Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 07.11.2006
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 04/2536/A Rep.nr.2006/13.978
de NV K., (HR Brugge nr. …, Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie is opgetreden Meester A. K. (balie Brussel) loco Meester S. S., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Invordering - Sector BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met burelen gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,
2. de BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
verweerders,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het verzoek d.d. 11 mei 2004 tot consignatie bij toepassing van artikel 92 W.BTW (oud).
Gelet op het verzet tegen het verzoek tot consignatie d.d. 25 mei 2004.
Gelet op de beslissing d.d. 10 juni 2004 waarbij de e.a. inspecteur van het BTWontvangkantoor te Roeselare meldt dat het verzet tegen het verzoek tot consignatie werd overgemaakt aan de departementsadvocaat en dat het hof van beroep te Gent zal oordelen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek tot consignatie.
Gelet op de dagvaarding d.d. 9 augustus 2004.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 10 oktober 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Op 27 januari 1998 wordt door verweerder een dwangbevel uitgevaardigd tegen eiseres waarbij gevorderd wordt : BTW t.b.v. 22.406.948 BEF (555.453,73 EUR), een geldboete t.b.v. 44.813.000 BEF (1.110.885,25 EUR), een geldboete t.b.v. 100.000 BEF (2.478,94 EUR) en dit alles te vermeerderen met intresten. Het dwangbevel wordt betekend aan eiseres op 10 februari 1998.
Tegen de uitvoering van dit dwangbevel werd door eiseres op 18 februari 1998 verzet aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk.
Op 19 mei 2003 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk het verzet van eiseres ontvankelijk doch grotendeels ongegrond.
Door eiseres wordt op 2 juli 2003 een verzoekschrift tot hoger beroep tegen dit vonnis neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent.
Op 11 mei 2004 verstuurt verweerder aan eiseres een verzoek tot consignatie bij toepassing van artikel 92 W.BTW (oud).
Op 25 mei 2004 meldt eiseres niet akkoord te gaan met het verzoek tot consignatie vermits dit verzoek volgens haar niet verantwoord is, minstens niet gemotiveerd is.
Bij beslissing d.d. 10 juni 2004 meldt verweerder dat het verzet tegen het verzoek tot consignatie werd overgemaakt aan de departementsadvocaat en dat het hof van beroep te Gent zich zal uitspreken over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het verzoek tot consignatie.
Eiseres gaat dan over tot dagvaarding van verweerder.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het verzoek tot consignatie wordt vernietigd, minstens onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van elke kantonnering.
Verweerder vraagt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak verwijst naar het hof van beroep te Gent.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de bevoegdheid
1. Eiseres stelt dat de rechtbank bevoegd is om te oordelen over haar vordering op basis van artikel 569, 32° Ger.W.
Verweerder stelt dat de rechtbank onbevoegd is en vraagt de vordering wegens samenhang te verwijzen naar het hof van beroep te Gent.
2. Conform artikel 92, tweede lid W.BTW (oud) kan tegen een rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen een termijn na het verzoek van de bevoegde ambtenaar. De consignatie is met andere woorden een voorwaarde tot ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het is het hof van beroep zelf dat zal oordelen of een beroep bij haar ingesteld ontvankelijk is of niet. Dit onderzoek van het hof van beroep over de ontvankelijkheid van het hoger beroep behelst eveneens het onderzoek van de rechtmatigheid van het verzoek tot consignatie.
De rechtbank is niet bevoegd om te oordelen over de ontvankelijkheid van een hoger beroep en dus ook niet over de rechtmatigheid van het verzoek tot consignatie.
Dit blijkt ook de stelling te zijn van de Raad van State (R.v.St. nr. 63.004, 7 november 1996, BTW-Revue 1997, 774), het Arbitragehof (Arbitragehof nr. 73/92, 18 november 1992, F.J.F., nr. 9311) en de hoven van beroep zelf (Antwerpen, 30 juni 1998, F.J.F., nr. 99/27; Gent, 23 september 1999 en Gent, 18 februari 2002).
3. De rechtbank merkt nog op dat de zaak niet kan verwezen worden naar het hof van beroep te Gent op basis van artikel 565 Ger. W., daar dit artikel onderstelt dat het gaat om rechtbanken van de zelfde rang.
B. Betreffende de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° Ger. W. moet zij de gerechtskosten dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze ten hare laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingvergoeding ten bedrage van 182,20 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zeven november tweeduizend en zes.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.