Taxe sur la valeur ajputée · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 18 mars 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxe sur la valeur ajputée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-ajputee-droit-deduction-tribunal-bruges-2003-03-18-a317

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
18 mars 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

99 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 18.03.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND

Rep. nr. 2003/3536

in de zaak AR nr. 98/2234/A

van :

de B. J. D. NV, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester S. S., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Eerst Aanwezend Inspecteur van de BTW-ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat nr.1, die woonplaats kiest op het BTW-ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat nr. 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….

I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 februari 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op he1 taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 16 juli 1998 met verzet tegen het dwangbevel van verweerder;

2. de conclusie voor verweerder van 14 december 1998;

3. de conclusie voor eiseres van 12 december 2000;

4. de conclusie voor verweerder van 16 augustus 2001;

5. de conclusie voor eiseres van 19 februari 2002;

6. de conclusie voor verweerder van 6 juni 2002;

7. de conclusie voor eiseres van 13 juni 2002 en

8. de conclusie voor verweerder van 14 augustus 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Naar aanleiding van het 110-jarig bestaan van eiseres heeft zij in augustus 1996 grote festiviteiten ingericht in ….

Voor de conceptie en uitwerking van die festiviteiten deed eiseres beroep op een organisatiebureau dat een gedetailleerd scenario van de voorbereiding en de eigenlijke activiteiten opstelde.

De feesten werden aangekondigd in een radiospot en op affiches. Daarenboven werd ook een kusttram met de publiciteit voor de festiviteiten beschilderd. Aan de invalswegen werden de feesten ook op voorhand aangekondigd met publiciteitsborden.

Zonder in detail te treden, bestonden de diverse activiteiten die zich (gespreid over 4 dagen (twee keer een zaterdag en zondag, met concentratie op de laatste twee dagen)) afspeelden in het stadje … (ingedeeld in zones) uit orkestoptredens, beiaardconcerten, toneeltjes, een schilderijenverkoop, een retro-autorally, straatcircus, ballonvaarten, kermisattracties, een volksdansgroep, een reuzenstoet (met een reuzenhuwelijk) en een vendeliersgroep. In één van de zones was er zuivere kinderanimatie (springkastelen enz.), oude volkssporten, een reuzenstripverhaal en werden gratis ijsjes, popcorn, suikerspinnen en suikerappels aangeboden.

Gedurende de festiviteiten liep een koekjes fee rond die koekjes van eiseres uitdeelde aan de gasten.

Het centrum van … werd bevlagd en over de belangrijkste wegen werden publiciteitsbanden gespannen.

Over de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1996 werd in dat verband voor een bedrag van 11.381.870 frank (282.149,19 euro) gefactureerd aan eiseres waarop 2.327.977 frank (57.709,04 euro) BTW werd betaald.

Naar aanleiding van een controle weigerde verweerder de aftrek van die BTW. Er werd aangevoerd dat het om 'kosten van onthaal' zou gaan. Eiseres was het daarmee niet eens. Voor haar gaat het om publiciteit.

Bij gebreke aan akkoord werd op 8 januari 1998 proces-verbaal opgemaakt. Vermits eiseres niet betaalde, volgde op 14 mei 1998 een dwangbevel voor 2.322.977 frank BTW, 232.000 frank boete en de interest (RCIV-nummer …). Het dwangbevel werd op 29 mei 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

De betekening aan eiseres gebeurde op 7 juli 1996.

Met de dagvaarding van 16 juli 1998-tekende eiseres verzet aan tegen het dwangbevel en stelde zij haar huidige vordering in.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert in hoofdorde dat de rechtbank het dwangbevel zou vernietigen en zou zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

Subsidiair worden zij een ventilatie tussen de publiciteitskosten en de kosten van onthaal te maken en tevens om de boete kwijt te schelden of minstens gevoelig te verminderen.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres verwijst naar diverse rechtspraak en voert aan dat kosten van onthaal moeten beperkt blijven tot de kosten voor ontvangst van welbepaalde gasten. Volgens haar blijkt duidelijk dat de festiviteiten die zij organiseerde zich daarentegen tot iedereen richtten en dat zij wel degelijk bedoeld waren om publiciteit te maken voor haar onderneming en ter promotie van haar producten. In dat geval gaat het volgens eiseres om publiciteitskosten en moet de volledige aftrek van BTW worden toegestaan.

