Travaux immobiliers, Taux réduit de TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 8 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Travaux immobiliers, Taux réduit de TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-reduit-tva-cour-appel-anvers-2020-12-08-96db

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
8 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 08.12.2020

WF 711-15-17/035730

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Taux réduit de TVA - Démolition et reconstruction de bâtiments dans des zones urbaines

Dispositions légales

Article 1er et rubrique XXXVII - Démolition et reconstruction de bâtiments dans des zones urbaines - du tableau A de l’annexe à l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970

Synthèse

1) Les faits et les antécédents de procédure

Le litige concerne l’application du taux réduit de TVA aux travaux de démolition et reconstruction de bâtiments dans des zones urbaines et plus précisément lorsque les travaux de démolition ont été effectués en partie par la partie adverse après être devenue propriétaire du bâtiment.

La partie adverse avait demandé à l'administration l'autorisation préalable d'appliquer le taux réduit de TVA dans le cadre de ces travaux. Après l’avoir examinée, l'administration a rejeté la demande par le biais d'une décision. L’administration estimait qu’en l’espèce il ne s’agissait pas d’une démolition et d’une reconstruction mais uniquement d’une reconstruction. Malgré une négociation supplémentaire, l'administration a maintenu sa position.

La partie adverse a déposé une requête fiscale contradictoire contre cette décision au greffe du tribunal de première instance du Limbourg, Division Hasselt. En première instance, le juge a décidé que la demande était recevable mais non fondée. La partie adverse a introduit un recours en appel contre ce jugement.

2) L’arrêt de la cour d’appel

* Le taux de TVA applicable

Le permis de bâtir des anciens propriétaires indiquait que la parcelle serait divisée en une construction fermée et une construction semi-ouverte. Ce permis comprenait également un permis de démolition pour les bâtiments existants. Dans l'acte de subdivision ultérieur, la parcelle à subdiviser était décrite comme une maison démolie avec un terrain associé. Dans l'acte notarié de la construction fermée, le bien immobilier vendu était décrit comme un terrain à bâtir.

Malgré ces descriptions, l’appelant a présenté des documents qui confirment l’existence des travaux de démolition qu'il avait effectivement effectués. En l’espèce, il s'agit de l'excavation et de l'enlèvement des fondations restantes, de la démolition d'un mur de séparation et de travaux de démolition et de déblayement au moyen d’une pelleteuse excavatrice légère. Selon l’appelant, les travaux d'infrastructure et les travaux d’étayage effectués devaient également être inclus dans les travaux de démolition. Suite à la démolition des fondations, ces travaux étaient nécessaires pour maintenir la stabilité du mur commun et du mur latéral de la maison adjacente. Même si aucune nouvelle habitation ne devait être construite, ces travaux étaient nécessaires.

La cour juge qu’il ne peut pas être contesté que l’appelant a exécuté des travaux de démolition. La cour estime également que les travaux d’étayage doivent être compris dans les travaux de démolition. Par voie de de conséquence, les coûts de démolition à charge de l’appelant se sont élevés à 47 546,09 euros tandis que les coûts de démolition des anciens propriétaires se sont élevés à 6 500 euros. Cela démontre que les travaux de démolition commencés par les anciens propriétaires n'ont surement pas été achevés et ont été poursuivis par l'appelant. Dès lors la cour d’appel juge que l’appelant a satisfait aux conditions exigées pour que le taux réduit de TVA soit appliqué aux travaux de démolition et reconstruction de bâtiments dans des zones urbaines.

Observation

L’administration a acquiescé à l’arrêt. Un pourvoi en cassation aurait obligé la Cour de cassation à apprécier les faits, ce qui ne relève pas de sa compétence.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep te Antwerpen, Kamer B6E2, burgerlijke zaken, 8 december 2020

