Tribunal de première instance de Bruges, 7 juin 2005 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 7 juin 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruges, 7 juin 2005Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2005-06-07-4ecc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
7 juin 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

97 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 07.06.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR nr. 01/0528/A :

van

de BVBA A. B. D., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door meester K. G., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat nr.14 te 1000 Brussel, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 10 mei 2005, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het geding inleidend verzoekschrift van 20 februari 2001 met in bijlage een kopie van de directionele beslissing van 22 november 2000;

2. de conclusie voor verweerder van 9 februari 2004;

3. de conclusie voor eiseres van 21 september 2004;

4. de conclusie voor verweerder van 30 november 2004;

5. de conclusie voor eiseres van 24 januari 2005 en

6. de conclusie voor verweerder van 22 febrwari2005.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres exploiteert een autohandel.

Uit een strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat eiseres in 1992 er de praktijk op nahield om tweedehandse auto's die ze verkocht voor een lager bedrag te factureren dan het bedrag dat ze ontving van de koper.

Die praktijk heeft geleid tot de strafrechtelijke veroordeling van de zaakvoerder van eiseres waarbij eiseres als burgerlijke aansprakelijke werd verklaard. Dat gebeurde bij arrest van 29 mei 1997. De zaakvoerder van eiseres kreeg opschorting van de uitspraak van de veroordeling met een termijn van drie jaar. Na verbetering van de tenlastelegging die in de vordering was geformuleerd, werd in dat arrest het bedrag van de meeromzet (het verschil tussen ontvangsten en de gefactureerde bedragen) voor de drie betreffende jaren op een bedrag van … frank of … euro bepaald.

Inmiddels had de Bijzondere Belastinginspectie (B.B.I.) voor het aanslagjaar 1993 (inkomsten van 1992 met boekjaar op 31 december) een bericht van wijziging gestuurd. Daarin werd, met verwijzing naar het strafrechtelijk onderzoek, aangekondigd dat de vastgestelde meeromzet zou onderworpen worden aan een afzonderlijke aanslag voor niet-bewezen lasten van 200 %.

Hoewel eiseres liet weten daarmee niet te kunnen akkoord gaan, heeft de B.B.I. toch overeenkomstig haar bericht van wijziging een aanslag in de Vennootschapsbelasting gevestigd in het kohier van de gemeente … op naam van eiseres. Het betreft de aanslag voor het aanslagjaar 1993 met artikelnummer ….

Eiseres diende tegen die aanslag een tijdig bezwaarschrift in.

In zijn directionele beslissing van 22 november 2000 wees verweerder het bezwaar af als ongegrond.

Met een verzoekschrift van 20 februari 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

Bij vonnis van 27 augustus 2002 heeft de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk tussen eiseres en de BTW-administratie van verweerder uitspraak gedaan over de gevolgen van de betreffende feiten voor wat de BTW aangaat. Er werd geoordeeld dat de BTW geacht werd deel uit te maken van de door eiseres ontvangen meeromzet en bovendien werd de administratieve boete van 200 % (of … euro) teruggebracht tot een bedrag van … euro onder de volgende overweging :

De rechtbank is van oordeel dat er in hoofde van eiseres geen sprake is van echt karakteristiek fraudogene handelingen.

Eiseres bevond zich inderdaad als het ware tussen hamer en aambeeld : zowel de personen bij wie zij de wagens aankocht als de personen aan wie zij de wagens verkocht hadden er belang bij om de factuurprijs te drukken. Voor eiseres zelf maakte dit geen voordeel uit doch het is wel bij haar dat de administratie komt aankloppen om de BTW te vorderen. Dit laatste heeft de wetgever inmiddels ingezien en de wet is veranderd zodat de BTW niet meer verschuldigd is op de gehele prijs, maar enkel op de winstmarge.

Dat vonnis is, bij gebrek aan rechtsmiddel, definitief.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank de directionele beslissing zou vernietigen, de bezwaarschriften zou gegrond verklaren en de betwiste aanslag zou vernietigen, minstens er de herberekening van zou bevelen en de passende ontheffingen zou verlenen en dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de interest. Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheld, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

Voorafgaand kan worden vermeld dat verweerder ermee akkoord is dat de bijzondere aanslag op onbewezen lasten (zgn. 'geheime commissielonenaanslag') ten onrechte werd gevestigd zodat er slechts reden bestaat om de belastbare meerwinst onder de gewone aanslag bij de winst te voegen. Eiseres is daar in principe mee akkoord.

Tevens bestaat er geen betwisting meer over dat er hoogstens kan rekening gehouden worden met de meeromzet zoals deze blijkt uit de cijfers die zijn bepaald in het arrest van de derde kamer van het Hof van Beroep te Gent van 29 mei 1997.

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres formuleert nog slechts de volgende drie grieven.

