Tribunal de première instance de Bruxelles, 9 mars 2007 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 9 mars 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruxelles, 9 mars 2007Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-2007-03-09-9816

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
9 mars 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 09.03.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL 33ste Kamer

AR 2006/12049/A

- Fiscale zaken : BTW

- op tegenspraak tegenover verweerder en bij verstek geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen tegenover eiseres (art. 751 Ger. W)

- eindvonnis.

In zake van :

Mevrouw L. C.-L., wonende te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,

eisende partij,

Die niet verschijnt, noch vertegenwoordigd wordt,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit - sector BTW met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : / …),

In deze zaak, in beraad genomen op 9 februari 2007, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het exploot d.d. 28 mei 2001 van het ambt van gerechtsdeurwaarder d. M. met standplaats te …, houdende verzet tegen een dwangbevel d.d. 26 april 2001 en tevens dagvaarding van verweerster om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven,

• de conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 19 december 2005,

• het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 29 september 2006, waarbij de zaak verwezen werd naar deze rechtbank,

• de vaststelling bij gerechtsbrief op grond van artikel 751 van het gerechtelijk wetboek, aangeboden ten huize van eiseres in haar afwezigheid, doch niet afgehaald op het postkantoor.

De raadsman van verweerster werd gehoord ter openbare zitting van 9 februari 2007, waarna hij een bundel met stavingstukken heeft neergelegd. De zaak werd vervolgens in beraad genomen. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is eiseres ter zitting niet verschenen, noch werd zij vertegenwoordigd.


1. FEITEN

Eiseres staat geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE … voor haar activiteiten van klein- en groothandel in diverse artikelen.

In een proces-verbaal van 18 april 1997 heeft de bevoegde ambtenaar van de administratie der Douane en Accijnzen vastgesteld dat eiseres twee partijen goederen - respectievelijk 500 en 730 kartons T-shirts - onttrokken had aan de regeling douanevervoer.

De als BTW, boetes en interesten door eiseres verschuldigde bedragen werden vastgesteld in een proces-verbaal van 24 april 2001. Op 26 april 2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op dezelfde dag werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het dwangbevel d.d. 26 april 2001 te horen vernietigen, minstens de tenuitvoerlegging ervan te horen verbieden. In ondergeschikte orde vordert eiseres de behandeling van het geding te horen 'aanhouden' tot op het ogenblik dat de strafrechter uitspraak zal hebben gedaan over de vordering ingesteld door de administratie van de Douane en Accijnzen op grond van het, proces-verbaal van 18 april 1997.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

Het enige door eiseres ingeroepen middel is gesteund op artikel 4 van de Voorbereidende Titel van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan de burgerlijke vordering wordt geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering.

Nu eiseres vervolgd werd voor de correctionele rechtbank te Antwerpen wegens inbreuken op de douanereglementering, kon volgens haar de BTW, verschuldigd op grond van dezelfde inbreuken, niet worden ingevorderd zolang de strafrechter zich niet definitief had uitgesproken.

Verweerder legt een afschrift neer van een arrest van het Hof van Cassatie d.d. 20 april 2004 waarbij de cassatiemiddelen van eiseres tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 9 april 2003 werden verworpen, waardoor de veroordeling van eiseres door het arrest van 9 april 2003 wegens 'de invoer zonder aangifte, door onttrekking aan de doorvoer, van goederen waarvan voor de invoer een invoervergunning en een oorsprongcertificaat vereist zijn, namelijk :

A. 500 kartons T-shirts ter waarde van 2.363.000 BEF waarop een invoerrecht van 12,5 % of 295.377 BEF verschuldigd is en

B. 730 kartons T-shirts ter waarde van 3.488.999 BEF waarop een invoerrecht van 12,5 % of 436.125 BEF verschuldigd is' definitief is geworden.

Bijgevolg werd over de strafvordering definitief geoordeeld zodat het door eiseres ingeroepen middel, zelfs in de hypothese dat het oorspronkelijk gegrond zou zijn geweest, thans zonder voorwerp is geworden.

Bovendien worden de in het proces-verbaal van 24 april 2001 weerhouden feiten thans definitief bevestigd door het gezag van gewijsde van voormeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen.

Vermits geen andere middelen worden ingeroepen en het dwangbevel van 26 april 2001 werd opgesteld overeenkomstig de voorgeschreven vormen, dient de vordering ongegrond te worden verklaard.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak tegenover verweerder en bij verstek geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen tegenover eiseres,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, begroot op € 364,40 rechtsplegingsvergoeding en € 60,73 aanvullende rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerder en op € 143,80 dagvaardingskosten aan de zijde van eiseres.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 9 maart 2007

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H., rechter

Mevrouw I. D., griffier

I. D. P. H.