Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 23.12.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND
AR nr. 02/0105/A
in de zaak van :
…, haarkapper, wonende te …, …, BTW-plichtige geïmmatriculeerd onder nr. …
eiser,
vertegenwoordigd door meester F. D., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Roeselare, gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr. 30,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester F. W., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 2 december 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. het gedinginleidend verzoekschrift van 16 januari 2002;
2. de conclusie voor verweerder van 16 mei 2002;
3. de conclusie voor eiser van 2 december 2002 en
4. de conclusie voor verweerder van 18 februari 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiser is een haarkapper. Nadat eerst tweemaal een bezoek was gebracht om enkele gegevens te noteren, vond op 14 december 2001 een BTW-controle plaats voor de periode van 1998 tot 2000. Aanvankelijke aanleiding was een fraudesysteem dat was opgezet door een bedrijf dat geregeld kortingen gaf volgens de facturatie maar in werkelijkheid gratis producten verstrekte aan kappers die forfaitair belast werden. Eiser had nochtans niet voor het forfait gekozen.
Met betrekking tot de producten van het merk O. werd een omzetverhoging berekend door de controlediensten. Er werd ter plekke een correctieopgave opgesteld waarin de omzetverhoging "na rekening gehouden te hebben met alle argumenten ter verdediging van de belastingplichtige" op een bedrag van 600.000 frank werd vastgesteld, verdeeld over de jaren 1998 en 2000, terwijl de omzet van 1999 uit de boekhouding behouden werd. Eiser tekende die correctieopgave voor akkoord met een bedrag aan BTW van (2 x 63.000 frank =) 126.000 frank (3.123,46 euro) BTW die verband hield met die meeromzet voor de genoemde producten O.. Bovenop werd een proportionele boete van 12.600 frank (312,35 euro) berekend die nog verminderd werd vermits de totale boete op 12.000 frank (297,47 euro) kwam.
Op 14 januari 2002, een maand na de ondertekening van de correctieopgave, heeft eiser het bedrag waarvoor hij voor akkoord getekend had, voldaan.
Met een verzoekschrift van 16 januari 2002 stelde eiser zijn huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiser vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de bestreden regularisatieopgave van 14 december 2001 nietig is en dat de erin vermelde sommen niet verschuldigd zijn. Hij vordert ook dat de rechtbank de terugbetaling zou bevelen van de niet-verschuldigd geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminterest.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiser
Volgens eiser is zijn akkoord in de correctieopgave van 14 december 2001 aangetast door een wilsgebrek. In het bijzonder zou hij niet beseft hebben dat de berekeningswijze die door de controleambtenaar gehanteerd werd, neerkwam op een winstmarge op verwerkte producten van 2.500 procent, terwijl bij vroegere controles er steeds een akkoord was om voor die verwerkte producten een winstmarge van 300 procent te gebruiken. Een winstmarge van 2.500 procent is volgens eiser irrealistisch.
Hij stelt dat hij niet verklaard heeft dat de winstmarge op O.-producten het dubbel bedroeg, maar dat hij dubbel zoveel product nodig heeft dan voor andere producten. Dat zou bevestigd worden door het feit dat bij de vorige controles een winstmarge van 300 procent gehanteerd werd, wat overeenkomt op een aandeel van 25 procent (een vierde) in de omzet, zijnde ongeveer het dubbele van de factor 13 die verweerder zou gebruiken.
Volgens eiser werd ook ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat hij geen voorraadboek had, terwijl hij al jaar en dag een voorraadboek zou bijhouden. De boekhouding zou ook door verweerder niet verworpen zijn.
Aldus stelt eiser dat hij bij de ondertekening van de correctieopgave dan ook gedwaald heeft omtrent de feiten.
Die correctieopgave zou ook nietig zijn omdat ze in strijd is met het akkoord met verweerder om slechts een winstmarge van 300 procent in aanmerking te nemen. Een retroactieve herroeping van dat akkoord zou niet mogelijk zijn.
2.2. Stelling van verweerder
Volgens verweerder is eiser gebonden door zijn akkoord met de correctieopgave. Volgens hem gaat het over een dading vermits het akkoord zou tot stand gekomen zijn nadat de aanvankelijk berekende meeromzet van 1.030.823 frank (25.553,43 euro) tot 600.000 frank (14.873,61 euro) werd teruggebracht door rekening te houden met de argumenten van eiser. Omdat het niet gaat om een geval waarin de wettelijke bepalingen in het gedrang zijn, maar het om een feitelijke beoordeling gaat, zou hier niet gelden dat het akkoord kan doorbroken worden door de eiser die bewijst dat de berekening niet correct is.
