Tribunal de première instance d'Anvers, 6 septembre 2004 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 6 septembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 6 septembre 2004Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2004-09-06-685f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
6 septembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

35 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 06.09.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zes september tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR Nr. 03/755/A

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de directie BTW te Antwerpen, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73.

eisende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

B. M. (volgens inleidende dagvaarding)

B. M. (volgens eigen conclusie),

geboren te … (Marokko) op …, zonder beroep, wonende te …, ….

verwerende partij,

verschijnende bij meester Ph. M. loco meester B. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het tussenvonnis van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12 mei 2004,

- de conclusie van eisende partij neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 14 juni 2004.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 juni 2004.


In conclusie na tussenvonnis heeft eiser weliswaar aangevoerd dat hij actueel beschikt over de rechtsvordering die artikel 530, tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen hem sedert de invoering van dat wetsartikel toekent om zijn vorderingsrecht effectief uit te oefenen, maar hij voegt er toe dat hij die rechtsvordering naar eigen zeggen niet wenst uit te oefenen.

Immers blijkt dat eiser, die zijn vorderingsrecht tegen verweerder in diens hoedanigheid van strafrechtelijk veroordeelde bedrijfsleider van CV B. baseert op rechtsgrond artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, de hem daartoe krachtens artikel 530, tweede lid (inzake CV : artikel 409 derde lid) Wetboek van Vennootschappen sedert de inwerkingtreding ter beschikking staande actuele persoonlijke rechtsvordering desbewust niet wenst uit te oefenen (bladzijde 4 van zijn conclusie na tussenvonnis, tweede paragraaf : "niettegenstaande de inwerkingtreding ... ").

Daaruit volgt dat hij de uitoefening van de rechtsvordering tegen verweerder als bedrijfsleider overlaat aan de curator zolang het faillissement niet werd gesloten, welk laatste nog steeds het geval blijkt te zijn bij lezing van stuk 7 van verweerder.

Nu eiser zichzelf uitoefening van rechtsvordering tegen verweerder in diens hoedanigheid van bedrijfsleider tijdens het openstaan van het faillissement van de vennootschap ontzegt, is zijn vordering niet toelaatbaar.

De vordering streeft betaling van een geldsom na, wat te dezen meebrengt dat het hoogste bedrag aan rechtsplegingsvergoeding van toepassing is.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering ontoelaatbaar,

Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 349,53 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.