Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 24.06.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR nr. 00/2272/A
van :
de heer D. W., autohandelaar, wonende te …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door meester J. S., advocaat te …Kortrijk.
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr.30,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester B. H., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 juni 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de gedinginleidende dagvaarding in terugbetaling van 24 juli 2000;
2. de conclusie voor verweerder van 21 mei 2001;
3. de conclusie voor eiser van 24 augustus 2001;
4. de conclusie voor verweerder van 25 oktober 2001;
5. de conclusie voor eiser van 28 mei 2002 en
6. de conclusie voor verweerder van 3 december 2002.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiser is een handelaar is tweedehandsvoertuigen.
Voor het aanslagjaar 1996 heeft eiser met de Administratie van de Directe Belastingen een akkoord gesloten waarin aanvaard werd dat er voor het inkomstenjaar 1995 een indiciair tekort was van 802.966 frank (20.004,16 euro). Na compensatie van het aanvankelijk aangegeven verlies van 154.814 frank (3.837,74 euro) sloeg het akkoord bijgevolg op een winst van 648.152 frank (16.067,27 euro) "exclusief BTW". De volmacht drager van eiser ondertekende het akkoord op 10 december 1998.
De controledienst van verweerder baseerde zich op zijn beurt op het vastgestelde indiciair tekort en beschouwde het bedrag van 802.966 frank (19.905,01 euro) als meeromzet. Hoewel eiser daarmee niet kon instemmen, bleef de controledienst op zijn standpunt. Op 17 mei 2000 werd een gemotiveerd proces-verbaal opgesteld. Daarin werd, naast de vermelding van het indiciair tekort, ook het antwoord van verweerder weergegeven op de argumenten die eiser voordien ontwikkeld had.
Uit het bedrag van het indiciair tekort werd de BTW afgezonderd, namelijk voor een bedrag van 136.604 frank (3.386,32 euro), waarop een proportionele boete van 27.000 frank (669,31 euro) berekend werd; daarnaast werd ook de interest vanaf 21 januari 2001 verschuldigd verklaard.
Benevens een inhouding van 46.623 frank op 29 juni 2000, betaalde eiser - onder voorbehoud van alle rechten - op 14 juli 2000 het saldo van de afrekening, namelijk 175.733 frank.
Op 24 juli 2000 stelde eiser met zijn gedinginleidende dagvaarding, zijn vordering in.
2. De standpunten en vorderingen van de partijen
Eiser vordert dat de rechtbank de terugbetaling zou bevelen van de in uitvoering van het hem op 1 oktober 2000 ter kennis gebracht betalingsbericht, per 14 juli 2000 betaalde som van 4.356,31 euro en de per 29 juni 2000 ingehouden en aangerekende som van 1.155,75 euro, te verhogen met de moratoire interest vanaf de datum van de betaling en inhouding en met de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiser
In de eerste plaats vecht eiser de BTW-schuld aan omdat verweerder een vermoeden op een vermoeden zou opeenstapelen. Volgens eiser wordt in een eerste stap het indiciair tekort afgeleid uit een in artikel 341 WIB 92 afgeleid vermoeden om als belastbaar inkomen in de Directe Belastingen te worden behandeld en bovendien met vermoede afkomst uit het betreffende aanslagjaar. In een tweede stap wordt - steeds volgens eiser - vermoed dat het belastbaar inkomen afkomstig is van de beroepswerkzaamheid van eiser, terwijl een indiciair tekort volgens eiser in principe een inkomen van onbepaalde oorsprong is. De meerwinst in directe belastingen kan volgens eiser niet zonder meer gelijkgesteld worden met omzet voor de BTW. Het zou aan verweerder en niet aan eiser zijn om het bewijs te leveren van het bestaan van verhoogde omzet. Dat zou betekenen dat bewezen wordt dat de bijkomende winst haar oorzaak vindt in handelingen die aan de BTW onderworpen zijn.
Eiser wijst erop dat het aanvankelijk door de Administratie van Belasting voorgehouden indiciair tekort ten belope van 154.131,49 euro kon worden weerlegd aan de hand van verkochte effecten. Ook het resterend tekort is naar het oordeel van eiser nog te verklaren, maar niet te bewijzen bij gebrek aan stukken. De verklaring zou enerzijds gelegen zijn in de verkoop van effecten waarvan de verkoopborderellen op naam verloren gingen zodat het juiste bedrag niet meer kan worden aangetoond. Daarnaast ziet eiser ook nog een verklaring in de afname van liggende gelden, die permanent aanwezig zijn wegens de onmiddellijke inning ter gelegenheid van de aankoop van tweedehandswagens.
Dat er geen verband is met de beroepswerkzaamheid, zou volgens eiser de reden zijn voor het feit dat in het akkoord met betrekking tot het indiciair tekort uitdrukkelijk vermeld werd 'excl. BTW". Met verwijzing naar Com.IB 24/24 stelt eiser dat dit een uitdrukkelijke afwijking is op het principe dat het vastgesteld indiciair tekort moet berekend worden met inbegrip van de BTW, omdat dit in de regel vermoed wordt.
