Tribunal de première instance d'Anvers, 18 novembre 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 18 novembre 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 18 novembre 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2002-11-18-b462

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
18 novembre 2002

Parcours procédural

2 étapes · 6 ans
  1. Décision affichéeTribunal de première instance d'Anvers18.11.2002
  2. Décision sur appelCour d'appel d'Anvers16.12.2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

49 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 18.11.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achttien november tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : A.R. Nr. 01/1555/A

…, bedrijfsleider, wonende te …, ….

EISENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING

VERWERENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING

verschijnende bij meester J. D. loco meester K. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, van wie de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING

EISENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het tussenvonnis van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 3 juni 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 oktober 2002.


Na het tussenvonnis voegt verweerder op hoofdvordering een stuk 26 bij zijn overtuigingsdossier, zijnde een afschrift van 'Proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen inzake …" afschrift afgeleverd door de griffie van de rechtbank van Koophandel te Antwerpen.

Verweerder op hoofdvordering legt aldus geen rechtstreeks bewijs voor van neerlegging per 23 (niet 5 september 1985 zoals verkeerdelijk vermeld in het tussenvonnis) september 1985 van zijn voorlopige aangifte van schuldvordering en de daaruit volgende stuitende werking op de voor eiser op hoofdvordering bevrijdende verjaring.

Evenwel volgt uit de gebundelde lezing van 1e de datum van het vonnis waarbij het faillissement werd geopend (stuk 11 verweerder op hoofdvordering) 2e de daarbij bepaalde uiterste datum voor de neerlegging van de aangiftes van schuldvordering (eveneens stuk 11 verweerder op hoofdvordering), 3e de datum die als neerleggingsdatum – weliswaar eenzijdig - voorkomt op het exemplaar van de voorlopige aangifte van verweerder op hoofdvordering (stuk 12 verweerder op hoofdvordering), en 4e het nu voorgelegde afschrift van het hogerop vermelde proces-verbaal van nazicht, met aanvaardbare zekerheid dat er door verweerder op hoofdvordering in de nuttige neerleggingsperiode - met name tussen 12 september en 2 oktober 1985 - werkelijke neerlegging is geschied.

Het bedrag van de door de curatele aanvaarde voorlopige aangifte van schuldvordering stemt met name overeen met die voorlopige aangifte (stuk 26 versus stuk 12 verwveerder op hoofdvordering), weze het dat in de aanvaarding het bedrag der verminderde boete toentertijd blijkbaar zowel in het bevoorrechte als ook nog eens in het gewone passief werd opgenomen, wat echter voor de oplossing van het huidig. voorliggende geschil niet relevant is.

De voorlopige aangifte slaat op de bijzondere rekeningen per 31 januari 1983, 31 juli 1983, 30 april 1984 en 31 oktober 1984.

De verjaring werd aldus gestuit door de neerlegging, en opnieuw binnen de vijf jaar nadien, dit laatste door de afstand door eiser op hoofdvordering op 29 juli 1991 van het inmiddels nieuw verlopen gedeelte van verjaring (stuk 16 verweerder op hoofdvordering), en door de latere stuitingshandelingen.

Er trad bijgevolg geen verjaring in van de BTW-vordering met betrekking tot de vermelde bijzondere rekeningen of met betrekking tot de saldi daarop.

Met betrekking tot de bijzondere rekening per 31 juli 1985 (stuk 10 verweerder op hoofdvordering), vermeld in de definitieve aangifte van schuldvordering (stuk 13 verweerder op hoofdvordering), bewijst verweerder op hoofdvordering niet dat deze laatste aangifte neergelegd, nu zulks uit geen positief bewijskrachtig gegeven van het dossier blijkt, en in het bijzonder ook niet uit het hogerop vermelde proces-verbaal van nazicht noch uit enig ander door verweerder op hoofdvordering voorgelegd document van het faillissementsdossier of uit enig ander voorgelegd document hoe dan ook.

Nu verweerder op hoofdvordering geen geldige stuiting in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel van 1992 bijbrengt, was bijgevolg bij het dwangbevel van februari 1992 (stukken 17 en 18 verweerder op hoofdvordering), verjaring ingetreden wat betreft de vordering uit de bijzondere rekening die was afgesloten per 31 juli 1985.

Wat betreft de correctieopgave over de periode 1 januari 1991 tot en met.31 december 1993 (stuk 19 verweerder op hoofdvordering), blijkt eiser op hoofdvordering op 15 juni 1995 een akkoord te hebben neergeschreven (stuk 19 verweerder op hoofdvordering, laatste blad), en toont hij geen door hem beweerd wilsgebrek in zijnen hoofde aan, noch enige handeling of handelwijze van verweerder op hoofdvordering waaruit onbehoorlijk bestuur blijkt.

Daarover ligt bovendien het dwangbevel van 6 oktober 1995 voor (stuk 20 verweerder op hoofdvordering) dat is betekend op 20 november 1995 (stuk 21 verweerder op hoofdvordering) en nogmaals op 8 augustus 2000 (stuk 22 verweerder op hoofdvordering).

De telkens door verweerder op hoofdvordering gevorderde boetes blijken elk voor zich toepassing te vormen van de wettelijk te dezen bepaalde herleide boetes.

Deze boetes vormen, in de gevallen waar de BTW-vordering bijzondere rekeningen betreft, het gevolg van het opstellen van deze bijzondere rekeningen die zelf voortkomen uit de door eiser op hoofdvordering zelf ingediende aangiftes, en in het geval waarin de BTW-vordering de correctieopgave betreft, een daarin uitdrukkelijk gemotiveerde en berekende boeteomscbrijving.

Ook te dezen is onbehoorlijk bestuur van verweerder op hoofdvordering bier bijgevolg behoorlijk zoek.

Het is tenslotte niet omdat eiser op hoofdvordering geding voert dat hij zulks louter uit dilatoir oogpunt zou doen, nu omtrent een deel van de BTW-vordering zelfs de noodzaak tot heropening van de debatten nodig is gebleken, en het bovendien is gebleken dat de verzetsvordering ten dele - weze het slechts beperkt - gegrond is bevonden.

Ook werd aan verweerder op hoofdvordering het verder nemen van bewarende maatregelen niet ontnomen door het voeren van het geding.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de hoofdvordering toelaatbaar maar slechts zeer gedeeltelijk gegrond.

Verbiedt verweerder op hoofdvordering de uitvoering van het bestreden dwangbevel van 8 augustus 2000 in de mate dat het betrekking heeft op de bijzondere rekening over de periode van 30 april 1985 tot en met 31 juli 1985.

Wijst eiser op hoofdvordering af van het meer- of anders gevorderde.

Verklaart de tegenvordering ongegrond.

Veroordeelt eiser op hoofdvordering tot vier vijfden van de kosten van het geding, en verweerder op hoofdvordering tot één vijfde van de kosten van het geding, de kosten aan elke zijde begroot zijnde in de respectieve conclusies en in de dagvaarding, doch door de rechtbank ambtshalve in hun geheel vereffend op … EUR dagvaardingskosten en op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eiser op hoofdvordering en op … EUR aan de zijde van verweerder op hoofdvordering bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.