(1) Het is niet omdat bewezen is dat er een verschil bestond tussen de werkelijke ontvangsten van eiseres enerzijds en de omzet volgens haar verkoopfacturen anderzijds, dat eiseres voor datzelfde verschil meerwinst realiseerde. In het bijzonder stelt eiseres dat met vermoedens wordt bewezen dat haar aankoopfacturen voor de doorverkochte voertuigen evenzeer lagere aankoopprijzen vermelden en zij in werkelijkheid dus hogere prijzen moest betalen voor die voertuigen. In dat verband wijst zij erop dat de verkopers er belang bij hadden om de prijs te drukken (omdat er dan minder of geen meerwaarde gerealiseerd werd) en vooral dat ze mee moest met de markt waarin de kopers van tweedehandse voertuigen (die meestal de BTW niet kunnen aftrekken) aandrongen op een zo laag mogelijk 'supplement' aan BTW. Daarnaast laat eiseres gelden dat, indien enerzijds zou worden aanvaard dat ze de voertuigen verkocht aan de (hogere) prijzen die uit het strafrechtelijk onderzoek zijn gebleken maar anderzijds zou worden aangenomen dat toch de (lagere) aankoopprijzen de werkelijke prijzen zijn, er dan een totaal onrealistische, want veel te hoge winstmarge zou moeten bestaan hebben, terwijl de markt voor tweedehandse voertuigen bijzonder scherp was.

Eiseres benadrukt dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk die stelling in zijn vonnis van 27 augustus 2002 al aanvaard zou hebben.

(2) Het bedrag van de BTW dat vervat zit in de meeromzet, is niet belastbaar in de vennootschapsbelasting. Daartoe stelt eiseres dat de BTW-belastingplichtige voor de ontvangen BTW slechts als inner namens de Schatkist optreedt en dat de vordering ten aanzien van zijn verkoper op hetzelfde moment uitgedoofd wordt door de vordering die hij zelf heeft tegenover de Schatkist (de BTW-ontvanger).

(3) Subsidiair betwist eiseres dat in de gewone aanslag (in de plaats van de bijzondere aanslag wegens niet-bewezen lasten) een belastingverhoging van 50 procent zou kunnen opgelegd worden, ten eerste om reden dat het bericht van kennisgeving van aanslag van ambtswege onvoldoende gemotiveerd is en ten tweede omdat het bedrag van de belastingverhoging niet passend zou zijn.

Op basis van haar argumentatie concludeert eiseres dat de winst die zij behaald heeft, moet vastgesteld worden op basis van een 'normale winstmarge'. Die winstmarge zou kunnen bereikt worden door 10 procent (wat al veel zou zijn) van de netto bijkomende omzet bedragen als bijkomende winst in aanmerking te nemen.

Eiseres maakt berekeningen die voor het aanslagjaar 1993 een meerwinst opleveren van … frank of … euro.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder stelt artikel 49 WIB 92 (art. 44 WIB 64) moet worden toegepast zodat eiseres slechts zou kunnen aanspraak maken op een lagere meeromzet en dus op hogere aankoopkosten voor de betreffende voertuigen voor zover eiseres zou bewijzen dat ze werkelijk hogere kosten heeft gemaakt. Dat bewijs is volgens verweerder niet geleverd.

Verweerder acht het logisch dat de BTW tot de belastbare basis van de Vennootschapsbelasting wordt gerekend omdat die BTW in werkelijkheid is geïnd. Hoogstens zou de BTW kunnen in mindering worden gebracht indien het bewijs van (door)betaling zou zijn geleverd.

Volgens verweerder werd de belastingverhoging van 50 procent wel voldoende gemotiveerd. Verder is verweerder van oordeel dat er sprake is van systematisch ontduiken van belasting en is er wettelijk voorzien om 50 procent belasting verhoging op te leggen in dat geval.

2.3.Beoordeling

2.3.1. Bewijs van de meerwinst

Verweerder laat met reden gelden dat eiseres het bewijs moet leveren dat zij meer kosten had in de betreffende aanslagjaren dan uit haar boekhouding (meer bepaald haar facturen voor de aankoop van de verkochte voertuigen) blijkt.

Rechtstreekse bewijzen aan de hand van 'bewijsstukken' zoals bedoeld in artikel 49 WIB 92 levert eiseres niet. In het eerste lid van dat artikel is evenwel uitdrukkelijk voorzien dat, wanneer het bewijs met bewijsstukken niet mogelijk is, het bewijs kan geleverd worden 'door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed'.

Daaronder valt onder andere het bewijs met vermoedens.

Deze bijkomende bewijslevering van artikel 49 WIB 92 is evenwel slechts bedoeld voor de gevallen waarin de belastingplichtige om praktische redenen niet in de mogelijkheid is om bewijsstukken voor te brengen van zijn beroepskosten. Minstens, als het misschien wel mogelijk was maar de bewijsstukken verloren gingen of niet bewaard werden, moet de belastingplichtige toch nog te goeder trouw zijn.

Dat is niet het geval wanneer de belastingplichtige er zelf aan heeft meegewerkt dat zijn aankoopfacturen (stelselmatig) een lager bedrag vermelden dan het werkelijk door hem betaalde bedrag.

