevergoeding voor gerechtelijke bijstand is achterhaald door de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, waarover verder meer. A. blijkt deze eis dan ook terecht niet meer te handhaven.
3.4. Vrijwaring door de Belgische Staat
Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat de vrijwaringsvordering ten aanzien van de Belgische Staat zonder voorwerp geworden is.
3.5. De uitvoerbaarheid
De aard van de zaak en het gevaar dat de vordering loopt door de houding van P. T. brengen met zich mee dat de gevraagde uitvoerbaarverklaring van het vonnis kan toegestaan worden, zonder dat echter aangetoond is dat vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt, zodat een verbod van kantonnement niet aangewezen is.
3.6. De kosten
Partijen werden ter zitting in de mogelijkheid gesteld om aan te voeren of er redenen bestonden om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding zoals vastgesteld bij KB van 26 oktober 2007 ingevolge de wetswijziging van art. 1022 Ger.W. bij Wet van 21 april 2007. Er werden dienaangaande geen middelen uiteengezet zodat P. T. veroordeeld wordt tot betaling van de basisrechtsplegingsvergoeding, door partijen begroot op 5.000 €.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Beslissend bij verstek ten aanzien van de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door zijn bevoegde Minister, verweerder in tussenkomst en vrijwaring, en op tegenspraak en in eerste aanleg ten aanzien van de overige partijen, alle strijdige en meeromvattende conclusies verwerpend,
Verklaart het verdelingsincident onontvankelijk en wijst dit middel af;
Verklaart de hoofdvordering die reeds eerder ontvankelijk werd verklaard, thans ongegrond en wijst deze af;
Verklaart de vrijwaringsvordering ontvankelijk doch stelt vast dat deze zonder voorwerp is geworden en wijst deze af;
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk en gegrond in hierna bepaalde mate :
Veroordeelt verweerster op tegeneis, de vennootschap naar Engels Recht Ltd T. C., om aan de NV A. T. B., eiseres bij tegeneis, 25.000 € te betalen ten definitieve titel;
Wijst het meergevorderde af.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep;
Veroordeelt de vennootschap naar Engels Recht Ltd T. C., tot de gerechtelijke intresten sinds 7 februari 2005 en tot de kosten van de procedure, begroot op 5.000 euro (rpv) + 227,95 euro (dagv in tussenkomst) in hoofde van NV A. T. B.;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 22ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 18 november 2008.
Waar aanwezig waren en zitting hadden :
De Heer W. T., rechter,
Mevrouw C. K., griffier
C. K. W. T.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.