Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 16.06.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 08/2545/A
de heer B. J.-P., zonder gekend beroep, wonende te …, …,
eiser
voor wie optreedt Meester P. C., advocaat met kantoor te …, …,
tegen
De F.O.D. FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,
verweerder
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 23.06.2008.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 5.05.2009.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiser heeft in de …, te … onroerende werken verricht. Meer bepaald werd een nieuwe woning opgericht (bouwvergunning van 4 september 2002) en werd een schuur verbouwd tot garage en berging (bouwvergunning van 25 juni 2003).
Op de oprichting van de woning werd het tarief van 21 % toegepast en op de werkzaamheden aan de schuur werd het tarief van 6 % toegepast.
In 2007 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd op 24 november 2007, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 2 verweerder).
Ten. gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van … EUR BTW en …. EUR geldboete.
Wegens niet-betaling werd op 3.12.2007 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 4.12.2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 3 verweerder).
Dit dwangbevel werd op 5.12.2007 bij aangetekend schrijven aan eiser ter kennis gebracht.
2.2. Eiser vraagt dat :
- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
- Het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.
- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.
- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoedingen bedrage van … EUR.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als onontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.
lII. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
3.1.1. Het feit dat de gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten om de datum van betekening op het afschrift van het dagvaardingsexploot aan te brengen, brengt niet de nietigheid mee van de dagvaarding aangezien het normdoel is bereikt. Verweerder is immers verschenen en heeft zich kunnen verdedigen tegen de tegen hem ingestelde vordering.
3.1.2. Verweerder voert verder geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Eiser stelt dat het in casu (nI. de werken aan de schuur) niet gaat over een. nieuwbouw maar over de. omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.
3.2.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen. die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
Krachtens § 1, 10 van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.
In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.
Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt : 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".
In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het K.B. nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult. en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".
3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.
Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.
3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93, nr. 70,6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, b.t.w.-rev., nr. 107, 106, nr. 3).
3.2.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder maken de uitgevoerde werkzaamheden aan de schuur deel uit van het nieuw opgerichte hoofdgebouw zodat ook voor de verbouwing aan de schuur het normale BTW-tarief van 21 % van toepassing is. Eiser wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt hij de bewijslast.
Niettegenstaande de bouwvergunningen met een verschil van 10 maanden werden toegekend, blijkt uit de voorliggende stukken dat de werken aan de schuur reeds gepland en uitgetekend werden nog voor dat de vergunning voor de woning werd uitgereikt en dat de beide werken grotendeels in dezelfde periode werden uitgevoerd. Tevens is het zo dat er in de nieuwbouw geen garage was voorzien en dat de bouwheer voor de beide werken slechts één aangifte 106/3 heeft ingediend. Het is derhalve duidelijk dat de werken aan de schuur deel uitmaken van het nieuw opgerichte hoofdgebouw waarvoor op 4 september 2002 een bouwvergunning werd afgeleverd. De werkzaamheden dienen als één bouwproject beschouwd te worden met als gevolg dat het normale BTW-tarief van toepassing is op alle uitgevoerde werken, met inbegrip van de verbouwing van de schuur.
Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.
3.3. nopens de kosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van verweerder worden zij begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zestien juni tweeduizend en negen.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.