Subsidiair voert eiser aan dat het bedrag van de in aanmerking genomen omzetverhoging minstens moet gehalveerd worden. Hij steunt zich daartoe op het feit dat de vermogensafrekening die tot het indiciair tekort voor de directe belasting leidde, over twee boekjaren, namelijk 1994 en 1995, werd opgemaakt. Het feit dat de Administratie van de Directe Belastingen het indiciair tekort volledig belast heeft in aanslagjaar 1996, zou daar niets aan veranderen.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder beroept zich op de rechtspraak, onder andere deze van het Hof van Cassatie om te stellen dat de elementen geput uit de aangifte inzake directe belastingen evenals de wijziging aan deze aangifte waarmee de belastingplichtige instemt, als een middel van bewijs door vermoedens door de BTW-administratie mag worden aangewend om voor de heffing van de omzetbelasting het bewijs te leveren dat niet al de belastbare handelingen werden aangegeven. Het zou dan aan de belastingplichtige toekomen om te bewijzen dat de hogere taxatie bij de directe belastingen niet voortvloeit uit aan BTW onderworpen handelingen. Volgens verweerder moet vermoed worden dat een handelszaak geen andere winsten boekt dan deze die betrekking hebben op de omzet van die handelszaak. Eén en ander zou geen omkering zijn van de bewijslast omdat de belastingplichtige best geplaatst zou zijn om uitleg te geven over de oorsprong van de meer inkomsten. De sommen van het indiciair tekort van eiser zouden dan ook volgens verweerder, tot bewijs van het tegendeel geacht worden voort te komen uit de bedrijfsinkomsten verkregen tijdens het belastbare tijdperk.
Het tegenbewijs wordt volgens verweerder door eiser niet geleverd, temeer deze bekent dat hij geen stukken heeft. Waar eiser akkoord ging met het indiciair tekort, is dat volgens verweerder een bekentenis dat er geen andere verklaringen voor het resterende tekort zijn.
Uit de vermelding "excl. BTW" in de akkoordverklaring m.b.t. het indiciair tekort, moet volgens verweerder afgeleid worden dat de verhoging van het belastbaar inkomen gebeurd is voor handelingen die vallen binnen de werkingssfeer van de BTW, maar dat het bedrag wordt opgegeven, BTW niet inbegrepen. Verweerder wijst er ook op dat verweerder in zijn dagvaarding zelf stelt dat het om een 'ietwat ongelukkige formulering' gaat.
Verweerder wijst er ook nog op dat, zoals al was weergegeven in het proces-verbaal van 17 mei 2000, het indiciair tekort geen gevolg was van de verwerping van bedrijfskosten en dat eiser zich voor het tegenbewijs niet op zijn boekhouding kan beroepen omdat deze een aantal tekortkomingen bevat.
Verweerder ziet geen reden tot halvering van de omzetverhoging. Volgens eiser werd alleen voor aanslagjaar 1996 een indiciair tekort vastgesteld vermits voor het aanslagjaar 1995 de som van de te rechtvaardigen bedragen kleiner was dan het gerechtvaardigde bedrag, zodat er voor aanslagjaar 1995 geen indiciair tekort was.
2.3. Beoordeling
2.3.1.Stelling in hoofdorde
Verweerder toont wel degelijk aan dat hij zich op basis van het akkoord met betrekking tot het indiciair tekort voor aanslagjaar 1996 in de Directe Belastingen, als vaststaand feit (weliswaar geput uit een vermoeden) kon aannemen dat het bedrag van dat tekort afkomstig is van aan BTW onderworpen beroepsactiviteiten van eiser.
Eiser is beroepsmatig slechts actief in de autohandel, wat steeds aan BTW onderworpen is. Het indiciair tekort werd pas vastgesteld nadat eiser alle bewijzen die hij had. met betrekking tot andere bronnen dan zijn beroepswerkzaamheid, had voorgelegd. Hij ging met het uiteindelijk bedrag akkoord. Zijn beweringen met betrekking tot andere verklaringen voor het resterend tekort zijn reeds het voorwerp geweest van onderzoek en dat er in werkelijkheid geen andere bronnen bestaan, is reeds als vaststaand feit omsloten in het akkoord met betrekking tot het indiciair tekort.
Het bedrag dat werd aangenomen als indiciair tekort is dan ook noodzakelijk afkomstig van de beroepsactiviteit van eiser (en werd ook als beroepsinkomsten belast) en het betreft een BTW-plichtige activiteit.
Het feit dat er in het akkoord met betrekking tot het indiciair tekort vermeld werd dat de uiteindelijke winst exclusief BTW was, kan dan ook niet begrepen worden in die zin dat het niet om een inkomen zou gaan dat buiten de BTW-activiteit werd verworven. Het doet eerder vermoeden dat er werd vermeld dat nog met de BTW geen rekening gehouden werd.
In die omstandigheden is er geen sprake van opeenstapeling van vermoedens.
2.3.2. Subsidiaire stelling
Verweerder wijst er terecht op dat er in het jaar 1994 (aanslagjaar 1995) geen indiciair tekort was. Vermits er alleen een indiciair tekort was voor aanslagjaar 1996, was het alleen mogelijk om met dat tekort in aanslagjaar 1996 rekening te houden. Meteen is duidelijk dat verweerder met reden het bedrag van het indiciair tekort terecht als meeromzet voor het boekjaar 1995 heeft in aanmerking genomen en dat er geen reden is om de helft van dat bedrag aan boekjaar 1994 toe te wijzen.
2.3.3. Conclusie
De vordering van eiser is geheel ongegrond.
3. De gerechtskosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : 334,66 euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vierentwintig juni tweeduizend en drie.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.