Tribunal de première instance d'Anvers, 28 mai 1996 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 28 mai 1996

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 28 mai 1996Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-1996-05-28-dd20

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
28 mai 1996

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

80 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 28.05.1996

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V 0 N N I S gewezen. en uitgesproken in hét gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig mei negentienhonderd zesennegentig in openbare zitting van de zestiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

I. V. O., enig rechter,

R. D., griffier.

In zake AR nr. 82.445

S. S., huisvrouw, wonende te …, …

eisende partij

verschijnend bij Meester M. C. loco Meester V. D., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, .vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italielei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnend bij Meester A. V. L. d. J., advocaat te 2018 Antwerpen, Van breestraat 21


Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging, o.m. :

- de inleidende dagvaarding d.d. 27 april 1993 betekend door J. D. B., gerechtsdeurwaarder te Antwerpen

- de beschikking ex art. 747 par. 2 Ger.W. d.d. 14 december 1995;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord partijen in hun middelen en besluiten ontwikkeld in de Nederlandse taal ter openbare terechtzitting van 14 mei 1996.


1. De vordering strekt er in hoofdzaak toe, vernietiging te bekomen van het dwangbevel, uitgevaardigd door verweerder op 9 april 1993 naar aanleiding van een controle, uitgevoerd met betrekking tot eiseres op 26 september 1991 over de periode van 1 oktober 1987 tot 31 december 1989.

Bij genoemd dwangbevel werd aan verweerster in hoofdsom een bijkomend bedrag van … Fr. aan BTW in rekening gebracht, en dit op grond van de beweerde meeromzet die eiseres zou gerealiseerd hebben.

Eiseres ontkent deze meeromzet.

2. Algemene beschouwingen over de bewijsvoering.

Op verweerder rust de bewijslast van zijn beweringen. Daartoe beschikt hij over een wettelijk, zij het weerlegbaar vermoeden dat de vaststellingen, opgenomen in een proces-verbaal van verweerders controleurs juist zijn.

Vanzelfsprekend kan deze bijzondere bewijskracht slechts toegekend worden aan de zintuiglijke waarnemingen van de verbalisanten.

Waar het om een louter feitelijke aangelegenheid gaat, kan dit bewijs evenwel ook met alle middelen geleverd worden, met inbegrip van vermoedens.

Het is dan ook geenszins vereist dat de rechtbank zich, ter appreciatie van het dwangbevel, uitsluitend zou steunen op gegevens die in een proces-verbaal vermeld worden als zintuiglijk waargenomen door een van verweerders ambtenaren.

Naast deze gegevens kunnen alle andere feiten en feitelijke omstandigheden in aanmerking genomen worden, waar deze inlichtingen ook vandaan komen - alweze het de algemene bekendheid.

De bewijskracht die van deze bewijsvoering uitgaat hangt in de eerste plaats af van de mate waarin ze de rechtbank weet te overtuigen.

In het Belgische recht bestaan er immers geen formele regels voor het bewijzen van feitelijkheden. Weliswaar dient de rechter zich, bij het besluiten tot een onbekend feit, te baseren op een bekend feit maar het is de feitenrechter, die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet "bekend" is (Cass. 24 november 1961, Pas. 1962 I 367 ). Het karakter van "bekend feit" dient niet eens te bestaan in hoofde van elk der afzonderlijke elementen waarop de feitenrechter zijn oordeel steunt : de rechter kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook indien die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid geven (Cass. 7 november 1983; RW.1984-85,1224).

Het bewijs van feitelijkheden wordt dan ook veeleer beheerst door de regels van de logica en gezond verstand dan door wettelijke bepalingen; art. 1349 en 1353 .BW zijn uiteindelijk niet meer dan verwijzingen naar de verplichting van de rechter, de hem voorgelegde bewijsvoering opeen rationele manier te benaderen.

De bedenkingen die een feitenrechter bij het appreciëren van het concrete bewijsmateriaal formuleert mogen dan ook niet aangezien worden als algemeen geldende principes; het is de rechter trouwens verboden uitspraak te doen bij wijze van algemeen principe (art. 6 Ger. Wb.). Zulke bedenkingen beperken niet in het minst de bevoegdheid van andere rechters om andere zaken anders te appreciëren aan de hand van de concrete omstandigheden van die zaken.

Aldus hebben de "regels” die eiseres aan de hand van feitelijke rechtspraak meent te kunnen formuleren nopens het al dan niet geoorloofd karakter van bepaalde deducties, geen enkele grond.

