Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 23.03.2004
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak A.R. nr. 02/0095/A Rep. nr. 2004/4103
van
mevrouw D S., hotelhoudster-restauratrice, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer …
eiseres,
vertegenwoordigd door meester K. C., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de e.a. inspecteur BTW-ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door de heer J. V. d. P., advocaat te …
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 24 februari 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de geding inleidende dagvaarding van 7 januari 2002 waarin verzet tegen een dwangbevel gedaan wordt;
2. de conclusie voor verweerder van 6 maart 2002;
3. de conclusie voor eiseres van 24 juni 2003;
4. de conclusie voor verweerder van 22 september 2003;
5. de conclusie voor eiseres van 18 november 2003 en
6. de conclusie voor verweerder van 3 december 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres heeft tot oktober 1999 het hotel P. in … uitgebaat; vanaf juli 1999 werd ze de uitbaatster van hotel P., ook in ….
Naar aanleiding van een controle door de diensten van verweerder op 26 april 2001, werd op 30 november 2001 een proces-verbaal opgesteld. Daarin werd gesteld dat eiseres voor een bedrag van … frank (… euro) aan BTW, meer een verminderde proportionele boete van … frank (… euro) en de interest verschuldigd was.
De feiten die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal en tot de naheffing aanleiding hebben gegeven, behoren tot de betwisting van het geschil en zullen hierna bij de beoordeling ontmoet worden.
Bij gebrek aan (tijdige) betaling door eiseres, heeft verweerder op 4 december 2001 een dwangbevel uitgevaardigd voor de hoger genoemde bedragen. Het dwangbevel werd op 5 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard om op 6 december 2003 per aangetekende brief aan eiseres betekend te worden.
Met een dagvaarding van 7 januari 2002 stelde eiseres haar huidige vordering in waarmee ze verzet doet tegen het genoemde dwangbevel.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank haar verzet ontvankelijk en gegrond zou verklaren en het betreffende dwangbevel integraal zou vernietigen en elke door gedaagde genomen uitwinningsmaatregel zou nietig verklaren met voorbehoud voor alle opgelopen schade.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
Er zijn vier punten van betwisting; de rechtbank overloopt ze in de volgorde waarin eiseres ze naar voor brengt.
2.1. Controle voor boekjaar 1997
Ten onrechte roept eiseres in dat verweerder geen controle uitvoert voor het boekjaar 1997 om reden dat in de aankondiging van de controle slechts sprake was van de boekjaren 1998 en 1999.
Zoals verweerder aanvoert, was op 21 april 2001, toen de controle werd uitgevoerd, de verjaringstermijn voor het voldoen van de BTW - die vijf jaar bedraagt overeenkomstig artikel 81 W.BTW - voor het boekjaar 1997 nog niet verstreken. Bij gebrek aan specifieke bepaling met betrekking tot de controletermijn, kon verweerder binnen die termijn alvast de nodige controles uitvoeren.
Verder laten de artikelen 60 en volgende W.BTW de controlediensten van verweerder toe om alle stukken ter inzage te vragen en te nemen die wettelijk moeten bijgehouden worden. Zelfs al was slechts aangekondigd dat een controle naar de jaren 1998 en 1999 zou plaatsvinden, toch kon op 21 april 2001 nog, zonder bijzondere formaliteit, inzage gebeuren van de boekhouding van het jaar 1997 met het oog op controle.
Die grief van eiseres is bijgevolg ongegrond.
2.2. BTW-tarief in de hotelsector
Behalve voor omzetten in het hotel P. vanaf juli 1999, beroept eiseres op aanschrijving nr. 12 van 27 juli 1981 om het totaal van haar omzetten voor de ene helft aan het tarief van 6 procent en de andere helft aan het tarief van 21 procent te onderwerpen. Eén en ander is een administratieve tegemoetkoming om de opsplitsing tussen het tarief voor hotel-met-ontbijt (6 %) en het tarief voor maaltijden die verstrekt worden in de formules van half of vol pension (21 %) niet strikt cijfermatig te moeten in acht nemen.
Belangrijkste punt van betwisting door eiseres in dat verband is dat zij een gewone hoteluitbating had en dus niet tegelijk een restaurant uitbaatte. Verweerder legt nochtans vijf verschillende soorten stukken voor die uitgaan van eiseres waarin consequent melding wordt gemaakt van het feit dat eiseres naast een hotel ook een restaurant uitbaatte (inschrijving in het handelsregister, BTW-bonnetjes, publiciteitskaartje, de overeenkomst tot overlating van de handelszaak en de kennisgeving van stopzetting van die handelszaak). Bovendien ligt een proces-verbaal voor van 25 maart 1997 waarin een ambtenaar van verweerder bevestigt in het P.-hotel een menu te hebben genuttigd voor de prijs, met drank inbegrepen, van … frank (… euro).
