Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Termonde du 16.01.1995
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
ZITTING VAN : 16.1.1995, 13e Kamer – B.Z.
AR 36.145 - In de zaak van :
B. L., voorheen handelaar in P. en M., thans herbergier, wonend te …, …;
eiser,
verschijnende door Mr. J. V. W., advocaat te … loco Mr. M. D. P., advocaat te …, …
tegen :
BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der Belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd de en op vervolging van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor gevestigd is aldaar aan de Geraardsbergsestraat 234; die woonstkeuze heeft gedaan op het parket van de procureur des Konings te Oudenaarde, Gerechtsgebouw aldaar;
verweerder,
verschijnende door Mr. Chr. D. S., advocaat te …, loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, ….
De rechtbank verleent het volgend vonnis nadat de partijen gehoord werden in hun middelen en besluiten en na kennisname der overgelegde stukken;
Gelet op het tussenvonnis van deze kamer d.d. 10.5.1994 waaraan werd voldaan;
1. Op 5 en 25 oktober 1982 werd bij eiser een controle uitgevoerd betreffende de juiste toepassing van de BTW-reglementering aangaande zijn vroegere, activiteit als handelaar in muziekplaten en muziekinstrumenten voor de periode vanaf 1.1.1980 tot de datum der stopzetting 31.12.1981;
Door de controlerende ambtenaar werden een aantal onregelmatigheden vastgesteld en deze werden opgenomen in het proces-verbaal d.d. 14.6.1984.
Aangezien eiser niet overging tot betaling van de door verweerder gevorderde sommen, werd op 26.7.1984 een dwangbevel uitgevaardigd ,dat op 6.8.1984 uitvoerbaar werd verklaard door de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent;
Dit dwangbevel werd, samen met het proces-verbaal, bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V. op 8.8.1984 betekend;
Bij exploot d.d. 21.8.1984 heeft eiser verzet aangetekend tegen de uitvoering van het dwangbevel;
2. Vooreerst meent eiser dat een aantal vorderingen verjaard zijn;
Vervolgens betwist hij het proces-verbaal d.d. 14.6.1984 alsook het dwangbevel, omdat sinds het begin van de besprekingen in november 1982, de Administratie in een nieuw voorstel bereid was de oorspronkelijke rechten t.b.v. 372.295 frank te verlagen tot 368.873 frank, en omdat wegens het niet-akkoord van eiser de rechten in het proces-verbaal opnieuw verschillend zijn van deze in het laatste voorstel;
3. Overwegende dat eiser zich ertoe beperkt in algemene termen en zonder enige specificatie, te stellen dat een aantal vorderingen verjaard zijn;
Dat de vordering van de Administratie zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 14.6.1984, kan worden onderverdeeld in zes groepen van overtredingen inzake de toepassing van de BTW-wetgeving;
Dat dient te worden nagegaan of er op datum van het dwangbevel voor bepaalde vorderingen reeds verjaring was ingetreden;
Dat krachtens art. 81, eerste lid W.BTW, de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en de administratieve geldboeten verjaart na verloop van vijf jaar;
Dat deze verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering is ontstaan;
Overwegende dat het opgestelde proces-verbaal de periode bestrijkt van 1 januari 1960 tot 31 december 1981;
Dat, indien de belastingplichtige gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangifte, het uitgangspunt van de verjaringstermijn het tijdstip is gesteld voor de indiening van deze aangifte zoals dit is bepaald krachtens artikel 16, KB nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking! tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
Dat in casu, gelet op de gecontroleerde periode, de vordering ontstond op 20 april 1980 (aangifte 1ste kwartaal 1980, in te dienen uiterlijk op 20 april 1960);
Dat met betrekking tot de lastens eiser vastgestelde overtredingen, de oudste vordering deze is in verband met de omzetverhoging over het jaar 1980;
Dat betrekkelijk de andere vorderingen, de eisbaarheid ontstaan is na 20 april 1980;
Dat de vordering van de Administratie, waarvan de verjaring gestuit werd door de betekening van het dwangbevel op 8.8.1984, bijgevolg ten vroegste verjaarde op 20 april 1985;
Dat het exploot houdende de betekening van het dwangbevel op 8.8.1984 een nieuwe verjaringstermijn doet lopen welke dezelfde is als de gestuit verjaring, nl. vijf jaar en dit conform art. 83 W.BTW.;
Dat eiser op 21 augustus 1984 verzet aantekende tegen de uitvoering van hogervermeld dwangbevel, waardoor de verjaringstermijn niet verder loopt zolang huidig geding hangende is;
Dat van enige verjaring in casu dan ook geen sprake is;
4. Overwegende dat door de Administratie, na controle, een eerste voorstel tot minnelijke regeling werd geformuleerd waarbij de verschuldigde rechten werden bepaald op 372.295 frank;
Dat eiser op dit voorstel niet is ingegaan en enkel punt II, namelijk "Herziening van BTW" betwistte;
Dat daarom een aanvullend onderzoek werd aangekondigd en in verband met de betwiste post een aantal facturen werden opgevorderd;
Dat, vooraleer het aanvullend onderzoek kon worden uitgevoerd, de raadsman van eiser liet weten dat hij ook niet akkoord ging met punt IV, namelijk de post “BTW op meeromzet 1981";
Dat na een aanvullend onderzoek door de Administratie een nieuw voorstel werd uitgebracht waarin de verschuldigde belasting werd teruggebracht van 372.295 frank naar 368.873 frank, meer een verminderde geldboete van 51.000 frank;
Dat opnieuw geen akkoord kon worden bereikt zodat de overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal d.d. 14 juni 1984;
Dat uit deze chronologie der feiten blijkt dat er slechts verschillende minnelijke regeringsvoorstellen zijn tot stand gekomen doordat eiser zelf voortdurend veranderde van inzichten en zijn akkoord nooit kon worden bereikt;
Dat eiser weliswaar stelt dat de cijfers die door verweerder worden gehanteerd op niets zijn gesteund en getuigen van grote willekeur, doch dat hij hiervan geen enkel bewijs voorlegt;
Dat eiser zijn verweer beperkt tot het wild om zich heen schoppen met algemene bewoordingen als "louter forfaitair" en "in tegenstrijd met de economische realiteit", doch geen enkel concreet of ondubbelzinnig element naar voor brengt dat zijn stelling bewijst;
Dat het verzet dan ook als ongegrond dient te worden afgewezen;
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
alle andersluidende, meeromvattende en tegenstrijdige conclusies verwerpend verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 5.258 frank; op 9.600 frank (opgegeven som) aan de zijde van verweerder, onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger. W.;
Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van zestien januari 1900 vijfennegentig van de dertiende kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.
Aanwezig :
de heer M. D., rechter, voorzitter van de dertiende kamer;
mevrouw M. V. d. B., griffier.
M. V. d. B. M. D.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.