Tribunal de première instance d'Anvers, 4 juin 2007 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 4 juin 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 4 juin 2007Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2007-06-04-21a2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
4 juin 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 04.06.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier juni tweeduizend en zeven in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

M. V. E., adjunct-griffier.

Inzake : AR nr. 04/3058/A

B. V. T. S. NV, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester B. C. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Frankrijklei 73,

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 mei 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 mei 2007.


Eiseres is maandaangever inzake BTW.

Zij deed over september, oktober en november 2003 telkens aangifte, maar voldeed binnen de wettelijke betaalperiode, alzo samen met de aangiftes, niet in zijn geheel wat als verschuldigd werd aangegeven.

Belastingdienst BTW heeft over periode 31 augustus 2003 tot 30 november 2003 'Bijzondere Rekening' opgemaakt in hoofde van eiseres.

Ontvanger BTW Antwerpen 2 heeft op 20 januari 2004 dwangbevel uitgevaardigd ter zake de rechten (147.735,20 Euro) plus intrest, daarnaast een tot 10 % herleide boete (14.770,00 Euro) plus intrest, en ook de vervolgingkosten.

Het dwangbevel is uitvoerbaar verklaard op 20 januari 2004, en het is middels aangetekende brief van 20 januari 2004 ter kennis gegeven aan eiseres.

De Ontvanger verwees in het dwangbevel naar bericht van 22 december 2003 waarbij eiseres was uitgenodigd de schuld binnen acht dagen te voldoen.

Raadsman voor eiseres heeft, middels op 28 januari 2004 ingekomen brief, informeel bezwaar ingediend bij de Directeur der BTW.

Het bezwaar beoogde "kwijtschelding, minstens substantiële vermindering" van de toegepaste geldboete.

De Directeur wees het bezwaar af middels beslissing in brief van 16 februari 2004.

Raadsman voor eiseres legde op 12 mei 2004 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer.

Daaraan is afschrift gehecht van vermelde beslissing.

De vordering heeft hetzelfde voorwerp als het bezwaar, aangevuld met eis tot veroordeling tot terugbetaling, meer moratoire intrest (zonder evenwel opgave van aanvangsdatum daarvan).

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Eiseres werpt vooreerst op dat zij geen bericht heeft ontvangen naar vereiste van Tabel A (!) Afdeling I punt I.2.A. van de Bijlage bij KB nr.41 inzake BTW.

Voor verweerder is echter Tabel G (!) Afdeling I punt I.2.a van deze Bijlage van toepassing.

Bij lezing van artikel 1, ° van KB nr.41 gaat het om Tabel G.

Beide teksten die op gelijke wijze een herleide boete van 10 % voorzien, vereisen een bericht van de hoofdcontroleur waarbij de herleide boete wordt aangekondigd.

Verweerder stelt dat een bericht door de dienst CIV der BTW ter post is aangeboden op 7 november 2003 en dat het door de post werd uitgevoerd op 17 november 2003, en hij legt daartoe zijn stuk 9 over.

Dit toont aan dat een aangetekende zending naar eiseres werd verstuurd.

Evenwel heeft men het raden wat het voorwerp van deze zending vormde, meer bepaald of het te dezen een bericht in hoger vermelde zin betrof.

Een afschrift van wat werd verzonden, ligt te dezen alvast niet voor.

Voor zover men zou kunnen stellen dat de enige mogelijke verklaring van die zending van 7-17 november 2003 ligt in het hoger vermelde bericht, heeft eiseres beginselvast de ontvangst ontkend van die zending.

Verweerder heeft geen postonderzoek aangevraagd om te onderbouwen dat de zending reëel werd aangeboden aan eiseres of aan dier adres.

Besloten moet worden dat niet is aangetoond dat eiseres die zending heeft ontvangen.

Blijft de vraag naar het gevolg van deze vaststelling.

Voor eiseres leidt het tot vermindering van de berekeningsbasis van de boete met betalingen van 2 december, 16 december en 18 december 2003.

Verweerder doet daartoe gelden dat een betaling van 20.000,00 Euro van 20 december 2003 hem niet bekend is.

Eiseres bewijst middels kopieën wel betalingen van2 en van 16 december (dit is 30.047,23 Euro respectievelijk 25.000,00 Euro), maar niet de beweerde betaling van 20 december.

Nochtans heeft de Controle middels brief 22 december 2003 (stuk 3 eiseres, zijnde het in het dwangbevel vermelde verzoek) aan eiseres laten weten dat zij rekening hield met een bedrag aan betalingen van opgeteld 75.047,23 Euro, zonder echter dan weer opgave van betaaldata.

Het was voor eiseres, naast de door haar middels kopieën wel aangetoonde betalingen van 2 en 16 december, nochtans eenvoudig geweest aan te tonen dat het meerdere voortkwam van een effectieve storting van 20.000,00 Euro van bepaaldelijk 18 december, wat zij niet doet.

De brief van 22 december 2003 geldt hier als bericht in de vermelde zin van KB nr. 41.

Het blijkt echter hoe dan ook dat nà verrekening van de vermelde 75.047,23 Euro de rechten nog steeds 147.735,20 Euro beliepen, waarop 10 % boete neerkomt op 14.770,00 Euro.

Daaruit volgt dat er geen oorzaak of aanleiding voorligt tot herleiding van de berekeningsbasis voor de boete.

Voor het overige beschikt de rechtbank over volle rechtsmacht ter beoordeling van de boete, zonder te mogen overgaan tot loutere billijkheidsbeoordeling.

Te dezen heeft de boete betrekking op geïnde en aangegeven, maar niet betaalde rechten. De wettelijke boete beloopt in principe 200 %.

De hier in uitvoering van KB nr. 41 tot 10 % herleide boete staat volkomen in evenredigheid met de feiten.

Zuiver ten overvloede komt uit de beslissing van de Directeur op bezwaar (punt 5) naar voren dat het in hoofde van eiseres niet de eerste keer was dat zij te laat BTW betaalde op aangifte.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zij de begroot in respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op ambtshalve 182,20 EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

M. V. E. L. B.