Tribunal de première instance d'Anvers, 22 décembre 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 22 décembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 22 décembre 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2008-12-22-b6b2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
22 décembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 22.12.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tweeëntwintig december tweeduizend en acht in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : AR Nr. 07/4939/A

IHT S. BVBA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij de heer T. J. W., geboren te … op 19 juni 1954, wonende te …, …, in hoedanigheid van zaakvoerder.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 augustus 2007,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 30 november 2007,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 1 december 2008.


Eiseres is handelaar in elektronica.

Een terzake BTW bevoegd ambtenaar verrichtte in april en juni 2006 controle en stelde van daaruit navordering in verband met niet bewezen geachte intracommunautaire leveringen.

Meer bepaald blijkt dat bij de controle voor een deel der facturatie het bewijs is bijgebracht, voor een ander deel niet.

Het betreft de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005.

De navordering werd op 25 mei 2007 in proces-verbaal gegoten.

Op 11 juni 2007 werd naar eiseres een betalingsverzoek verstuurd.

De navordering behelst rechten, tot 20 % herleide boete, moratoire intrest, vervolgingkosten, waartoe de Ontvanger op 16 juli 2007 dwangbevel uitvaardigde.

Het dwangbevel werd op 17 juli 2007 uitvoerbaar verklaard, en middels exploot van 25 juli 2007 werd het betekend aan eiseres.

Eiseres zelf legde op 24 augustus 2007 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer.

Afschrift van het dwangbevel en afschrift van de betekening blijken aangehecht.

Verweerder concludeert tot ontoelaatbaarheid van de vordering wegens niet aanhechting van afschrift van het dwangbevel.

Nu alvast wel afschriften blijken te zijn gehecht, kan de exceptie van verweerder niet worden bijgetreden.

Hoe dan ook zijn de belangen van verweerder te dezen niet bewezen geschaad.

Ten gronde

Eiseres blijkt te dezen bewust te zijn van haar bewijslast, en zo te zien heeft ze zich volop in die zin ingespannen, mogelijk evenwel nogal laat, en minder ten tijde van de leveringen zelf.

Hangende het geding heeft zij, in schijven, gezorgd voor aanvullende overtuigingsstukken.

Verweerder blijkt alvast, voor en tijdens het geding te hebben gewerkt aan het zoeken van de juiste toedracht per afnemer, zulks via het Europese VIES-informatiesysteem.

Blijft dat eiseres wettelijk en reglementair de bewijslast van KB 52 draagt, namelijk levering voor een belastingplichtige in een andere Lidstaat, en verzending of vervoer buiten België en binnen de Europese Gemeenschap.

Het proces-verbaal slaat nog enkel op leveringen waarvoor de intracommunautaire aard bij de controle als ontoereikend werd beoordeeld.

Eiseres heeft in het geding toegegeven dat inzake S. P. oorspronkelijk ten onrechte zonder BTW is gefactureerd en dat dit inmiddels is hersteld met storting aan de Staat.

Eiseres heeft in het geding aangetoond dat P. B. werkt onder de handelsbenaming 'I. F. A.', zodat op dit punt het bewijs is geleverd.

Daardoor is de vordering gegrond voor 1.427,21 Euro aan BTW, meer toebehoren.

Eiseres heeft in het geding aangetoond dat intracommunautair is geleverd aan (SARL) E. C..

Daardoor is de vordering gegrond voor 525,65 Euro aan BTW, meer toebehoren.

Eiseres heeft in het geding aangetoond dat intracommunautair is geleverd aan (SARL) B. E..

Daardoor is de vordering gegrond voor 3.527,08 Euro aan BTW, meer toebehoren.

Inzake (SARL) S. C. S. ligt geen bewijs voor dat deze firma ten tijde van de leveringen geregistreerd was als BTW-belastingplichtige (in Frankrijk).

Op dit punt is de vordering ongegrond.

Inzake (SARL) Brazil blijkt dat deze firma ten tijde van de levering niet geregistreerd was als BTW-belastingplichtige (in Frankrijk).

Op dit punt is de vordering ongegrond.

Inzake W. S. blijkt het in feite te gaan om W. W.. Van deze blijkt wel dat hij een geldig Frans BTW-nummer heeft, maar niet dat de gefactureerde goederen zijn ver- zonden of vervoerd buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap.

Per slotsom is de vordering gegrond voor 5.479,94 Euro aan rechten, meer toebehoren.

Gezien de laattijdige bewijsvoering draagt eiseres echter de kosten van zowel het dwangbevel, zoals daarin vermeld, als het geding, deze laatste zoals hierna bepaald.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, en als volgt gegrond,

Verklaart de in het bestreden dwangbevel (RCIV …) van 16 juli 2007 gestelde fiscale vordering onwettig in zoverre ze meer bedraagt dan 2.775,58 Euro aan rechten plus de ermede overeenstemmende administratieve geldboete van 20 % en dito moratoire intrest,

Verbiedt de uitvoering van het dwangbevel voor het aldus gebleken meerdere gedeelte,

Veroordeelt eiseres krachtens artikel 1017 Gerechtelijk wetboek tot de kosten, en vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 1.200,00 Euro bij wijze van rechtsplegingvergoeding,

Wijst eiseres voor zoveel nodig af van het meer en van het anders gevorderde.

N. D. L. B.