Rol: 2019/AR/360

J.S., RRN ••.••.••-•••.••, wonende te ..., Eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 24 januari 2019, gekend onder rolnummer 17/1645/A

tegen

BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO Centrum Hasselt, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 24 januari 2019, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 25 februari 2019, waarbij tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Op 4 augustus 2016 werd door eiser in hoger beroep een verklaring ingediend conform rubriek XXXVII tabel A K.B. nr. 20 teneinde toepassing te verkrijgen van het verlaagde B.T.W.­ tarief van 6% op werk in onroerende staat die de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning te Hasselt, Singelbeekstraat 62. Bij beslissing d.d. 19 augustus 2016 werd meegedeeld dat eiser in hoger beroep niet in aanmerking kwam voor de toepassing van het verlaagd tarief.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 30 juni 2017, vorderde eiser in hoger beroep het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, voor recht te zeggen dat het verlaagde B.T.W.-tarief van 6% van toepassing is op de afbraak en heropbouw van het onroerend goed te Hasselt, Singelbeekstraat 62, de Belgische Staat te veroordelen tot de teruggave van het surplus (21%- 6% = 15%) aan B.T.W. dat eiser in hoger beroep ten onrechte heeft betaald, meer wettelijke intresten en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten, begroot op 0 EUR bij gebreke aan vertegenwoordiging van de Belgische Staat door een raadsman.

De eerste rechter oordeelde dat enkel de bouwheer, zijnde diegene die het gebouw zelf afbreekt en heropricht of dit laat doen, zich kan beroepen op het verlaagd tarief van 6%. De rechtbank stelde vast dat de verkavelingsvergunning als uitdrukkelijke voorwaarde stelde dat de woning met bijgebouwen diende afgebroken te zijn vooraleer de loten verkocht mogen worden. In de verkavelingsakte werd het goed omschreven als 'een gesloopte woning op en met grond en achterliggende grond'. Eiser in hoger beroep kocht een perceel bouwgrond aan en in de bouwvergunning werd vermeld 'voorwaardelijke vergunning voor het slopen van een bijgebouw en gemene muur links+ bouwen van een eengezinswoning'. Uit het proces-verbaal van vaststellingen blijkt dat enkel een scheidingsmuur en een muurtje van het bijgebouw werden gesloopt. De eerste rechter oordeelde dat de facturen niet aantonen dat er significante afbraakwerken van een gebouw door eiser in hoger beroep werden uitgevoerd.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 25 februari 2019, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiser in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering toe te wijzen, voor recht te zeggen dat het verlaagde tarief van toepassing is op de afbraak en de heropbouw van het onroerend goed gelegen te Hasselt, Singelbeekstraat 62 en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 1.440 EUR.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, begroot op 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

3. Bespreking.

Eiser in hoger beroep verzocht als bouwheer om de toepassing van het verlaagd tarief van 6% op werken in onroerende staat met als voorwerp de afbraak en daarmee gepaard gaande heropbouw van een gebouw conform rubriek XXXVII, tabel A, K.B. nr. 20 voor het gebouw gelegen aan de Singelbeekstraat 62 te Hasselt. Hiertoe werd op 4 augustus 2016 een verklaring ingediend.

De Belgische Staat betwist de toepassing van het verlaagd tarief omdat er geen sprake zou zijn van de afbraak en daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning door eiser in hoger beroep als bouwheer.

Uit de memorie van toelichting bij de Programmawet van 27 december 2006 (Pari. St. Kamer 2006-2007, DOC 51 2773/001, 50-51) blijkt dat het doel van de wetgever bij de invoering van de tariefverlaging in rubriek XXXVII van tabel A bij K.B. nr. 20 het stimuleren was van de afbraak en heropbouw van privéwoningen in bepaalde achtergestelde stadsgebieden, zogenaamde 'stadskankers', door de invoering van een fiscaal gunstbeleid, met name de toepassing van het verlaagd tarief van 6% op de afbraak van de onbewoonbare woningen en daarmee gepaard gaande heropbouw van degelijke woningen. Dit verlaagd tarief wordt toegekend aan de bouwheer die het gebouw afbreekt en een nieuwe woning laat oprichten (Rubriek XXXVII, tweede lid, 4°, a tabel A bij K.B. nr. 20).

De Belgische Staat stelt dat de vorige woning en het bijgebouw reeds werden afgebroken voor eiser in hoger beroep het onroerend goed aankocht. De werken die door eiser in hoger beroep werden uitgevoerd zouden slechts in geringe mate betrekking hebben op de afbraak. Er zou slechts een muurtje van een bijgebouw zijn afgebroken samen met een gemene muur.