Eiseres levert geen bewijs van het tegendeel.
De bewering van eiseres dat haar restaurant slechts voor hotelgasten gebruikt werd, is in elk geval ontkracht door het genoemde proces-verbaal van 25 maart 1997 : het bevestigt dat het restaurant toegankelijk was voor niet-hotelgasten.
Hoe dan ook gaat eiseres voorbij aan het feit dat de aanschrijving nr. 12 van 27 juli 1981 geen absoluut recht op het systeem van forfaitaire verdeling van de tarieven verleent. Ten eerste is onder punt 11 van de aanschrijving als premisse vooropgesteld dat het gaat om een hotelhouder die een enige prijs vraagt voor volledig of half pension. Bovendien staat onder punt 14 van de aanschrijving : Deze coëfficiënt vormt wel te verstaan slechts een norm; de hotelhouder kan ervan afwijken indien hij een andere prijzenpolitiek voert; zo ook kan de administratie de coëfficiënt betwisten, wanneer hij in een concreet geval duidelijk afwijkt van de werkelijkheid.
Nu heeft verweerder in zijn proces-verbaal van 30 november 2001 - tot bewijs van het tegendeel - heel uitdrukkelijk vastgesteld dat eiseres voor haar gasten die in vol of half pension verbleven, niet een enige prijs hanteerde, maar de prijs voor kamer en ontbijt gewoon verhoogde (respectievelijk met … frank (… euro) en … frank (… euro)).
Daarenboven heeft verweerder evenzeer in dat proces-verbaal gedetailleerd weergegeven voor welke bedragen eiseres de dagontvangsten uitsplitste tussen 'restaurant' en 'hotel' (en voor 1997 en 1998 ook zelfs nog 'traiteur') én heeft hij door de toepassing van de overeenkomstige BTW-tarieven vastgesteld dat eiseres in elk van de gecontroleerde jaren te weinig BTW had aangegeven. Deze vaststelling is niets anders dan een situatie waarin de administratie volgens de betreffende aanschrijving, de coëfficiënten kan betwisten, namelijk omdat ze van de werkelijkheid afwijken.
Het feit dat eiseres voor haar omzet in het Hotel P. vanaf juli 1999 geen gebruik zou gemaakt hebben van de gelijke tariefverdeling overeenkomstig de aanschrijving nr. 12 van 27 juli 1981, is zonder relevantie. Afgezien van de vaststelling dat in dat verband in de dossiers van de partijen geen aanwijzingen in de ene of de andere zin te vinden zijn, blijkt dat verweerder voor het totale jaar 1999 (dus zowel voor de uitbating in hotel P. als deze in hotel P.) het verschil gemaakt heeft tussen de BTW volgens de concrete omzet zoals vermeld in het ontvangsten boek enerzijds en de BTW die door eiseres was aangegeven anderzijds. Het feit dat het verschil in 1999 slechts … frank (… euro) bedroeg, kan een bevestiging zijn van de stelling van eiseres. Toch heeft de werkwijze die verweerder hanteert, tot gevolg dat slechts het verschil tussen de BTW die had moeten betaald zijn en de BTW die door eiseres was aangegeven en betaald werd, als supplement in rekening werd gebracht. Dat dit verschil uitsluitend van de exploitatie van hotel P. kwam, is niet relevant.
Ook deze grief is dus ongegrond.
2.3. Spontane rechtzetting van … frank (… euro) in het derde kwartaal 1999.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres in het derde kwartaal spontaan een rechtzetting gedaan heeft door een bedrag van … frank (… euro) aan haar omzet toe te voegen, maar wel in die zin dat ze dat bedrag in de kolom van 6 procent invulde.
Eiseres kan de oorsprong van dat bedrag niet verduidelijken.
Terecht laat verweerder gelden dat hij, op grond van artikel 64, § 3 W.BTW, zich op het wettelijk vermoeden kon beroepen dat het bedrag volledig aan het hoogste tarief, 21 procent, moest onderworpen worden. Met de nodige realiteitszin, heeft verweerder nochtans een omdeling gemaakt tussen 6 procent en 21 procent in functie van de verhouding die hij concreet voor 1999 heeft kunnen vaststellen aan de hand van de inschrijvingen in het ontvangstenboek.
Vermits uit de overwegingen onder punt 2.2. blijkt dat er omzetverdeling wel degelijk volgens het ontvangstenboek kon gebeuren, heeft verweerder correct gehandeld.
Bijgevolg kan aan deze grief evenmin gevolg gegeven worden.
