Tribunal de première instance de Bruges, 30 mars 2004 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 30 mars 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruges, 30 mars 2004Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2004-03-30-463b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
30 mars 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

74 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 30.03.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HETHIEANAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR nr.00/1173/A

van :

meester V. O. W., advocaat, wonende te …, …, aangewezen als curator over de onbeheerde nalatenschap van mevrouw N. E., in leven handelaarster, wonende te …, …, overleden

eiser q.q.,

die voor de rechtbank niet verschenen is, en tegen wie vonnis werd gevorderd, geacht op tegenspraak te zijn gewezen.

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zjjn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvanger te. Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr. 1, eerste verdieping,

verweerder,

hebbende als raadsman meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De oorspronkelijke eiseres is op 6 augustus 2001 overleden. Haar erfgenamen hebben evenwel haar nalatenschap verworpen en bij vonnis van de zevende kamer van deze rechtbank van 3 september 2002 werd de huidige eiser als curator over de onbeheerde nalatenschap aangesteld. Nu eiser in zijn specifieke hoedanigheid in wezen niets anders doet dan het vermogen van de oorspronkelijke eiseres te vertegenwoordigen, heeft hij geen andere procedurele hoedanigheid. Hij zet gewoon het geding van de oorspronkelijke eiseres verder. Een hervatting van geding is in die omstandigheden niet vereist.

Op verzoek van verweerder werd eiser q.q. per gerechtsbrief van 13 november 2003 met toepassing van artikel 751 Ger.W. opgeroepen om te verschijnen pp de openbare terechtzitting van 2 maart 2004.

Eiser q.q. is niet verschenen op die zitting en liet zich niet vertegenwoordigen. Hij had ook geen conclusie neergelegd binnen de termijn van artikel 751 Gr.W.

Voor verweerder is zijn advocaat verschenen die ter zitting het voordeel van artikel 751 Ger.W. gevraagd heeft (vonnis op tegenspraak), met afwijzing van de hoofdvordering en toekenning van de tegenvordering.

Daarna werd het debat gesloten en nam de rechtbank vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding van 10 en 11 april 2000 om te verschijnen voor de beslagrechter;

2. de beschikking van de Voorzitter van deze rechtbank met toepassing van artikel 88, § 2 Ger. W. waarin geoordeeld werd dat niet de beslagrechter maar de fiscale kamer bevoegd was om van de zaak kennis te nemen;

3. de conclusie voor verweerder van 19 oktober 2000;

4. de conclusie voor de oorspronkelijke eiseres van 21 juni 2001 en

5. de conclusie voor verweerder van 11 juli 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

II. DE BIJZONDERSTEGEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

De oorspronkelijke eiseres hield tijdens haar leven een café open en was aldus BTW-plichtige.

Voor het tweede kwartaal van 1999 heeft zij op21 oktober 1999 een BTW-aangifte ingediend. waarin ze voor een bedrag van 181.644 frank (4.502,84 euro) BTW verschuldigd verklaarde.

Voor het derde kwartaal van 1999 volgde op 16 november 1999 haar aangifte met een BTW-schuld van 231.144 frank (5.729,91 euro).

Deze laatst genoemde kwartalen werden door eiseres niet betaald. Ook voordien was eiseres nalatig geweest met het betalen van de door haar verschuldigde BTW, al had zij op 21 juni 1999 haar vorige schuld - met vertraging - aangezuiverd.

Op 1 december 1999 maakte verweerder voor de openstaande BTW (samen 412.788 frank of 10.232,75 euro), de interest wegens laattijdige of niet-betaling (9.504 frank of 235,60 euro) een bijzondere rekening op. Daarin werden tevens voor 41.000 frank proportionele boete wegens niet-betaling, en 8.000 frank proportionele boete wegens niet-tijdige indiening van de aangiften opgenomen.

Op grond van het feit dat de oorspronkelijke eiseres geen gevolg gaf aan de uitnodiging tot betaling die haar op 6 december 1999 was verstuurd, maakte verweerder op 18 februari 2000 een dwangbevel op voor de genoemde bedragen. Het draagt als referentie RCIV nr. …. Het dwangbevel werd op 22 februari 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Met een deurwaardersexploot van 28 februari 2000 werd dat dwangbevel aan de oorspronkelijke eiseres betekend.

Vervolgens werd door gerechtsdeurwaarder A. W. op 8 maart 2000 op verzoek van verweerder overgegaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op roerende goederen van de oorspronkelijke eiseres met bevel tot betaling.