Zo meent ze ten onrechte dat "eenzijdige documenten en eenzijdige notities, uitgaande van de leverancier, op zichzelf geen afdoende bewijs vormen ten aanzien van derden" of "dat de bekende feiten waarop de vermoedens berusten, ofwel materialiter moeten vastgesteld zijn in een proces-verbaal, ofwel moeten bewezen worden met aan tegenspraak onderworpen stukken". In dit opzicht wees het Hof van Cassatie er nog recent op (Cass. 4 december 1994, RW 1995-96,1267) "dat er geen algemeen toepasbaar algemeen rechtsbeginsel bestaat inzake het contradictoir karakter van het debat dat verschilt van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging". Het volstaat dan ook dat de stukken, waarop de rechter zich steunt om zijn overtuiging te vormen, in de loop van de procedure medegedeeld werden aan de partij tegen wie ze ingeroepen worden derwijze dat deze de mogelijkheid krijgt zich ertegen te verweren; de oorsprong en ontstaanswijze van deze stukken is evenwel zonder belang.·

Verweerder kan dan ook niet het recht ontzegd worden, zich te beroepen op alle elementen van haar processen-verbaal en tevens te steunen op andere gegevens teneinde te komen tot een geheel van vermoedens die de rechtbank kunnen·overtuigen van de juistheid van het door hem geponeerde feit.

De vraag of aan sommige van deze elementen de bijzondere bewijskracht van art. 59 W.BTW kan toegekend worden, komt pas aan de orde wanneer de rechtbank niet overtuigd wordt door de aangevoerde gegevens als dusdanig.

wettelijke vermoedens en omkering van de bewijslast zijn immers veeleer een regeling van het bewijsrisico, dit wil zeggen, de kans dat de rechtbank er, niettegenstaande de loyale medewerking van beide partijen aan de bewijsvoering, niet in slaagt zekerheid te verwerven.

3. Schending van de rechten der verdediging

Los van het bewijs van de door de BTW-administratie aangevoerde feiten, betekent een eventuele verkeerde redenering in het dwangbevel of in een proces-verbaal op zichzelf geen schending van de rechten der verdediging.

Op het ogenblik dat wordt uitgemaakt of de BTW-vordering terecht werd ingesteld - dit is in de fase van de gerechtelijke behandeling - krijgt de belastingplichtige immers; in het kader van het onderzoek naar de grond, de gelegenheid om kennis te nemen van alle stukken waarop de administratie meent zich te kunnen steunen en om de juistheid te betwisten van elke door haar geformuleerde redenering.

Niets belet trouwens de belastingambtenaar om in het kader van een proces-verbaal al conclusies te trekken - al zullen deze conclusies niet mede genieten van de bijzondere bewijskracht die aan de in dit PV vermelde vaststellingen wordt toegekend.

Waar de Heer C. in het PV van 7 april 1993 vaststelde dat “uit een proces-verbaal ... blijkt dat Mevrouw S. S. regelmatig aankopen verricht waarvoor geen factuur op haar naam werd uitgereikt", trekt hij kennelijk alleen maar een conclusie uit het door hemzelf ingeroepen proces-verbaal.

Hieronder zal de rechtbank onderzoeken of deze conclusie terecht was.

4. De feiten

Volgens een proces-verbaal van verweerders ambtenaren d.d. 28 februari 1991 werd bij een controle met nazicht van de boekhouding bij de NV B. S. te … vastgesteld dat iedere klant een klantnummer heeft met drie varianten, waarbij namelijk het eerste cijfer varieerde tussen 1, 2 of 3.

Bij de variante "1" betrof het een levering die gefactureerd werd op naam van de klant en die op zijn adres afgeleverd werden.

Bij de variante "2" werd de levering verricht op het adres van de klant maar wordt gefactureerd op een identiteit die door de klant bij elke bestelling wordt opgegeven.

De variante "3" heeft betrekking op huurgelden die aan de klant aangerekend worden en wordt verder buiten beschouwing gelaten.

Deze klantnummers komen, blijkens de neergelegde stukken, ook voor op de aan eiseres gerichte facturen en leveringsbons.

Voor zover desbetreffend twijfel zou mogelijk zijn, stelt de rechtbank vast dat het voor de controleurs in het geheel van de boekhouding ongetwijfeld gemakkelijk vast te stellen was dat er werkelijk een samenhang bestond tussen het al dan niet splitsen van leveringsadres en facturatieadres en de varianten "1" en "2", zodat de rechtbank deze samenhang als bewezen aanvaardt.

Zulks werd trouwens bevestigd door de zaakvoerder van de NV B. S. in het proces-verbaal dat de ambtenaren van verweerder opstelden op 21 december 1994.

In hun genoemd proces-verbaal van 28 februari 1991 stelden de ambtenaren van verweerder vast dat zich in de boekhouding van de NV B. S. een aantal facturen bevonden waarvan het leveringsadres verwees naar eiseres doch die aan derden gefactureerd waren.

Tevens werd vastgesteld dat eiseres daarnaast ook zelf voorkwam als regelmatige klant van de brouwerij.

Uit het proces-verbaal, opgesteld door de ambtenaren van verweerder op 21 december 1994, blijkt dat volgens de zaakvoerder van de NV B. S. verklaarde dat in zulke gevallen de bestelling van alle te leveren dranken, "bijna steeds van de cafébaas kwam. Slechts uitzonderlijk gebeurde het dat een derde persoon vroeg om dranken te leveren voor een bepaald feest in het café."

