Transport, Compte courant TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 23/1643/A 11 décembre 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Transport, Compte courant TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-compte-courant-tva-siege-tribunal-gand-2025-12-11-6cd3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Numéro de rôle
23/1643/A
Date
11 décembre 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

105 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 11.12.2025 ( 23/1643/A)

FIN 54880597-01

[ Favorable ]

TVA – Transport – Compte courant TVA – Siège social dans un autre État membre

Texte intégral:

Corps de la décision

Ce jugement n'est disponible que dans la langue originale.

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 11.12.2025

( 23/1643/A)

In de zaak van:

cie1, (vennootschap naar Bulgaars recht), met zetel te Bulgarije, ... ..., ... ..., ingeschreven in het Bulgaarse rechtspersonenregister onder het nummer ..., die woonstkeuze doet bij haar raadsman hierna nader vermeld,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. RENIER PHILIPPE, advocaat te 3500 Hasselt, Casterstraat 70 bus 1;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, KBO 0308.357.159, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal te :

- KMO Centrum Aalst — beheer Team 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 572,

- KMO Centrum Specifieke Materies — Beheer Team 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 735,

verwerende partij, hebbende als raadsman mr. DECORDIER CARMENTA, advocaat te 9041 Gent, Orchideestraat 61A;

beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 13 november 2025. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging in en het verzoekschrift van 15 juni 2023, en de conclusies van partijen.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in 'eerste conclusies':

de beslissing tot ambtshalve toekenning van het actieve, dan niet-actieve btw-nummer ... ex tunc nietig te verklaren en de Administratie te bevelen over te gaan tot retroactieve schrapping van voormeld actief of niet-actief btw-nummer op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag met een maximum van 365.000 EUR (365 X1.000);

te zeggen voor recht dat er geen btw-rekening-courant in hoofde van Eiseres kan worden gecreëerd;

In ieder geval,

de Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 1.800,00 EUR (het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen) cf. artikel 1022 Ger, W. juncto KB 26 oktober 2007".

Verweerster vordert in syntheseconclusie:

"De vordering van eiseres onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond in al haar onderdelen,

Eiseres te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van [verweerster] begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.883,72 EUR.

Ondergeschikt, en slechts in de mate deze rechtbank zou oordelen dat de vordering van eiseres wel degelijk in bepaalde mate gegrond zou kunnen worden verklaard, dient het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te worden herleid tot het wettelijk voorziene minimum van 117,73 EUR gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie en de zeer beperkte complexiteit van de zaak.

Minstens dient te worden vastgesteld dat [verweerster] hoogstens tot 1/4 van de basisrechtsplegingsvergoeding voor de niet in geld waardeerbare vordering in deze zaak kan worden gehouden (KB van 26 oktober 2007, art.1, laatste lid), zijnde 470,93 EUR."

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.Eiseres, de vennootschap naar Bulgaars recht cie1 maakt deel uit van een geheel van transportactiviteiten die sinds 1985 en over de jaren heen door dhr. L.V.H. werden georganiseerd middels een aantal transportondernemingen, waarvan hij zaakvoerder, oprichter, bedrijfsleider, economisch begunstigde is.

2.Eind 2021 voerde verweerster een fiscaal onderzoek lastens eiseres en deze andere vennootschappen nu er concrete en ernstige aanwijzingen voorhanden waren dat eiseres en enkele andere van deze buitenlandse vennootschappen niettegenstaande hun statutaire zetel in een andere EU-lidstaat was gevestigd, in werkelijkheid vanuit België werden geleid.

Een doorgedreven analyse op basis van gegevens uit de databanken van verweerster en andere informatie (zoals BTW VIES, VAT REFUND, informatie bekomen uit gegevensuitwisseling met de Bulgaarse fiscus (SCAC), bevraging van derden, zowel de enige klant cie2 als diverse Belgische leveranciers, aangiften personenbelasting, CRS-fiches, e.a.) bevestigden de verklaringen voortkomende uit een eerder ingediende anonieme klacht.

Uit de ingewonnen inlichtingen en bekomen informatie bleek, volgens verweerster, dat een en ander duidelijk met fraude-inzicht gebeurde.

3.Op basis van de hierboven genoemde elementen, gedetailleerd uitgewerkt in het proces-verbaal van taxatie van 22 november 2022 (stuk 1 verwerende partij), kon er geconcludeerd worden dat btw-technisch de zetel van economische activiteit van eiseres in België is gevestigd waar de onderneming zowel operationeel als bestuurlijk wordt geleid en niet in Bulgarije zoals eiseres voorhield.