2.4. Begrafenismaaltijd G. D. K.
De controleagent van verweerder heeft bij het 4de kantoor van de Registratie in Brugge vastgesteld dat de erfgenamen van G. D. K. een leveringsbon uitgaande ven eiseres (P. Hotel) met nummer 2806, gedateerd op14 oktober 1999 heeft uitgereikt voor een totaal bedrag, inclusief BTW van … frank (… euro). Op de bon staat vermeld dat hij betrekking heeft op (52 + 2 =) 54 menu's en bijgaande dranken voor een rouwmaaltijd D. K. G. op 2 oktober 1999.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres voor die levering van diensten geen factuur heeft uitgereikt. Hij heeft op grond van het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding de overeenkomstige BTW, namelijk … frank (… euro), opeisbaar gesteld.
Eiseres van haar kant, voert aan dat zij de BTW al aangegeven en betaald heeft. Zij beroept zich daarvoor op de kopies van haar ontvangstbewijzen met nummers … en … van respectievelijk 2 en 14 oktober 1999, voor respectievelijk 45 maaltijden aan … frank (… euro) en 10 maaltijden aan … frank (… euro).
Het is onbetwistbaar dat de ontvangstbewijzen exact dezelfde data vermelden als de twee data die op de leveringsbon staan en dat de optelling van de twee bedragen exact hetzelfde bedrag oplevert.
Al is evenzeer onbetwistbaar dat eiseres niet in regel was met haar plicht om een factuur op te maken, toch moet worden aangenomen dat zij de BTW met betrekking. tot de geleverde maaltijden heeft aangegeven en betaald. In die omstandigheden was er geen reden om de BTW nogmaals aan te rekenen.
Het feit dat eiseres - hoe onbegrijpelijk ook .. een onjuiste en verwarde uitleg probeert te geven voor de feitelijke gang van zaken, doet daaraan niets af. Ongetwijfeld heeft eiseres geen andere kans gehad dan het volledig bedrag van de maaltijd officieel te noteren toen zij op 14 oktober 1999 de betaling niet cash maar per overschrijving op haar zichtrekening ontving. Zij heeft dan maar een bijkomend ontvangstbewijs opgemaakt. Dat ze een maaltijd meer vermeldde, maakt dat scenario niet minder realistisch. Hetzelfde geldt voor het feit dat wettelijk onmiddellijk na de maaltijd een ontvangstbewijs had moeten zijn uitgereikt. Hoe dan ook blijft gelden dat eiseres - finaal - het volledig bedrag van de maaltijd in haar boekhouding en haar BTW-aangifte van het vierde kwartaal 1999 verwerkt heeft.
Bijgevolg is het dwangbevel ongegrond voor een bedrag van … frank (… euro) en het overeenkomstig deel van de boete, namelijk … frank (… euro). Wat dat betreft, is de vordering van eiseres dus gegrond.
2.5. Onttrekking voor privé-gebruik
Eiseres heeft voor de betreffende jaren telkens een bedrag van … frank (… euro) onttrekking voor privé-gebruik vermeld in haar aangifte in de Personenbelasting, maar geen vergelijkbare boekingen gedaan wat de BTW betreft.
Het volstaat uiteraard niet dat eiseres voor de inkomstenbelasting de onttrekking nooit ontkend heeft. Daarmee had ze nog niet het nodige gedaan om de overeenkomstige BTW aan te geven en af te dragen. Terecht laat verweerder gelden dat eiseres verplicht was periodiek een stuk met betrekking de onttrekking op te maken overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van KB nr. 1 en conforme aangifte te doen.
Verweerder heeft het bedrag van … frank in redelijkheid en billijkheid in gelijke mate over de tarieven van 6 en 21 procent verdeeld. Eiseres toont niet aan dat het aandeel maaltijden veel hoger zou zijn dan het aandeel drank om reden dat zij door de gasten zou getrakteerd worden.
Deze grief is dan ook ongegrond.
3. De gerechtskosten
Eiseres wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie (als daar al aanleiding toe bestaat). De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
Voor de uitsluiting van het kantonnement - indien deze uitspraak daartoe al zou kunnen aanleiding geven, nu niet blijkt of eiseres al betaalde - ziet de rechtbank nochtans geen reden.
Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar eventueel toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond.
De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat ten nadele van eiseres werd uitgevaardigd op 4 december 2001 en op 5 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard, gekend bij verweerder onder referentie RCIV nr. …, ongegrond is voor een bedrag van … euro (… frank) BTW, … euro (… frank) boete en de overeenkomstige interest.
De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : … euro
terwijl de kosten aan de·zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.
De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op drieëntwintig maart tweeduizend en vier.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier.
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.