Dat één en ander een gebruik was in de sector van de handel in tweedehandse voertuigen, doet daar niets van af. Overigens was het opstellen van facturen met een lagere prijs in de fase van de aankoop door eiseres een onwettigheid; het is niet onlogisch dat zij daarvan, eerder dan de Schatkist, het nadeel moet ondergaan; als het waar is dat de lagere facturatie gevraagd werd door verkopers die op die manier konden een belastbare meerwaarde bereiken, dan was die handelswijze niet fiscaal neutraal zoals eiseres wil doen geloven.

Overigens benadrukt eiseres zelf dat het delicaat is om - bij gebrek aan bewijs van de werkelijk door haar betaalde aankoopprijzen - te berekenen wat dan wel de juiste (meer)winst was : 10 procent van de meeromzet in aanmerking nemen als meerwinst is wel erg arbitrair (die 10 procent zegt niets over de winstmarge).

Waar eiseres zich beroept op de overweging van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, dan kaderde dit slechts in de beoordeling van de administratieve boete, terwijl in dat vonnis heel uitdrukkelijk vastgesteld werd dat eiseres de BTW verschuldigd is vanuit de veronderstelling dat er in hoofde van eiseres wel degelijk een hogere omzet werd bereikt door de onder facturaties bij de verkoop; dat sluit uit dat er werd aanvaard dat er in de fase van de aankoop hogere aankoopkosten waren voor eiseres.

2.3.2. BTW al dan niet deel van de belastbare winst

Hier kan de argumentatie van verweerder niet overtuigen. De rechtspraak waarnaar hij verwijst, spreekt zich niet uit over de vraag die eiseres aan de orde brengt.

Vooreerst staat vast dat eiseres vanwege de BTW-administratie aangesproken wordt tot het betalen van de BTW op de betreffende bedragen; de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk heeft in zijn vonnis van 27 augustus 2002 op een definitieve manier bepaald dat van het bedrag van de meeromzet, vastgesteld op … euro, er een aandeel van … euro bestaat uit BTW. Eiseres is dat bedrag verschuldigd aan de BTW-administratie.

Terecht laat eiseres gelden dat eiseres geacht moet worden dit bedrag van bij aanvang aan de Schatkist (de BTW-ontvanger) verschuldigd te zijn geweest. Dat wordt bevestigd door het feit dat eiseres op die hoofdsom interest zal verschuldigd zijn in functie van de facturatiedata. Immers is het de facturatie, de levering en/of de betaling die in hoofde van eiseres de vordering van de Schatkist tot betaling van de BTW deed ontstaan. De vordering van eiseres jegens haar kopers wordt dan ook meteen op hetzelfde moment gecompenseerd door de vordering van de Schatkist; de BTW-belastingplichtige fungeert daar slechts als 'inner' namens de overheid. In die zin heeft de BTW nooit deel uitgemaakt van het patrimonium van eiseres en kan dat bedrag niet in aanmerking komen als belastbare winst.

2.3.3. Belastingverhoging

Het bericht van wijziging van de aangifte van 12 februari 1996 kondigt een belastingverhoging van 50 procent aan. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat dit gebeurt wegens het niet aangeven van inkomsten en dat het tarief van 50 procent voortvloeit uit de toepassing van artikel 444 WIB 92 en de schaal bepaald in artikel 226, rubriek C KB/WIB 92.

Het bericht van wijziging bevat nergens de vermelding dat dit tarief slechts verantwoord is omdat het zou gaan om een (eerste) overtreding 'met het opzet om de belasting te ontduiken'. Dat is nochtans een essentieel element om de belastingverhoging te kunnen verantwoorden waarvan melding moet gegeven worden aan de belastingplichtige opdat hij zou weten waarop zich te verdedigen.

De motivering van het bericht van wijziging van de aangifte volstaat niet zodat er geen belastingverhoging kan worden opgelegd.

2.3.4. Conclusie

De cijfers zoals ze in het arrest van het Hof van Beroep van Gent van 29 mei 1997 zijn vastgesteld, moeten worden in aanmerking genomen. De BTW moet er uit verwijderd worden omdat die BTW geen belastbare winst uitmaakt. Het verschil moet als meerwinst aan de gewone aanslag in de Vennootschapsbelasting (in plaats van in de bijzondere aanslag wegens niet-bewezen lasten) worden onderworpen.

Die meerwinst is al volgt te bepalen :

… euro x 100/125 = … euro.

Er is geen belastingverhoging verschuldigd.

3. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.

Dispositif

IV.UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank beveelt de herberekening van de aanslag die voor het aanslagjaar 1993 op naam van eiseres in de Vennootschapsbelasting is gevestigd in het kohier van de gemeente … onder artikelnummer … door de belastbare meerwinst niet langer aan de afzonderlijke aanslag wegens niet-bewezen lasten te onderwerpen en die belastbare meerwinst vast te stellen op een bedrag van … euro (… EUR), zonder belastingverhoging;

De rechtbank beveelt de ontheffing van de genoemde aanslag in de mate hij het resultaat van de bevolen herberekening overtreft.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het ontheven gedeelte van de aanslagen zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de moratoire interest voorzien in artikel 418 WIB 92.

De rechtbank verwijst elk van de partijen in haar eigen gerechtskosten van deze procedure, in welk geval het overbodig is om die kosten vast te stellen.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op zeven juni tweeduizend en vijf.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.