4.Om een btw-schuld te kunnen registreren vereist het actuele invorderingsprogramma van verweerster dat een Belgisch btw-nummer als identificatiekenmerk van de schuldenaar wordt ingevoerd. Dit vanuit het oogpunt dat de btw-reglementering de toekenning van een btw-nummer als formaliteit oplegt.

Overeenkomstig artikel 50, §1, 1° W.BTW kent de fiscale administratie een btw-identificatienummer toe dat de letters BE bevat voor elke belastingplichtige gevestigd in België.

5

Volgens verweerster heeft de belastingplichtige minstens tijdens de gecontroleerde periode haar zetel van economische activiteit in België, m.a.w. is zij in België gevestigd.

Hieruit volgt dat voor het registreren van de btw-taxatie jegens eiseres wegens domiciliefraude voor het jaar 2015 (proces-verbaal van taxatie dd. 22 november 2022 - stuk 1 verwerende partij) de toekenning van een Belgisch btw-nummer noodzakelijk was. Dit gebeurde met ingang van 1 november 2022.

6. Daar de btw-controle werd verdergezet voor de jaren 2016 t.e.m. 2021 waarvoor een proces-verbaal van taxatie werd opgesteld op 25 oktober 2023 (stuk 2 verwerende partij) werd dit Belgisch btw-nummer tijdelijk aangehouden.

Nadat de controlewerkzaamheden werden afgerond, werd het Belgisch btw-nummer stopgezet (stuk 3 verwerende partij).

7.Eiseres vraagt verweerster over te gaan tot retroactieve schrapping van voormeld actief of niet-actief btw-nummer op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag met een maximum van 365.000 EUR (365 X1.000).

8.Op 15 juni 2023 legde eiseres hiervoor een verzoekschrift neer ter griffie van

deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake de toekenning van Belgisch btw-nummer louter ter invordering van btw-schuld

2.1.

Eiseres vraagt verweerster over te gaan tot retroactieve schrapping van voormeld actief of niet-actief btw-nummer op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag met een maximum van 365.000 EUR (365 X1.000).

2.2.

De rechtbank stelt vast dat het voor invorderingsdoeleinden gecreëerde btw-identificatienummer per vergissing 'actief' gemaakt was wat impliceerde dat het werd gekoppeld aan indieningsverplichtingen ten aanzien van de Belgische btw-administratie.

Gelet op het uitblijven van de indiening van btw-aangiften en niet-indiening van een klantenlisting, werden er blijkbaar automatisch zogenaamde bijzondere rekeningen gecreëerd waarbij de actieve btw-rekening-courant op nul werd gezet en er boeten wegens niet-indiening verschuldigd werden gemaakt.

2.3.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerster het btw-identificatienummer dan op 'niet-actief' (regime 'NN' niet-indiener) heeft gezet met ingang van 1 juni 2023, met de definitieve afsluiting van de rekening-courant inzake btw op 30 september 2023. Het computerprogramma liet blijkbaar niet toe om dit met terugwerkende kracht tot 1 november 2022 recht te zetten.

Eiseres werd hiervan bij brief van 6 oktober 2023 op de hoogte gesteld (stuk 4 verwerende partij).

2.4.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het geschil in feite zonder voorwerp is geworden. Des te meer daar verweerster de RCIV-artikelen betreffende deze bijzondere rekeningen ambtshalve heeft doorgehaald (stukken 5 en 6

verwerende partij).Het betreffen de volgende RCIV-artikelen:
- ... (bijzondererekeningvoordeperiode
30/11/2022-28/02/2023),
- ... (bijzondererekeningvoordeperiode
28/02/2023-31/05/2023),
- ... (bijzondererekeningvoordeperiode

31/05/2023-31/08/2023), en

- ... (bijzondere rekening betreffende de niet-

indiening van de klantenlisting voor het jaar 2022).

2.5.

De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom een dwangsom aan verweerster zou moeten worden opgelegd. Des te meer daar verweerster nog v66r de brief van 6 oktober 2023, in aanloop naar de inleidende zitting eiseres hiervan in kennis stelde dat zij het toegekende Belgische btw-nummer op NA ('niet-actief') zou zetten zodat er geen verdere bijzondere rekeningen (en bijhorende verzetten vanwege eiseres) zouden ontstaan.

Besluit

2.6.

De rechtbank besluit dat de vordering van eiseres na de neerlegging van het verzoekschrift én voor de inleidende openbare terechtzitting van 30 oktober 2023 zonder voorwerp is geworden.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is ongegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

 alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend;

 de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

- het geding zonder voorwerp te verklaren;

- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 24,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 11 december 2025, waar aanwezig waren :

 Thierry Loquet, rechter, voorzitter van deze kamer,

 Twiggy De Zutter, griffier.