Op 17 april 2013 werd een verkavelingsvergunning afgeleverd aan de voormalige eigenaars van het onroerend goed, de heer en mevrouw G.-C.. Ingevolge deze vergunning zou het perceel, waarop een bestaande woning met bijgebouw staan, in twee loten worden gesplitst, één in gesloten bebouwing en één in halfopen bebouwing. Deze vergunning hield tevens een sloopvergunning in van de bestaande bebouwingen. Er werd gespecificeerd dat de woning met bijgebouw diende afgebroken te zijn vooraleer de loten verkocht mogen worden. In de verkavelingsakte d.d. 24 oktober 2014 werd het te verkavelen goed omschreven als 'een gesloopte woning op en met grond en achterliggende grond'.

Het lot in gesloten bebouwing werd bij notariële akte d.d. 9 oktober 2015 door eiser in hoger beroep gekocht. In de notariële akte werd het verkochte goed omschreven als 'een perceel bouwgrond'.

De administratie leidt uit het voorgaande af dat de bestaande woning met bijgebouw werd afgebroken door de vorige eigenaars en dat door eiser in hoger beroep, behoudens van een muurtje, geen afbraakwerken werden verricht. Eiser in hoger beroep zou als bouwheer dan ook geen toepassing kunnen maken van het verlaagd tarief.

Eiser in hoger beroep stelt dat niettemin ook door hem afbraakwerken werden verricht. Hij verwijst hiervoor naar drie facturen voor een bedrag van 4.178 EUR, exclusief B.T.W. waarbij de kosten werden gefactureerd voor de uitgraving en afvoering van funderingsrestanten, het afbreken van een scheidingsmuur en afbraak- en opruimingswerken met minigraver. Eiser in hoger beroep stelt dat ook de onderbouwwerken ten bedrage van 43.368,09 EUR, exclusief B.T.W. als afbraakwerken dienen te worden gekwalificeerd.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden betwist dat door eiser in hoger beroep afbraakwerken werden uitgevoerd en dit in weerwil van de specificatie dat bouwgrond werd aangekocht en in weerwil van de afbraak van de bestaande woning door de voormalige eigenaars. Zulks blijkt in het bijzonder uit de omschrijving van de uitgevoerde afbraakwerken in de drie facturen voor een bedrag van samen 4.178 EUR, exclusief B.T.W. Het blijkt tevens uit de stedenbouwkundige vergunning die werd verleend aan eiser in hoger beroep op 20 juli 2016 voor het slopen van het bijgebouw en de gemene muur links en het bouwen van een eengezinswoning. Ook het proces-verbaal van vaststelling d.d. 18 augustus 2016 maakt - minstens- gewag van een muurtje dat op de grond van de Singelbeekstraat nr. 62 staat.

De vraag rijst echter naar de omvang van de afbraakwerken door eiser in hoger beroep, gelet immers op de quasi integrale afbraak van de bestaande woning met bijgebouw bovengronds door de vorige eigenaars. Eiser in hoger beroep verwijst ter zake niet onterecht naar de voorafgaande beslissing 2016.023 d.d. 31 mei 2016 waarbij de Dienst Voorafgaande Beslissingen voor de toepassing van het verlaagd tarief aanvaardde dat, in weerwil van de afbraak van het gebouw bovengronds, er toch nog sprake kan zijn van afbraakwerken ondergronds van een gebouw met significante omvang. Ter beoordeling werd daarbij de kostprijs van de nog uit te voeren afbraakwerken in aanmerking genomen in verhouding tot de kostprijs van de vroeger reeds uitgevoerde werken.

Ter beoordeling dient aldus het bedrag van de door eiser in hoger beroep betaalde afbraakwerken in aanmerking te worden genomen, zijnde de drie facturen voor de uitgraving en afvoering van funderingsrestanten, het afbreken van een scheidingsmuur en afbraak- en opruimingswerken met minigraver. Eiser in hoger beroep stelt dat ook de kosten voor de onderbouw- of onderschoeiingswerken daarbij in aanmerking moeten worden genomen omdat deze werken door de afbraak van de funderingen noodzakelijk waren voor de stabiliteit van de gemene muur en zijgevel van de aanpalende woning. Zelfs indien geen nieuwe woning zou worden opgericht, zouden de onderschoeiingswerken noodzakelijk zijn.

