Parcours procédural
2 étapes · 6 ans 6 mois- Décision affichéeTribunal de première instance de Bruxelles28.06.2002
- Décision sur appelCour d'appel de Bruxelles22.01.2009
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 28.06.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL
A.R. 00/13805/A
Inzake van :
Het V. G., en
De V. G., beide vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Minister President van de Vlaamse Regering, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19.
eisers,
vertegenwoordigd door Mr. K. R., advocaat, met kantoor te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, BTW-administratie in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat 7 (Zaveltoren) (16e verdieping),
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. S. H. loco Mr. J. H., advocaat, met kantoor te …, ….
Deze zaak, in beraad genomen op 14 juni 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van P. D. S., plaatsvervangend gerechtsdeunvaarder van gerechtsdeurwaarder W. C. te …, betekend op verzoek van eerste eiser op 22 november 2000;
- het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van tweede eiseres, neergelegd ter zitting van 14 juni 2002;
- de beschikking "art. 747, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 21 september 2001;
- de besluiten en aanvullende en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 18 mei 2001 en op 8 februari 2002;
- de besluiten van eisers, neergelegd ter griffie op 12 december 2001.
Verweerder verklaart zich te beperken tot zijn aanvullende en synthesebesluiten.
Gehoord ter openbare zitting van 14 juni 2002 de raadslieden van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
Bij authentieke akte van 22 maart 1994 hebben het V. G. en de V. G., huidige eisers, een onroerend goed verworven, gelegen te …, …, het zg. Hotel 'E.', met het oog op het creëren van een ambtswoning voor hun minister-president. Zij voerden belangrijke renovatiewerken uit aan dit onroerend goed.
Op 2 mei 1994 schreven het V. G. en de V. G. de Centrale Administratie van de BTW aan, en meenden zij van deze administratie op 30 mei 1994 de uitdrukkelijke bevestiging te hebben ontvangen dat deze werken konden gebeuren tegen het verminderde tarief van 6 % (in plaats van het gewone tarief van 20,5 % (voor de jaren 1994 en 1995) of 21 % (vanaf 1 januari 1996).
Op 17 november 1998 werd een ontwerp van proces-verbaal ter regularisatie overgemaakt aan het V. G. en de V. G., waarin de Belgische Staat, huidig verweerder, oordeelde dat het gebruik door hen van het gebouw in de Koningsstraat niet beantwoordde aan de aangekondigde bestemming van ambtswoning. Daaruit leidde de Belgische Staat af dat ten onrechte toepassing was gemaakt van het verlaagde tarief van 6 %.
Op 16 maart 1999 werd het proces-verbaal opgesteld.
Bij de regularisatieopgave inzake BTW werd aan het V. G. en de V. G. gemeld dat een bedrag van … euro (… BEF) als BTW werd aangerekend, vermeerderd met … euro (… BEF) aan verminderde proportionele fiscale geldboeten.
Op 23 september 1999 werd een dwangbevel met nummer … uitgevaardigd lastens het V.G. en de V.G..
Op 11 oktober 1999 werd het dwangbevel betekend aan het V.G. en de V.G..
Op 22 november 2000 ging het V.G. over tot betekening van een exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.
Op 14 juni2002 legde de V.G. een proces-verbaal van vrijwillige verschijning.
III. IN RECHTE
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eisers vragen hun verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :
- voor recht te zeggen dat het dwangbevel met nummer …, betekend door verweerder op 11 oktober 1999, nietig is en geen gevolgen kan sorteren;
- verweerder te veroordelen aan hen alle ten onrechte geïnde bedragen terug te storten, te vermeerderen met de interesten.
Verweerder besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondverklaring van het verzet van eisers.
B. BEOORDELING
Volgens eisers dient te worden aangenomen dat, indien de fiscale administratie in de commentaar bij de toepassingsvoorwaarden van het verlaagde tarief als definitie van eindverbruiker geeft : de persoon die een zakelijk of een persoonlijk recht bezit op het woonhuis en die dit laatste gebruikt, geheel of gedeeltelijk als privé-woning zonder van dergelijke woning een specifieke exploitatie of het verlengstuk van een professionele activiteit te maken, de administratie aanvaardt dat ook een publiekrechtelijke rechtspersoon kan worden beschouwd als een eindverbruiker voor de toepassing van het gunstig regime van renovatie of rehabilitatiewerken.
Eisers zijn van oordeel dat het verlaagde tarief van 6 % dan ook van toepassing is op de werken uitgevoerd aan een gebouw dat aan een bestuur, een overheid of een openbare instelling toebehoort, wanneer het gaat om ambtswoningen of conciërgewoningen die de overheid ter beschikking stelt.
Daarbij is volgens eisers niet vereist dat er een fulI-time bezetting van het gebouw voorhanden zou zijn. Een dergelijke bezetting is, naar hun oordeel, noch door de reglementering, noch door de administratieve commentaar vereist. Door aldus te redeneren, voegt verweerder, naar hun oordeel, een voorwaarde toe aan de wettelijk bepaalde voorwaarden.
