Tribunal de première instance d'Anvers, 20 juin 2006 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 20 juin 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 20 juin 2006Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2006-06-20-ce7b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
20 juin 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

48 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 20.06.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twintig juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de dertiende B kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

M. G., enig rechter,

I. M., griffier.

In zake : A.R. Nr. 05/3866/A

Meester K. P. qq curator,

- over het faillissement van L. O. (A.) Ltd bv, ingeschreven bij de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …, met zetel te … (…), …, …, voorheen met inrichting te …, …, …, daartoe aangesteld bij vonnis van 10/4/2003 - kantoor­ houdende te …, ….

EISENDE PARTIJ

- verschijnend in persoon,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN

vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Stafdienst Personeel en Organisatie, wiens kantoren gevestigd zijn te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 33 bus 86, North Galaxy, Dienst Personeel - Toren B, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Controlekantoor te Antwerpen 9, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij Meester L. A., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- de dagvaarding dd. 6 juni 2005;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 1.5 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 mei 2006;


I. Onderwerp van de vordering

Mr. K. P., qq. curator van het faillissement van L. O. Ltd.Bv vorderde bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 6 juni 2005 de veroordeling van de Belgische Staat, FOD Financiën, Stafdienst Personeel en Organisatie tot betaling van een bedrag van … EUR, meer intresten en kosten. Mr. K. P. qq. vorderde eveneens de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te vellen vonnis, niettegenstaande elk verhaal. zonder borgtocht en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.

II. De feiten

Na faillietverklaring van L. O. Ltd. bij vonnis van 10 april 2003 bleek dat er nog een belangrijk BTW-tegoed bestond ten voordele van de failliete boedel. In oktober 2003 werd dit tegoed vastgesteld op een bedrag van … EUR.

De curator stuurde de voor akkoord ondertekende afrekening terug op 27 oktober 2003 en op 22 december 2003 verklaarde de administratie geen vordering in te stellen in het faillissement van de vennootschap.

Ondanks herhaalde aanmaningen vanwege Mr. P. qq. ging de administratie niet over tot terugbetaling van het BTW-tegoed. Een brief van W. T., rechter in handelszaken van 3 november 2004 bleef eveneens zonder gevolg.

Op 6 juni 2005 ging Mr. P. qq. tot dagvaarding over.

Bij brief van 15 juni 2005 stuurde de administratie invorderingen der directe belastingen aan haar collega van de BTW een mededeling dat nog een bedrag van … EUR, verschuldigd was door L. O. Ltd. aan bedrijfsvoorheffing en belasting niet-inwoners en dat dit bedrag, overeenkomstig artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 diende te worden aangerekend op het BTW-tegoed, hierboven vermeld.

III. In rechte

Artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 (B.S. 31 december 2004) bepaalt als volgt :

“Elke som die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten.

Wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist.

Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure''.

De schuldvergelijking waarvan hierboven sprake geldt onder meer voor aan te zuiveren schulden inzake bedrijfsvoorheffing en inkomstenbelastingen, zoals belasting niet-inwoners. De rechtbank stelt vast dat de schuldvordering van de administratie der directe belastingen inzake bedrijfsvoorheffing en belasting niet-inwoners niet wordt betwist.

Het feit dat er een faillissement is tussengekomen doet aan het recht van de administratie op schuldvergelijking geen afbreuk. Artikel 334 van bovenvermelde wet betreft immers een fiscale schuldvergelijking sui generis, onderworpen aan eigen voorwaarden (Circ.nr. AINV 3/2005 van 24 maart 2005).

Eigen aan deze vorm van schuldvergelijking is verder dat ze geschiedt zonder formaliteit. De aanwending van de tegoeden vereist geen voorafgaande handeling of procedure. Het volstaat dat de administratie het nodige initiatief heeft genomen, hetgeen in casu is gebeurd, zoals blijkt uit de brief van het Ontvangkantoor van 15 juni 2005.

De rechtbank stelt vast dat artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 bijzonder ruim is voor wat de bepaling betreft van de sommen die kunnen worden aangerekend op de door de belastingschuldige nog verschuldigde bedragen. Het betreft vooreerst elke som die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen. Verder komt ook elke som in aanmerking die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake BTW, alsook elke som die aan een belastingschuldige moet worden betaald krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling.

De wet voorziet geen beperkingen nopens het moment waarop het recht op teruggave van de belastingplichtige is ontstaan. Het feit dat het BTW-tegoed reeds bestond voor de inwerkingtreding van de Programmawet van 27 december 2004 op 1 januari 2005 doet aan het recht van de administratie om deze sommen aan te rekenen derhalve geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor het feit dat de administratie de sommen overeenkomstig de achtste richtlijn reeds eerder had moeten terugbetalen.

De beginselen van behoorlijk bestuur, die door Mr. P. qq. worden ingeroepen kunnen geen afbreuk doen aan de klare en duidelijke bewoordingen van de wet. Het recht op aanrekening geldt immers zelfs voor sommen die als ten onverschuldigde betaling in de zin van het B.W. kunnen worden beschouwd.

De administratie ging derhalve terecht over tot aanrekening van het BTW-tegoed en de vordering van Mr. P. qq. is ongegrond.

Dispositif

Om deze redenen,

de Rechtbank

rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van Mr. P., qq curator van het faillissement van L. O. Ltd.Bv toelaatbaar doch ongegrond.

veroordeelt Mr. K. P., qq. curator van het faillissement van L. O. Ltd.Bv tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat, FOD Financiën, Stafdienst Personeel en Organisatie begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg.

I.M. M. G.