Tribunal de première instance d'Anvers, 9 janvier 2009 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 9 janvier 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 9 janvier 2009Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2009-01-09-b331

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
9 janvier 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

90 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 09.01.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen januari tweeduizend en negen in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : AR nr. 07/2697/A

A. BVBA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester D. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, sector BTW, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van BTW-ontvangkantoor Antwerpen 3, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. H. te … op 10 april 2007,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 14 maart 2008,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de Ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 5 december 2008.


De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat de vordering die het voorwerp uitmaakt van het dwangbevel Reg. 127/92-2006, uitgevaardigd op 7 december 2006 en uitvoerbaar verklaard op 12 december 2006, zonder enige rechtsgrond is, dienvolgens verweerder te veroordelen tot betaling aan eiseres van het bedrag van 4.369,27 EUR, te vermeerderen met verwijlintresten ad 0,80 % per maand vanaf 1 januari 2007 tot de dag der volledige betaling, ondergeschikt verweerder ten minste te veroordelen tot betaling aan eiseres van het bedrag van 3.637,74 EUR, te vermeerderen met verwijlintresten ad 0,80 % per maand vanaf 1 januari 2007 tot de dag der volledige betaling, en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Beoordeling

Betreffende het bestreden dwangbevel

Een ambtenaar van het BTW-controlekantoor Mortsel 2 heeft met betrekking tot de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004 bij eiseres de verificatie van de boekhouding uitgevoerd in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW.

Hierop heeft eiseres op 28 oktober 2005 de voorgelegde correctieopgave voor akkoord ondertekend, waarin zij erkende 3.291,15 EUR BTW, de wettelijke intrest vanaf 21 januari 2005 en de verminderde geldboete van 270,00 EUR verschuldigd te zijn.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat geen enkele wettelijke bepaling de administratie verplicht een correctieopgave voor akkoord voor te leggen aan de belastingplichtige en dat zij integendeel onmiddellijk een proces-verbaal van de vastgestelde overtredingen kan opstellen waarin de verschuldigde bedragen worden vastgesteld; bij niet-betaling van de verschuldigde bedragen kan de administratie vervolgens een dwangbevel uitvaardigen zonder voorafgaandelijk een correctieopgave voor te leggen; in dat geval had de administratie na deze naheffing, zonder enig probleem, nieuwe naheffingen kunnen stellen.

Korte tijd later, namelijk op 1 maart 2006, werd bij eiseres een nieuwe verificatie van de boekhouding uitgevoerd in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW met betrekking tot dezelfde periode, doch ditmaal door een ambtenaar van het controlecentrum Boom.

Bij aangetekende brief van 12 april 2006 heeft deze ambtenaar van het controlecentrum Boom opnieuw een correctieopgave ter ondertekening voorgelegd aan eiseres voor 1.557,62 EUR BTW, de wettelijke intrest vanaf 21 januari 2005 en de verminderde geldboete van 102,00 EUR.

Ingevolge de opmerkingen van eiseres van 19 april 2006 werd op 9 november 2006 een verbeterde correctieopgave voorgelegd voer 1.225,28, EUR BTW, de wettelijke intrest vanaf 21 januari 2005 en de verminderde geldboete van 85,00 EUR.

Op 17 november 2006 verklaarde eiseres zich ook niet akkoord met de verbeterde correctieopgave waarop voornoemde ambtenaar van het controlecentrum Boom op 6 december 2006 een proces-verbaal heeft opgesteld voor veel hogere bedragen dan in de verbeterde correctieopgave, namelijk 3.501,27 EUR BTW, de wettelijke intrest vanaf 21 januari 2005 en de verminderde geldboete van 224,00 EUR.

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de ambtenaar van het BTW-controlekantoor Mortsel 2 in de door eiseres op 28 oktober 2005 ondertekende correctieopgave niet het minste voorbehoud heeft gemaakt.

Uit het loutere feit, dat de controle van de ambtenaar van het BTW-controlekantoor MortseI 2 en de ondertekening van de correctieopgave door eiseres van dezelfde dag dateren, namelijk 28 oktober 2005, kan geenszins worden afgeleid dat dit slechts een beperkte controle was en dat later mogelijk nog een grondige controle zou volgen.