Eisers menen dat het volstaat om het verlaagde tarief te genieten dat het gebouw effectief bestemd is om hoofdzakelijk als ambtswoning te dienen. Dit is naar hun oordeel het geval, nu het gaat om een gebouw met een bestemming van en een daadwerkelijk gebruik als woonst, en het gebouw niet wordt gebruikt voor enig administratief gebruik, noch voor industrie, handel, landbouw of de uitoefening van een vrij beroep.
Nu de ambtswoning met toebehoren eigen aan het ambt een woning blijft, menen eisers dat deze in aanmerking komt voor het verlaagde BTW-tarief.
De rechtbank stelt vast dat de Bijlage A, rubriek XXXI, van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven het volgende bepaalt :
"§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt;
3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;
4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig artikelen 400 en 401van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve ingeval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief”.
In eerste instantie stelt verweerder met reden dat eisers zich ten onrechte beroepen op het schrijven van 30 mei 1994 van de Centrale Administratie van de BTW. In dit schrijven is er sprake van de mogelijkheid om het verlaagde BTW-tarief van 6 % te genieten :
"Werk in onroerende staat dat de renovatie van een gebouw tot voorwerp heeft, kan het verlaagde BTW-tarief van 6 % genieten wanneer alle voorwaarden van tabel A, rubriek XXXI, van de bijlage bij het K.B. nr. 20, inzake BTW-tarieven, vervuld zijn".
Bovendien preciseert verweerder in dit schrijven dat een overheidsgebouw dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de huisvesting, d.w.z. in dag- en nachtverblijf, van een minister of, meer algemeen, van een persoon die een ambt bekleedt of die aangesteld is in openbare dienst, voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 % als een woning wordt aangemerkt.
Verweerder leidt daaruit terecht af dat het verlaagde BTW-tarief van 6 % kan worden toegepast op de renovatie- en restauratiewerken aan het Hotel E. voor zover dit gebouw uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de huisvesting, in dag- en nachtverblijf, van de minister-president van de Vlaamse regering.
Het komt aan eisers toe te bewijzen dat alle voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde BTW-tarief vervuld zijn. Zij dienen met name aan te tonen dat aan de voorwaarde van privé-bewoning/huisvesting is voldaan.
Wat de voorwaarde van privé-bewoning/huisvesting in dag- en nachtverblijf van de minister-president betreft, dient de rechtbank vast te stellen dat eisers volkomen in gebreke blijven aan te tonen dat aan deze voorwaarde is voldaan.
Ter zake stelt de rechtbank vast dat verweerder een aantal belangrijke tegenindicaties voorlegt.
Zo verwijst verweerder naar de brochure 'Hotel E. - Ambtswoning van de Vlaamse regering' van juli 1998, waarin werd gezegd dat alle leden van de Vlaamse regering daarvan gebruik zullen maken. Ook de secretarissen-generaal en de leidende ambtenaren van het ministerie van de V.G. en de Vlaamse openbare instellingen, evenals derden voor activiteiten met een uitgesproken Europees of internationaal karakter kunnen gebruik maken van het Hotel E..
Verder wijst verweerder erop dat het gebouw ook voor administratief gebruik wordt aangewend, nu uit de facturen blijkt dat een inkombalie, vertaalinfrastructuur en micro-inbouwtafel, tolkeninfrastructuur werd geïnstalleerd en aansluitingen voor de media (radio en televisie) werden voorzien. In weerwil van wat eisers voorhouden, wijzen deze voorzieningen wel degelijk op een andere bestemming en gebruik dan uitsluitend of hoofdzakelijk privé-bewoning.
Het is dan ook met reden dat verweerder stelt dat eisers geenszins aantonen dat het gebouw een huis is met een uitsluitende of hoofdzakelijke bestemming van woonst en dat het inderdaad deze affectatie heeft verkregen. Het spreekt voor zich dat de verklaring van de voormalig minister-president van de Vlaamse regering van 14 juni 1994 in die zin ter zake onvoldoende is (een partij kan zich immers in rechte niet op een zelf gecreëerd bewijs beroepen).
In tegenstelling tot wat eisers voorhouden, volstaat het geenszins dat het gebouw effectief bestemd is om hoofdzakelijk als ambtswoning te dienen. Het is immers niet de bestemming, maar wel het daadwerkelijk gebruik, dat ter zake doorslaggevend is;
Ten slotte treedt de rechtbank nog verweerder bij, wanneer hij stelt dat hij geen bijkomende voorwaarde stelt aan de wettelijk bepaalde voorwaarden. Zo heeft verweerder nooit gesteld dat voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % een full-time bezetting vereist is.
Derhalve dient de vordering van eisers te worden afgewezen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,
Verleent de V.G. akte van haar vrijwillige tussenkomst.
Verklaart de vordering van het V.G. en de V.G. ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt het V.G. en de V.G. tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van de Belgische Staat op … euro (rechtsplegingsvergoeding) en in hunnen hoofde op … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 28 juni 2002
Waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer V., alleenrechtsprekend rechter,
mevrouw V., griffier.
V. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.