Om de berekening te verantwoorden verwijst verweerder naar het kappersforfait voor de jaren 1998 tot 2000. Hij vertrekt van de regel dat de omzet (exclusief BTW) van een dameskapper 12 procent verwerkte producten bevat en de omzet van een herenkapper voor 5 procent uit verwerkte producten bestaat. Dat betekent dat verweerder om de omzet te berekenen de verwerkte kappersproducten (die dus niet als zodanig aan de klanten verkocht zijn) voor de dameskappers met 8,3 en voor de herenkappers met 20 vermenigvuldigt. Omdat eiser verklaard had dat zijn klanten voor tweederden dames zijn en voor een derde heren, neemt verweerder de gemiddelde factor, zijnde ((2/3 x 8,3) + (1/3 x 20) =) 12,20. Omdat eiser ook verklaard had dat voor het product O. een dubbele winstmarge gehanteerd werd, zou die factor moeten verdubbeld worden tot 24,40, waardoor de omzet van eiser op 1.949.849 frank (48.335,49 euro) zou komen.
Concreet, zo stelt verweerder, werden bij de berekening in het dossier van eiser van een lagere factor vertrokken, namelijk 9,5 en werd deze voor de O.-producten verdubbeld tot 19,00. Dat gaf een omzetverhoging van 1.030.823 frank (25.553,43 euro) die verminderd werd tot 600.000 frank (14.873,61 euro) na rekening te houden niet de argumenten van eiser.
Met betrekking tot het voorraadboek, voert verweerder aan dat er geen voorraadboek kon voorgelegd worden bij de controle. In die omstandigheden zou met reden verondersteld zijn dat de eindvoorraad einde 2000 gelijk was aan de beginvoorraad 2000. Dat zou allemaal nochtans irrelevant zijn volgens verweerder omdat het akkoord het resultaat was van een discussie en niet van een berekening.
Daarmee benadrukt verweerder dat eiser een schulderkenning gedaan heeft. Eiser zou geen wilsgebrek bewijzen.
2.3. Beoordeling
Vermits eiser een akkoord ondertekende is het uitgangspunt dat hij met de inhoud ervan instemde en dat de achterliggende feiten met de werkelijkheid overeenstemmen. Het belastingrecht is evenwel van openbare orde. Dat houdt in dat het voor de Belgische samenleving van fundamenteel belang is dat belastingplichtigen die zich in dezelfde feitelijke en juridische situatie bevinden op een zelfde wijze belast worden. Daarom is het eiser toegelaten om te bewijzen dat zijn akkoord met de correctieopgave aangetast is door een dwaling in rechte of een dwaling in feite.
De stelling van eiser komt erop neer dat hij door de controleurs verkeerd begrepen werd : hij zou verklaard hebben dat van de producten O. - blijkens het stuk 5 van eiser, zijn brief van 19 december 2001, een middel tegen haaruitval - per prijseenheid tweemaal zoveel moet gebruikt worden dan voor andere producten, terwijl de controleurs het omgekeerde gedaan hebben, namelijk de winstmarge verdubbeld, wat inhoudt dat er van het product O. slechts de helft zoveel product als anders nodig zou zijn (per prijseenheid).
Het is onbetwist dat de controle plaats vond op 14 december 2001 en dat dit een vrijdag was. Dat is in het algemeen één van de drukste dagen in een kapsalon (waarvan het klantenbestand voor tweederden uit dames bestaat). Het akkoord werd op diezelfde dag tijdens de werkuren opgesteld en eiser heeft ook die dag getekend. Het is in dergelijke omstandigheden niet uitgesloten dat iemand zijn akkoord geeft zonder volledig te beseften hoe de berekening precies gemaakt is en hoe ze moet geïnterpreteerd worden naar staat tegenover dat eiser niet ontkent dat er ter plaatse een lange discussie heeft plaats gevonden en dat daaruit als resultaat kwam dat een aanvankelijke berekening van een omzettekort over de drie jaren 1998, 1999 en 2000 van 1.030.997 frank (25.557,75 euro) (zie stuk 7 dossier verweerder) teruggebracht werd naar een omzet tekort van 600.000 frank (14.873,61 euro).
Uit de stukken blijkt dat de controleurs uitgegaan zijn van een verdubbeling van de winstmarge voor de producten O.. In de kladberekening van de controleurs dat door eiser als zijn stuk 2 wordt voorgelegd, hadden de controleurs immers een coëfficiënt van 26 (het dubbel van 13 dat voor andere producten als gemiddelde werd gebruikt), dus een winstmarge van 2500 procent toegepast.