Door de ondertekening van de correctieopgave, waarbij niet het minste voorbehoud werd gemaakt, mocht eiseres integendeel de gewettigde verwachting hebben dat met betrekking tot de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004 minstens omtrent de feitenkwesties een definitieve regeling was getroffen en dat over deze feitenkwesties voor die periode geen nieuwe controle meer zou worden uitgevoerd.

De voor akkoord ondertekende correctieopgave is een dading in de zin van artikel 84 W.BTW en de geldigheid van dergelijk akkoord en hun onherroepbaar karakter, zowel voor de administratie als voor de belastingschuldige, wordt algemeen erkend (BTW- Handleiding van de administratie, versie 1 juli 2004, nr. 629); volgens deze BTW-Handleiding kan een dading alleen omtrent feitenkwesties worden aangegaan.

Het akkoord bevatte niet het geringste voorbehoud, had ongetwijfeld uitsluitend betrekking op feitenkwesties en het is geenszins bewezen dat het is aangetast door een dwaling of een ander wilsgebrek; het is evenmin bewezen dat eiseres de ambtenaar heeft misleid of bedrogen; verder blijkt uit geen enkel objectief element dat na het akkoord van 28 oktober 2005 nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen die op 1 maart 2006 een nieuwe controle rechtvaardigden.

Bijgevolg is de administratie gebonden door dit akkoord van 28 oktober 2005 en kan zij hierop niet terugkomen.

Bovendien moeten de nationale belastingdiensten in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van BTW het vertrouwensbeginsel in acht nemen, zelfs al is het akkoord onwettig; het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of de belastingplichtige redelijkerwijze kon aannemen dat het akkoord door een bevoegde instantie was gegeven (vergelijk H.v.J. 14 september 2006 inzake C-181/04 tot en met C-183/04, http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm ).

Te dezen staat het ongetwijfeld vast dat de ambtenaar van het BTW-controlekantoor Mortsel 2 bevoegd was om met eiseres een akkoord te sluiten, hetgeen hij deed door een correctieopgave voor te leggen dat door eiseres voor akkoord werd ondertekend.

Bijgevolg moet de administratie het vertrouwensbeginsel in acht nemen, zelfs al is het akkoord onwettig, zodat zij op dit onherroepbaar akkoord dan ook niet kon terugkomen en dan ook geen navorderingen meer kon stellen; hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat het te dezen geenszins bewezen is dat het akkoord onwettig is.

Aangezien de bevoegde ambtenaar met eiseres zonder enig voorbehoud een akkoord heeft gesloten met betrekking tot de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004, waarvan niet bewezen is dat het onwettig is, en aangezien na dit akkoord geen nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen die op 1 maart 2006 een nieuwe controle rechtvaardigden, heeft dit bij eiseres ongetwijfeld gewettigde verwachtingen gewekt dat hierdoor een definitieve regeling was getroffen waarop noch door haar noch door de administratie kon worden teruggekomen, tenzij het akkoord ontstaan is door dwaling, een ander wilsgebrek, misleiding of bedrog, hetgeen echter te dezen geenszins door verweerder wordt bewezen.

Doordat de administratie enkele maanden na dit akkoord, niettegenstaande geen nieuwe elementen aan het licht waren gekomen, toch een nieuwe controle uitvoert met betrekking tot dezelfde periode en nieuwe navorderingen stelt, werd het bij eiseres opgewekte vertrouwen en haar recht op rechtszekerheid geschonden.

Aangezien de bevoegde ambtenaar met eiseres zonder enig voorbehoud rechtsgeldig een akkoord heeft gesloten; waarvan niet bewezen is dat het onwettig is, dient de administratie de gewettigde verwachtingen die zij bij eiseres heeft gewekt in te lossen zodat het bestreden dwangbevel dan ook van nul en generlei waarde dient verklaard te worden.