Voor zover de rechtbank haar hoofdstelling niet volledig zou kunnen volgen, stelt eiseres subsidiair dat er hoogstens enkele specifieke kosten zouden kunnen geweerd worden als kosten van onthaal.·De aftrek van de BTW zou dan slechts kunnen verminderd worden tot 1.966.690 frank (48.752,97 euro). Ook subsidiair doet eiseres beroep op de bevoegdheid van de rechtbank om de administratieve boete kwijt te schelden of minstens te verminderen.

2.2. Stelling van verweerder

Volgens verweerder waren de festiviteiten een animatieproject waarmee eiseres aan de gasten een namiddag ontspanning aanbood. Het logo van eiseres zou slechts bij de gasten een gunstige sfeer jegens eiseres gecreëerd hebben. Verweerder stelt dat er nergens enige aanwijzing is dat de betwiste kosten bedoeld waren als specifieke reclame voor de eigen producten van eiseres. Verweerder meent dat die kosten evengoed een gunstige sfeer creëerden jegens de stad … als jegens eiseres.

Voor verweerder is het daarom duidelijk dat de kosten alleen beoogden de algemene uitstraling van eiseres te verbeteren. Daarom zouden het precies 'kosten van onthaal' zijn.

Verweerder benadrukt dat het begrip 'kosten van onthaal' een specifiek Belgisch begrip is omdat de Europese richtlijnen het begrip niet kennen. De kosten van onthaal zouden bijna altijd een publicitair doel hebben. Daarom zou volgens verweerder niet zo zeer het doel van de kosten maar de aard ervan determinerend zijn.

2.3. Beoordeling

2.3.1. 0ver het recht op aftrek van de BTW

Overeenkomstig artikel 45, § 3, 4 W.BTW komen de 'kosten van onthaal' niet in aanmerking voor aftrek van de BTW.

De wet definieert het begrip 'kosten van onthaal' niet. De Europese richtlijn kent het begrip zelfs niet. De rechtspraak is divers. Dat kan niet verwonderen gelet op het feit dat de onderliggende feitenversies meestal verschillen. De verwijzing door eiseres naar een uitspraak van het Europees Hof van Justitie waarin het begrip 'reclame' wordt omschreven, is in de huidige context niet relevant. Aangezien de Europese wetgeving het begrip 'kosten voor onthaal' niet kent, moet in een omschrijving van 'reclame' op Europees niveau geen afbakening ten opzichte van die 'kosten van onthaal' gebeuren.

De rechtbank begrijpt het woord 'onthaal' in zijn gebruikelijke betekenis. Onthaal omvat datgene wat ten aanzien van gasten (vreemden) gedaan wordt om hen te ontvangen, begeleiden, vermaken en in het algemeen naar hun zin te maken. Daaronder vallen ook eten en drank.

Het feit dat een grote groep gasten 'onthaald' wordt, sluit in essentie niet uit dat het blijft gaan om kosten van onthaal.

Vermits elke vorm van onthaal (ook wanneer het slechts één enkele gast betreft) steeds het imago van het bedrijf zal ten goede komen, moet de stelling van verweerder worden bijgetreden dat deze kosten steeds een zekere publiciteitswaarde zullen hebben.

Nochtans sluit dit alles niet uit dat bepaalde kosten toch een echt, zelfs specifiek publiciteitskarakter hebben dat buiten het begrip 'kosten van onthaal' valt. Zoals eiseres in wezen beaamt, gaat het dan om kosten die erop gericht zijn om de onderneming bekend te maken en haar producten aan te prijzen. Het is in dat kader niet vereist dat de publiciteit slechts op één welbepaald product van een onderneming zou gericht zijn.

Concreet stelt de rechtbank vast dat de omvang van de randanimatie, de aard en inhoud van de optredens en toneelopvoeringen enz. van die omvang zijn dat de betreffende kosten niet volledig als 'publiciteitskosten' kunnen aangemerkt worden. Terecht laat verweerder onder andere gelden dat slechts één van de drie toneelopvoeringen inhoudelijk een band had met eiseres en haar producten, dat er tussen de vlaggen van de vendelzwaaiers er slechts één vlag van eiseres was, de straatbevlagging ook merendeel met andere vlaggen gebeurde, het muzikaal programma en het circus inhoudelijk geen verband hield met eiseres of haar producten en dat de te winnen prijzen hoofdzakelijk andere dan producten van eiseres waren.

Toch hadden een deel van de kosten wel een zuivere publiciteitswaarde. De affiches, de radiospots, de kusttramreclame richtten zich immers noodzakelijk niet alleen tot de mensen die werkelijk 'onthaald' werden. Ook ten aanzien van wie niet op de festiviteiten is afgekomen, heeft die publiciteit dus eiseres en haar producten aangeprezen. Dat zijn werkelijke publiciteitskosten waarvan bezwaarlijk het strikte verband met de professionele activiteit en met de belastbare handelingen van eiseres kan ontkend worden.

