Tribunal de première instance de Bruges, 24 décembre 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 24 décembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruges, 24 décembre 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2008-12-24-c0fc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
24 décembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 24.12.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna. volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/54/A Rep. nr. 2008/17706

de N.V. C., groothandel in voedingswaren, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres

voor wie is opgetreden Meester C. V. C. (balie Kortrijk) loco Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

a. de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekom 30,

b. de heer e.a. Inspecteur (hoofdcontroleur) van het BTW-Controlekantoor te TIELT, met kantoren gevestigd te 8700 TIELT, Tramstraat 50,

verweerder

voor wie is opgetreden Meester B. V. d. P. (balie Brugge) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. Rechtspleging

Gelet op het dagvaardingsexploot de dato 28 december 2006.

De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 november 2008.

Artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. Bijzonderste gegevens der zaak

Eiseres is eigenaar van een onroerend goed gelegen te … aan de ….

Aan voormeld onroerend goed werden door eisers onroerende werken verricht.

Op 8 augustus 2002 werd door R. V. eerstaanwezend inspecteur a.i. verbonden aan het derde BTW-controlekantoor te Brugge, een plaatsbezoek verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW, van toepassing op deze onroerende handelingen.

Naar aanleiding van deze controle werden in hoofde van eiseres overtredingen vastgesteld inzake de toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door R. V., voornoemd, op 28 mei 2003 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (stuk 1 - verweerder). Tengevolge van dit proces-verbaal werd van eiseres een bedrag gevorderd van € … aan BTW, van € … intresten en € … geldboete.

Op 4 augustus 2003 werd eiseres uitgenodigd over te gaan tot betaling van de verschuldigde bedragen.

Deze vordering werd volledig aangezuiverd door toerekening op 20 mei 2003 van een tegoed van de BTW-rekening-courant ten bedrage van € … en twee betalingen door eiseres van resp. € … en € ….

Bij dagvaardingsexploot de dato 28 december 2008 vordert eiseres van verweerder de teruggaaf van de betaalde rechten, boeten en intresten, in totaal € … meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum der dagvaarding.

Eiseres vraagt dat : de dagvaarding ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens de terugbetaling bevolen wordt van de in uitvoering van het betalingsbericht de dato 4 augustus 2003 ten onrechte betaalde rechten, boeten en intresten in totaal € …, verhoogd met de gerechtelijke rente vanaf heden, dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten en dat het vonnis uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad.

Verweerder vraagt dat de vordering ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. Beoordeling

3.1. nopens.de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven

Eiseres stelt dat de onroerende werken te kwalificeren zijn als een verbouwing in de zin van artikel XXXI tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven waarop het verlaagd BTW-tarief van 6 % van toepassing is.

Volgens verweerder is op de uitgevoerde werken het BTW-tarief van 20,5 % van toepassing daar het geen omvorming van een gebouw betreft.

Na uitvoering der werken bedraagt het oude gedeelte slechts 32,31 % van de totale oppervlakte na voltooiing der werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarden en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %.

De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben. Krachtens §1,10 van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht.

In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder 'omvorming' wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Volgens voormelde aanschrijving wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw.

In de BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in wel geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan namelijk worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte grote is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte.

Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook.

Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil hij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

Het toestaan van afwijkingen of uitzonderingen zou de gelijkberechtiging van alle burgers en de rechtszekerheid in het gedrang brengen.

Door het 'verdubbelingscriterium' te hanteren voegt de administratie derhalve geen voorwaarde toe aan het KB nr. 20 de dato 20 juli 1970.

Het onderscheid tussen werken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de werken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 Gehlen, BTW-rev. nr. 107, 106 nr. 3).

Uit de door partijen voorgelegde plan blijkt dat het onroerend goed initieel bestond uit een woning met achterliggend gebouwen opslagplaats. De opslagplaats werd volledig gesloopt en er werd op niet dezelfde plaats een garage opgericht. De achterliggende aanbouw werd volledig afgebroken en heropgebouwd. Op het gelijkvloers werd nieuw gebouwd: keuken, ontvangstbureel, bureel, wasplaats, berging, garage, doorgang tussen living en slaapruimte, sas, zonnebankkamer, dressing, badkamer, 1 slaapkamer en op de eerste verdieping werd nieuw gebouwd : speelzaal, archiefruimte 1 en archiefruimte 2. Een overdekt terras werd bijgebouwd. De overlegde stukken tonen aan dat er quasi een nieuw gebouw werd opgericht.

Het oude gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat het volledig rechtergedeelte van de woning met slaapruimten, badkamer, dressing, toilet, zonnebankkamer, sas, terras, met daarboven speelruimte en het linker gedeelte met garage, wasplaats, berging en bureel en boven archiefruimten alsook tuingebouw omvat en dus functioneel aanzienlijk belangrijker is.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude gedeelte nog slechts bijzaak is.

De uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven. Ook blijkt uit de voorgelegde stukken dat het nieuwe gedeelte van omvang groter is dan wat behouden bleef.

De totale vloeroppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt 223,87 m3. De totale vloeroppervlakte van het nieuwe gedeelte bedraagt 152,76 m3 De totale vloeroppervlakte na de uitgevoerde werken bedraagt 693,08 m3 het oud gedeelte bedraagt slechts 32,31 pct. van de huidige bebouwde oppervlakte, zodat de oppervlakte van het oude gedeelte kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken.

Er kan hierbij geen rekening gehouden worden met het oude gedeelte dat werd afgebroken en dus niet meer is.

Het is dan ook duidelijk dat de werken niet de omvorming van een woning zijn maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen.

Het verlaagd tarief van 6 % is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2. nopens de boete

Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van € … heeft een repressief karakter.

Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

De rechtbank is van oordeel dat onderhavige betwisting geen principiële rechtskwestie betreft.

Eisers dienden te weten dat de uitgevoerde werken aan de woning niet konden in aanmerking komen voor het verlaagd tariefvan 6 %.

De opgelegde evenredige geldboete, proportioneel verminderd tot € … is gépast.

3. nopens de kosten

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017,1° lid Gerechtelijk Wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen. Deze belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding ad. € … voor in geld waardeerbare vorderingen tussen € 20.000,01 en € 40.000,00 zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de geding kosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op € ….

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag vierentwintig december tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

LH. N., griffier.

N.LH. A. H.