Met de dagvaarding van 10 en 11 april 2000 stelde de oorspronkelijke eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

De oorspronkelijke vordering strekte ertoe verzet te doen tegen het genoemde dwangbevel en dat dwangbevel teniet te doen om eiseres te horen ontslaan van alle schulden die erin vermeld waren.

In de conclusie van 21 juni 2001 werd de vordering gewijzigd in die zin dat nog slechts machtiging gevraagd werd om de schuld af te betalen in termijnen van 10.000 frank (247,89 euro) per maand. Er werd ook gevorderd om de tegenvordering als niet-ontvankelijk, minstensongegrond af te wijzen.

Verweerder vordert dat de vorderingen van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat de oorspronkelijke eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

Daarenboven stelt hij een tegenvordering waarmee hij vordert dat de rechtbank eiseres zou veroordelen tot het betalen van 25.000 frank (619,73 euro) wegens tergend en roekeloos verzet, meer de gerechtelijke interest en de gedingkosten.

III. BEOORDELING

1. Artikel 751 Ger. W

Nu eiser q.q. behoorlijk was opgeroepen en geen conclusie neerlegde, is onderhavig vonnis, ook al is eiser q.q. niet verschenen, een vonnis op tegenspraak.

2. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

3. De grond van de vordering

3.1. De hoofdvordering

Verweerder laat met reden gelden dat de bedragen die als hoofdsom (BTW) in het dwangbevel zijn opgenomen, niet kunnen betwist worden vermits ze door de oorspronkelijke eiseres zelf zijn aangegeven.

Overigens werd de schuld in conclusies naderhand niet langer op zich betwist maar werd alleen uitstel van betaling gevraagd.

Al is uitstel van betaling niet zonder meer uitgesloten, toch zou dat veronderstellen dat onder andere goede trouw bewezen is en vooral dat aangetoond wordt dat reeds moeite gedaan werd om de ondertussen verstreken termijn te benutten om de schuld naar best vermogen af te korten. Bij gebrek aan bewijs van deze elementen kan dus ook niet worden ingegaan op de vraag tot uitstel van betaling.

De hoofdvordering is ongegrond.

3.2. De tegenvordering

De vordering zoals ze aanvankelijk geformuleerd werd, was manifest ongegrond en dat moest ook voor de oorspronkelijke eiseres op voorhand duidelijk zijn.

De vraag van machtiging tot afbetaling werd pas meer dan een jaar na het betekenen van het verzet in conclusie geformuleerd, terwijl al die tijd niets afbetaald werd en zonder dat op enige manier werd aannemelijk gemaakt dat de oorspronkelijke eiseres ongelukkig. en te goeder trouw was.

Een dergelijke proces houding is tergend en roekeloos.

Met betrekking tot de schade van verweerder, voert hij aan dat het verzet zijn diensten noodzaakt tot het nemen van bijkomende maatregelen en het spenderen van tijd om de verdere afhandeling van de schuldvordering te garanderen. Dat komt -zeker bij gebrek aan concreet verweer- aannemelijk over. In die omstandigheden kennen wij de vordering toe voor het gevorderde bedrag van 619,73 euro. Nochtans kan tegen eiser q.q. geen veroordeling worden uitgesproken nu hij slechts de vertegenwoordiger is van het patrimonium dat de oorspronkelijke eiseres heeft nagelaten. De rechtbank stelt dan ook slechts vast dat verweerder voor een bedrag van 619,73 euro meer de gerechtelijke interest een vordering heeft op de onbeheerde nalatenschap van de oorspronkelijke eiseres.

4. De gerechtskosten

De vorderingen van de oorspronkelijke eiseres worden afgewezen. De gerechtskosten zijn een schuld in de onbeheerde nalatenschap van de oorspronkelijke eiseres.

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak (krachtens artikel 751 Ger.W. jegens eiser q.q.).

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de hoofdvorderingen ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verklaart de tegenvordering ontvankelijk en in. die zin gegrond dat hij zegt voor recht dat verweerder op de onbeheerde nalatenschap van de oorspronkelijke eiseres, E. N., een·vordering heeft voor een bedrag van 619,73 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 19 oktober 2000.

De rechtbank zegt voor recht dat de kosten van de procedure een schuld in de massa van de onbeheerde nalatenschap van E. N. zijn en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser q.q. niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hemzelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op dertig maart tweeduizend en vier.

Zijn aanwezig :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.