Ook tijdens de festiviteiten waren er enkele attracties met concrete publiciteitswaarde vermits ze de koekjes van eiseres aanprezen (onder andere de koekjes fee die gratis koekjes uitdeelde).

Naast de kosten voor de zuivere publiciteit, moet ook een deel van de algemene organisatiekosten tot de publiciteitskosten gerekend worden.

Zoals eiseres in haar conclusie van 12 december 2000 schrijft, was de viering van haar 110-jarig bestaan een ideale gelegenheid om rond haar producten een uitgebreide publiciteitscampagne op te zetten. Het bestaan van de festiviteiten was met andere woorden een bijzondere en - naar commerciële normen zeer nuttige - voorwaarde om een in het oog springende publiciteitscampagne te voeren. Publiciteit maken is immers een kwestie van op te vallen en dus iets anders dan anders te doen. In billijkheid en rekening houdend met het grote aandeel dat in de voorbereiding van de vele randanimatie moet gegaan zijn, aanvaardt de rechtbank daarom dat, naast de facturen voor de zuivere publiciteitsacties, ook een derde van de facturatie door het organisatiebureau (onder de noemer ‘Concipiëren en realiseren 110-jarig bestaan’) als publiciteitskosten in aanmerking genomen wordt.

Cijfermatig heeft dat voor gevolg dat er recht van aftrek wordt toegestaan voor (één derde van 1.670.125 frank BTW op de facturen van het organisatiebureau, zijnde 556.708 frank of 13.800,43 euro plus (1.785 + 18.541 + 9.503 + 255.623 + 11.113 =) 296.565 frank of 7.351,65 euro BTW voor zuivere publiciteitsacties. Dat geeft in het totaal een recht op aftrek voor (13.800,43 + 7.351,65 =) 21.152,08 euro (853.273 frank) in hoofdsom.

In die mate is de vordering alvast gegrond.

Het dwangbevel is nietig voor een bedrag van 21.152,08 euro aan BTW. Anders uitgedrukt, mag het slechts uitwerking hebben voor een bedrag van (2.327.977 - 853.273 = 1.474.704 frank of) 36.556,96 euro en verhoudingsgewijs vermeerderd met de interest op dat bedrag.

2.3.2. Over de administratieve boete

Verweerder acht een administratieve geldboete gepast van 232.000 frank (5.751,13 euro).

Er bestaat geen betwisting over dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om de administratieve boete te beoordelen, zelfs ten aanzien van de opportuniteit.

De rechtbank is van oordeel dat een boete gepast blijft. Eiseres kon redelijkerwijze niet verwachten dat al de door haar gemaakte kosten in het kader van de festiviteiten voor haar 110-jarig bestaan als een vorm van publiciteit zouden aanvaard worden. Bij gebrek aan een precieze wettelijke omschrijving van het begrip 'kosten van onthaal' en diversiteit in de benadering van dat begrip in de andere rechtsbronnen, heeft de betwisting nochtans ook enigszins een principieel karakter.

Rekening houdend met alle omstandigheden acht de rechtbank een administratieve geldboete van 2.500 euro gepast.

In de mate de boete in het bestreden dwangbevel het bedrag van 2.500 euro overtreft is het dwangbevel nietig en moet het zonder gevolg blijven. In die mate is ook dat deel van de vordering gegrond.

3. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk de helft van de gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen warden gecompenseerd.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger. Wb. Geldt. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak,

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel dat op 14 mei 1998 onder RCIV-nummer … jegens eiseres werd uitgevaardigd in de mate de BTW het bedrag van zesendertigduizend vijfhonderd en zesenvijftig euro, zesennegentig cent (36.556,96 EUR) overtreft enerzijds en in de mate de administratieve geldboete het bedrag van tweeduizend vijfhonderd euro (2,500 EUR) overtreft anderzijds. De rechtbank zegt voor recht dat het dwangbevel in de mate dat het die bedragen overtreft en voor de verhoudingsgewijze verschuldigd verklaarde interest, geen enkele uitwerking mag hebben.

De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en veroordeelt elk van de partijen tot het betalen van de helft van de overige gerechtskosten en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiseres :

- dagvaarding : 103,74 euro

aan de zijde van verweerder : nihil

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien maart tweeduizend en drie

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.