Om redenen die ook verweerder niet vermeldt, hebben de controleurs dan de gemiddelde coëfficiënt verminderd tot 9,5 procent en deze voor O. verdubbeld naar 19 procent. Dat gaf het hoger genoemde resultaat van 1.030.997 frank.
Het feit dat de controleurs eerst aan lagere coëfficiënt gebruikten dan deze van het forfait (hoewel deze beantwoorden aan cijfers die door de beroepsverenigingen en op basis van een breed onderzoek aanvaard worden) gevolgd door de vaststelling dat de controleurs nog een belangrijke toegeving doen, is voor de rechtbank de bevestiging dat de berekeningen ernstig betwist werden door eiser. In de betreffende correctieopgave zelf staat trouwens letterlijk "Na rekening gehouden te hebben met alle argumenten ter verdediging van de belastingplichtige".
Verder bewijst eiser niet dat voor de producten O. per prijseenheid van de aankoop slechts een winstmarge bestaat die maar de helft zou bedragen van de winstmarge op andere producten. De bewering dat er bij de vorige periodes voor die producten slechts een coëfficiënt 4 zou zijn gebruikt (een winstmarge van 300 procent) wordt door geen enkel stuk bewezen en wordt ook op een andere manier niet aannemelijk gemaakt. Bovendien zou dat een aanzienlijke afwijking inhouden op het gewone gemiddelde zoals in het forfait vermeld. Zoals blijkt uit de berekening van verweerder is voor een kapsalon met een derde heren en tweederden dames de coëfficiënt gemiddeld immers 12,20.
Het aanvaarden door de controleurs van een beperktere omzetverhoging, namelijk tot 600.000 frank heeft tot gevolg dat de aanvankelijk toegepaste coëfficiënt van 10 impliciet verminderd werd. De totale meeromzet voor 1998 en 2000 samen gaf tegen een coëfficiënt van 19 op de producten O. (zie stuk 6 van het dossier van verweerder) een bedrag van (432.198 + 547.077 =) 979.275 frank. De vermindering tot 600.000 frank betekent een aftrek met 379.275 frank. Na aftrek van dat bedrag op de aanvankelijk berekende omzet met betrekking tot verwerkte producten O., namelijk (566.808 + 443.916 =) 1.010.724 frank, komt het erop neer dat het akkoord dat eiser ondertekende een omzet voor die producten in aanmerking nam van (1.010.724 - 379.275 =) 631.449 frank. Nu in die twee jaren vertrokken werd van (29.832 + 23.364 =) 53.196 frank verzette aankopen van O., houdt het akkoord in wezen de toepassing in van een coëfficiënt van (631.449/53.196 =) 11,87.
Dat is lager dan het gemiddelde van 12,20.
Uit het laatste blad van stuk 1 van verweerder (controleverslag) valt af te leiden dat de kostprijs voor een behandeling met O. 23 euro bedroeg, terwijl dat voor een gewone brushing slechts 12 euro was). Dat is nagenoeg het dubbel. Zelfs wanneer er per hoeveelheid product (dus niet per prijseenheid van de aankoop) slechts de helft zoveel behandelingen zou kunnen gegeven worden, dan komt dat er ongeveer op neer dat de winstmarge per prijseenheid van de aankoop dezelfde is als voor een gewoon product. Dat maakt de cijfers van de correctieopgave aannemelijk.
De conclusie is dan ook dat het bedrag van de correctieopgave rekening gehouden heeft met de werkelijkheid en dus met de opmerkingen die eiser ook nu nog laat gelden. Eiser toont in die omstandigheden niet aan dat zijn akkoord in de correctieopgave aangetast is door een dwaling of enig ander wilsgebrek.
Vermits eiser niet aantoont dat er voor de vroegere jaren een akkoord was gemaakt tussen hem en verweerder dat erin zou bestaan dat de producten O. bij verwerking slechts een winstmarge van 300 procent vertegenwoordigden, kan niet worden aangenomen dat de ondertekend correctieopgave in strijd is met zo'n vermeend akkoord.
Ook de betwisting over het al dan niet voorleggen van het inventarisboek (stand op 31 december 2000) en het feit dat voor het jaar 2000 daardoor alle aankopen als verkocht werden beschouwd, is gedekt door het akkoord van eiser en daarom niet relevant.
Verder impliceert het opleggen van een omzettekort steeds dat de belastingadministratie de boekhoudkundige gegevens niet (helemaal) aanvaardt.
De vordering van eiser is daarom volledig ongegrond.
3. De gerechtskosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiser niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor hem geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.
Dispositif
lV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op drieëntwintig december tweeduizend en drie
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.