Onderschoeien is een stabilisatietechniek waarbij bestaande funderingen en scheidingsmuren onderbouwd en verdiept worden. Ze dient ter stabilisatie van scheidingsmuren wanneer de fundamenten van de bestaande gebouwen ontoereikend zijn en om grondverzakkingen te vermijden.

In casu staat vast dat door eiser in hoger beroep de funderingen van de bestaande woning op het door hem aangekochte perceel werden afgebroken en dat vervolgens onderschoeiingswerken werden uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat deze werken noodzakelijk waren ten gevolge van de afbraak van de funderingen van de bestaande woning en dit teneinde de stabiliteit van de aangrenzende woningen te garanderen en grondverzakkingen ten gevolge van de afbraak te vermijden. Zulks blijkt uit de offerte van de aannemer C.V.R. NV waarin gestipuleerd werd dat de werken tot doel hadden de funderingen van de gemene muren te ondervangen en om grondontspanning te vermijden. Deze werken waren dan ook noodzakelijk, ongeacht de latere heropbouw van een woning en ongeacht de onderkeldering ervan. Ook indien geen nieuwe woning zou zijn opgericht of indien geen kelder zou zijn gebouwd, dienden de werken immers uitgevoerd te worden. Het enkele feit dat onderschoeiingswerken ook de stabiliteit van de nieuwe woning, meer bepaald van de gemene muren, ten goede kwam, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de afbraak van de oude funderingen de werken hoe dan ook noodzaakte. De onderbouwwerken hadden dan ook geen betrekking op de bouw van de nieuwe woning.

De kosten van deze onderschoeiingswerken dienen dan ook met de kosten van de overige afbraakwerken in aanmerking genomen worden, ter beoordeling of door eiser in hoger beroep als bouwheer ondergronds belangrijke afbraakwerken werden uitgevoerd in weerwil van de afbraak bovengronds door de vorige eigenaars. Aldus stelt het hof vast dat de kosten die inherent waren aan de afbraak door eiser in hoger beroep 47.546,09 EUR bedroegen, terwijl de afbraakkosten van de vorige eigenaars 6.500 EUR bedroegen, bedrag dat niet door partijen wordt betwist. De door de vorige eigenaars aangevatte afbraakwerken waren derhalve geenszins afgerond en werden aldus verdergezet door eiser in hoger beroep.

Het hof acht het dan ook voldoende aangetoond dat eiser in hoger beroep als bouwheer afbraakwerken heeft verricht en daarmee gepaard gaand de heropbouw van een eengezinswoning, zodat voldaan is aan de voorwaarden om te kunnen genieten van het verlaagd B.T.W.-tarief van 6%. Het hoger beroep van eiser in hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Ondergeschikt vordert de Belgische Staat dat er door de leveranciers/dienstverrichters verbeterende stukken dienen te worden opgemaakt op grond van artikel 77 en 79 W.B.T.W.. De betrokken leveranciers/dienstverrichters zijn geen partij in huidig geding zodat het hof niet bevoegd is de opmaak van de verbeterende stukken te bevelen.

Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is ontvankelijk en gegrond en het bestreden vonnis dient te worden hervormd.

Eiser in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding op een bedrag van 1.440 EUR per aanleg voor een niet in geld waardeerbare vordering. De vordering die strekt tot de terugbetaling van B.T.W. is een in geld waardeerbare vordering. De rechtsplegingsvergoeding wordt dan ook begroot op 1.080 EUR. Deze wordt met de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 20 EUR per aanleg ten laste gelegd van verweerder in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en zegt voor recht dat het verlaagd tarief van toepassing is op de afbraak en de heropbouw van het onroerend goed te Hasselt, Singelbeekstraat 62.

Het hof beveelt de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen, meer intresten in toepassing van artikel 91 W.B.T.W..

Het hof veroordeelt verweerder in hoge beroep tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds per aanleg.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 08 december 2020 door

E. DE BRAUWER Raadsheer

E. CLEYMANS Griffi

Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro de registre national) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.