Zelfs als bewezen zou zijn dat het akkoord onwettig is, hetgeen te dezen echter niet bewezen is, kon de administratie toch niet terugkomen op dit rechtsgeldig akkoord gelet op het vertrouwensbeginsel in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van BTW.

Betreffende de dagvaardingskosten en rolrechten

Hoewel artikel 1385decies Ger. W. voorziet dat dit geschil betreffende de toepassing van een belastingwet wordt ingeleid bij verzoekschrift, betekent dit niet dat de belastingplichtige de administratie niet zou kunnen dagvaarden indien hij dit verkiest.

De meerkost van de dagvaarding ten opzichte van het verzoekschrift blijft evenwel ten laste van eiseres, ook wanneer deze niet in het ongelijk wordt gesteld.

Krachtens de artikelen 2791 en 162, 4° W. Reg. is het verzoekschrift tot inleiding van een fiscale zaak vrijgesteld van het rolrecht zodat eiseres deze zaak kosteloos kon inleiden bij verzoekschrift en de dagvaardingskosten en rolrechten dan ook ten laste van eiseres blijven.

Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, hebben beide partijen zich in hun conclusies akkoord verklaard met een bedrag van 1.200,00 EUR.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Verklaart het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden do or eiseres begroot op 90,80 EUR dagvaardingskosten en rolrechten en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank slechts vereffend op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en / of anders gevorderde af.

N. D. P. W.

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.02.0014.F

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

tegen :

G. AND L., BVBA,

Mr. T. A., advocaat bij de balie te ….

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 oktober 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter C. P. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal A. H. heeft geconcludeerd.

III. Beslissing van het Hof

Overwegende dat het arrest vaststelt "dat [verweerster] na het wijzigingsbericht van 15 juli 1993 akkoord is gegaan met het feit dat zij een 'meerprijs' van 2.160 BEF per aandeel heeft gekregen bij haar aankoop op 17 oktober 1988, zodat een bedrag van 1.080.000 BEF moest worden afgetrokken van het aangevoerde verlies [...]; dat de administratie vervolgens [verweerster] een nieuw wijzigingsbericht ter kennis heeft gebracht waarbij aan de op 3 december 1990 overgedragen effecten de waarde van 1.662.650 BEF in plaats van de geboekte waarde van 291.982 BEF werd toegekend";

Overwegende dat artikel 333, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de administratie, onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, de in hoofdstuk III "Onderzoek en controle" van het wetboek bedoelde onderzoekingen kan verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel kan vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald;

Dat naar luid van artikel 339, eerste lid, de aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de administratie der directe belastingen; deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt;

Overwegende dat, ook al is de belastingplichtige akkoord gegaan met het bedrag dat de administratie in de plaats wil stellen van dat van de aangegeven inkomsten, de belastingschuld krachtens de boven aangehaalde wetsbepalingen later opnieuw kan worden onderzocht; dat voornoemd recht van de administratie onderworpen is aan de voorwaarde dat zij een leemte of een nieuw bedrog aantoont in de gegevens van de aangifte, dat wil zeggen een bij een nieuwe controle van de aangifte aan het licht gekomen leemte of bedrog;

Overwegende dat het arrest beslist dat de administratie, daar zij niet aanvoert dat het met verweerster over het wijzigingsbericht van 15 juli 1993 gesloten akkoord door een dwaling in feite of in rechte is aangetast, dat akkoord niet opnieuw kan betwisten, als het niet nagaat of geen nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen die de administratie het recht gaven de aangifte opnieuw te onderzoeken; dat het aldus de artikelen 333 en 339 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 schendt;

Dat het middel gegrond is;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve m zoverre het de voorziening ontvankelijk verklaart;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de bodemrechter;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter C. P., de raadsheren C. S., D. B., C. M. en S. V., en in openbare terechtzitting van drie oktober tweeduizend en drie uitgesproken door afdelingsvoorzitter C. P., in aanwezigheid van advocaat-generaal A. H., met bijstand van griffier M.-J. M..

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter R. B. en overgeschreven met assistentie van griffier Ph. V. G..

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Textes cités

1