Tribunal de première instance d'Anvers, 2 avril 2010 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 2 avril 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 2 avril 2010Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2010-04-02-7028

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
2 avril 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 02.04.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twee april tweeduizend en tien in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., alleenzetelend rechter,

N. V., griffier.

In zake : A.R. Nr. 06/7678/A

1. V. D. L.,

2. G. J.,

beiden wonende te …, ….

eisende partijen,

sub 1 en sub 2 persoonlijk aanwezig en bijgestaan door meester Q. B. loco meester F. M., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, met kantoren te 1000 Brussel, ,Wetstraat 12, vertegenwoordigd door

1. de gewestelijk directeur van de BTW te Antwerpen met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

2. de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen I met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 december 2006,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 6 februari 2009,

- de conclusies van partijen,

- de stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 12 maart 2010.


De vordering strekt ertoe de beslissing van 25 oktober 2006, alsook het proces-verbaal van 6 november 2006 te vernietigen, te zeggen voor recht dat terecht het percentage van 6 %: werd toegepast op de diverse, in het proces-verbaal van 6 november 2006, vermelde facturaties, dienvolgens verweerder af te wijzen voor wat betreft de vordering inzake BTW ten bedrage van … EUR, te verhogen met de boete van … EUR en de intresten, verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden bedragen, te verhogen met de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

Beoordeling

Betreffende het BTW-tarief

Huidige betwisting heeft betrekking op de vraag of de werken aan een woning dienen aangemerkt te worden als omvormingswerken (BTW-tarief : 6% - standpunt eisers) dan wel als nieuwbouwwerken (BTW-tarief : 21 % - standpunt verweerder).

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de administratieve commentaar de wet niet kan opheffen, wijzigen of aanvullen.

Wanneer de administratieve commentaar strijdig is met de wet, kan noch de belastingplichtige ·noch de administratie hieruit enige rechten putten (Cass. 12 juni 1992, Fisc. Koer. 92/455 en Cass. 29 mei 1992, Fisc. Koer. 92/411).

Bijgevolg is de rechtbank niet gebonden door de administratieve commentaar en de BTW-brochures en zij dient uitsluitend de wet toe te passen.

De woning was voor de werken samengesteld uit een gelijkvloers met onder meer 3 garages, een appartement op de eerste verdieping en onder een schuin dak een appartement op de tweede verdieping.

Het schuine dak werd volledig afgebroken en ook het appartement onder dit schuin dak werd feitelijk volledig afgebroken; van dit appartement op de tweede verdieping werden immers enkel behouden :

- de opstaande zijdemuren, die gemeenschappelijk zijn met de aanpalende pander en aldus niet konden afgebroken worden;

- een klein gedeelte van de voor- en achtergevel;

- het trapgat;

- een klein gedeelte van de muur van de traphal;

Vervolgens werd op de vloerplaat van het vroegere appartement en op het behouden, klein gedeelte van de voor- en achtergevel, waarop een betonnen kraag werd gegoten teneinde de vervallen constructie te kunnen samenhouden, een nieuwe voor- en achtergevel er nieuwe binnenmuren opgetrokken en een nieuw plat dak geplaatst.

Op de plaats van het vroegere appartement op de tweede verdieping onder een schuin dal werd alzo een nieuw duplex-appartement gebouwd op de tweede en derde verdieping onder een plat dak, hetgeen duidelijk bevestigd wordt door de door eisers voorgelegde foto's (stuk 13 van eisers); de bouwvergunning werd trouwens verleend voor het "uitbreiden van een rijwoning met een duplex-appartement".

Door de volledige afbraak van het schuine dak en door feitelijk het bestaande appartementen onder dit schuin dak volledig te hebben afgebroken en op deze plaats een volledig nieuw duplex-appartement te hebben gebouwd, staat het ontegensprekelijk vast dat dit nieuw bouwwerken betreffen waarvoor het BTW-tarief van 21 % van toepassing is.

Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoen namelijk :

- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger.W.);

- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger.W.)

- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.

Te dezen wordt gevorderd de beslissing van 25 oktober 2006, alsook het proces-verbaal van 6 november 2006 te vernietigen, te zeggen voor recht dat terecht het percentage van 6 % werd toegepast op de diverse, in het proces-verbaal van 6 november 2006, vermelde facturaties, dienvolgens verweerder af te wijzen voor wat betreft de vordering inzake BTW ten bedrage van … EUR, te verhogen met de boete van … EUR en de intresten; weliswaar wordt ook gevorderd om verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden bedragen, te verhogen met de moratoriumintresten, doch er wordt niet nader gepreciseerd welke sommen zouden betaald zijn en welke bedragen eisers terugvorderen zodat deze bedragen aldus niet worden bepaald.

Niettegenstaande het bestreden proces-verbaal een som geld tot voorwerp heeft, wordt te dezen gevorderd om de beslissing en het proces-verbaal te vernietigen en om aldus de bedragen van dit proces-verbaal niet te moeten betalen en om een niet nader bepaald bedrag terug te betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.

Bijgevolg is de vordering van eisers overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt.

Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.

Aangezien de vordering van eisers overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., staat het vast dat dit geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.

Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus … EUR, het minimumbedrag … EUR en het maximumbedrag … EUR.

Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag moet toekennen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

N. V. P. W.