Tevens verklaarde hij dat "bijna steeds werd alles contant betaald door de cafébaas aan de chauffeur of ter plaatse in de brouwerij". Blijkens zijn verklaring aanzag de brouwerij de cafébaas trouwens alleszins als haar debiteur : "alzo wisten we wie we moesten aanspreken als de rekening niet betaald werd".

Uit zijn verklaring volgt ook dat het leeggoed van de aan een café geleverde doch aan een derde gefactureerde goederen steeds ook bij het café werd teruggenomen. Het blijkt trouwens dat er van de "derden" in 1989 32 meer vaten van Ster Ale werden teruggenomen dan er hen geleverd waren !

Blijkens de stukken die in de boekhouding van de NV. B. S. aangetroffen werden, werden in de periode van juni 1988 toten met december 1989 aan eiseres 114 leveringen gedaan die aan derden gefactureerd werden, hetzij gemiddeld 6 per maand. Deze leveringen hadden een gezamenlijke waarde van … Fr., hetzij gemiddeld … Fr. per bestelling of … Fr. per maand.

Uit deze stukken blijkt tevens dat de "bestellingen door derden” steeds samenvallen met een bestelling die aan eiseres zelf diende gefactureerd te worden; de nummers van beide leveringsbons zijn immers opeenvolgend.

De identiteit van de "derde" blijkt trouwens vaak niet te achterhalen (zie bijvoorbeeld leveringsbon nr. … : J. A. – Meer; nr. … : Schuttersvereniging – Meer; nr. … : Boeren - Meerle); huisnummers worden haast nergens vermeld.

Eiseres spreekt niet tegen dat :

- de leveringsbons oprecht zijn in die zin dat de leveringen wel degelijk op haar adres gebeurden en de vermelde hoeveelheden betroffen;

- in haar uitbating geen afzonderlijke ruimte is waar private feestjes zouden kunnen gehouden worden, zoals door verweerder voorgehouden;

- dat er evenmin een afzonderlijke tapinstallatie aanwezig is.

De hypothese dat de in de leveringsbons genoemde derden - blijkbaar particulieren - zelf al deze goederen verbruikten, is onhoudbaar. Het gaat hoofdzakelijk om vaten bier van 50 en 30 liter, welke niet zonder de daartoe geëigende installatie gebruikt kunnen worden. De leveringen betreffen trouwens hoeveelheden die elke idee aan privé verbruik uitsluiten.

Bovendien is het duidelijk dat, waar zowel de levering als de terughaling van het leeggoed op het adres van eiseres gebeurde, de dranken ook daar verbruikt werden. Nochtans geeft eiseres geen enkele uitleg voor het feit dat wekelijks honderden liters bier op haar adres verbruikt werden zonder zij daardoor enige belastbare omzet zou gerealiseerd hebben. Indien er een plausibele uitleg is voor dit fenomeen diende zij, gezien de verplichting van alle partijen, loyaal mee te werken aan de bewijsvoering, verweerder en de rechtbank daarvan in kennis en kan zij zich er niet achter verschuilen dat de bewijslast niet bij haar berust.

Ten onrechte beklaagt eiseres zich erover dat geen verificaties bij haar verricht werden.

Vanzelfsprekend is het niet uit te sluiten dat nog nader onderzoek nog meer bewijzen had opgeleverd. In het kader van de bewijslevering door middel van feitelijke vermoedens is evenwel geen enkele "verificatie" noodzakelijk eens voldoende gegevens beschikbaar zijn om elke redelijke twijfel uit te sluiten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering van de administratie gestaafd wordt·door gewichtige, bepaalde en samenlopende vermoedens.

5. Betreffende de verhoging van de geldboete

Nu blijkt .dat de verhoging van deze boete geen strafmaatregel is, kan hij ook niet aanzien worden als een middel om de belastingplichtige te penaliseren voor het feit dat hij zijn standpunt aan de rechtbank wil voorleggen.

Zulke boete is trouwens niet het enige nadeel dat dreigt voor degene die zich onterecht tot de rechtbank wendt : niemand zal toch beweren dat de veroordeling tot de gerechtskosten bedoeld is om de rechtsonderhorigen te beletten zich tot de rechtbank te wenden.

Evenmin kan eiseres zich erover beklagen dat ze niet de kans heeft gekregen vrijwillig te betalen. Reeds op 9 en 13 april waren haar immers betalingsberichten verzonden waaraan ze geen gevolg heeft gegeven. Geen wet schrijft voor, haar nog een bijkomend uitstel te verlenen nà het dwangbevel.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende in eerste aanleg en op tegenspraak,

alle andere en strijdige besluiten verwerpend,

verklaart de eis ontvankelijk doch ongegrond; wijst eiseres ervan af;

veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding op heden begroot in hoofde van verweerder op :

- rechtsplegingsvergoeding : … fr. en wijst het meergevorderde der kosten af.

R. D. I. V. O.