Taux de TVA, Travaux de rénovation, transformation · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 24 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de TVA, Travaux de rénovation, transformation

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-travaux-renovation-transformation-cour-appel-gand-2025-06-24-6d17

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
24 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

96 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt du cour d’appel de Gand du 24.06.2025

[ Arrêt favorable ]

TVA - Taux de TVA - Travaux de rénovation

Résumé

Pas disponible

Texte intégral

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 24.06.2025

2024/AR/430 - In de zaak van:

X., RRN …,

wonende te …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. V.E., advocaat te …

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,

Adviseur-Generaal van het Centrum KMO Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A.

Sierensstraat 16 bus 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. V.R., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 11 maart 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 13 november 2023 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/4/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 27 mei 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

Volgend op een bouwvergunning afgeleverd op 2 januari 2019 verzocht de administratie aan de appellant bij brief van 18 mei 2020 om een aantal inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 16 oktober 2020 verzocht de administratie aan de appellant om alle uitgereikte facturen van de bouwwerken door te sturen. De appellant bezorgde de administratie facturen uitgereikt tijdens de periode van eind december 2018 tot oktober 2020.

Bij nazicht van de facturen en onderzoek van de plannen stelde de administratie vast dat het verlaagde tarief van 6% onterecht werd toegepast aangezien, enerzijds, de verbouwingswerken geen betrekking hadden op een privéwoning maar op een bijgebouw (loods) en, anderzijds, de uitgevoerde werken niet beschouwd konden worden als omvormings- of renovatiewerken die voldeden aan de voorwaarden van rubriek XXXVIII van Tabel A bij de bijlage bij het KB nr. 20. Op 26 januari 2021 werd een regularisatieopgave opgemaakt voor de facturen tijdens de periode van 4 oktober 2018 tot 6 januari 2021, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 12.890,14 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 1.280,00 euro, werd aangekondigd. De appellant verklaarde zich hiermee niet akkoord bij brief van zijn raadsman van 24 februari 2021, stelde dat de afbraak van het bijgebouw noodzakelijk was voor de renovatiewerken aan de woning en ondergeschikt was aan de renovatiewerken, dat de wezenlijke elementen van de structuur van de bestaande woning na de renovatie nog steeds aanwezig waren en dat de bouw van de nieuwe loods geen deel uitmaakte van het renovatieproject en onderworpen werd aan het btw-tarief van 21%.

Op 22 maart 2021 liet de administratie weten bij haar standpunt te zullen blijven. Zij stelden o.m. het volgende:

"Wat de uitgevoerde werken aan het gebouw van uw client betreft, stel ik op basis van de voorgelegde plannen en de verstrekte informatie vast dat:

De bestaande dakconstructie volledig werd gesloopt

De bestaande gewelven/vloerplaten tussen het gelijkvloers en het fte verdiep en tussen het 15te verdiep en de zolderruimte, volledig werden gesloopt.

Alle binnenmuren, zowel op het gelijkvloers als op het fte verdiep, werden gesloopt

De achtergevel eveneens werd gesloopt

De behouden buitenmuren eveneens grondig werden gewijzigd: nieuwe raamopeningen, grotere raamopeningen, enz.

U kan dus bezwaarlijk beweren dat de bestaande woning 'zo goed als integraal wordt behouden'.

Op basis van de voorgelegde plannen blijft de administratie dan ook van oordeel dat de uitgevoerde werken dermate ingrijpend waren dat deze niet meer kunnen beschouwd worden als renovatiewerken waarop het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing kan zijn. Immers:

De uitgevoerde werken steunen niet meer op relevante wijze op de wezenlijke structuur van het oude gebouw. Na de sloopwerken was het gebouw binnenin een grote, open ruimte waar men de lucht kon zien. Er werden op alle niveaus nieuwe vloerplaten geplaatst, nieuwe binnenmuren en een nieuwe achtergevel gemetst, een volledig nieuwe dakconstructie geplaatst, enz

Het plaatsen van nieuwe vloerplaten die niet steunen op oude dragende (binnen)muren, heeft tot gevolg dat zeker het 15te verdiep en de zolderruimte als nieuwe oppervlakte moeten worden beschouwd.

Bijgevolg zijn bovengenoemde criteria niet nageleefd en is het normale btw-tarief van 21% van toepassing op de uitgevoerde werken."

De appellant liet bij brief van zijn raadsman van 13 mei 2021 weten bij zijn standpunt te zullen blijven met betrekking tot de werken aan de woning.

Op 21 september 2021 werd een regularisatieopgave opgemaakt voor twee facturen uitgereikt tijdens de periode van 4 oktober 2018 tot 6 januari 2021 voor de bouw van de loods, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 1.716,26 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 170,00 euro, werd aangekondigd. De raadsman van de appellante verklaarde zich hiermee akkoord op 24 september 2021.

De administratie bleef bij haar standpunt met betrekking tot de overige verbouwingswerken en stelde, wegens de blijvende betwisting, een proces-verbaal op 15 oktober 2021 waarin de vaststellingen werden opgenomen en waaruit een verschuldigde BTW bleek van 11.173,88 euro en een geldboete van 1.110,00 euro. Deze btw en boete werden opgenomen in het RCIV onder nr. 500/2472/89348. Op 26 oktober 2021 werd aan de appellant een betaalbericht verstuurd. Op 3 december 2021 werd het verschuldigde bedrag opgenomen in het innings- en invorderingsregister, waarvan de appellant op 14 december 2021 een bericht ontving.

Middels verzoekschrift neergelegd op 9 november 2021 maakte de appellant zijn vordering aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. Na verwijzing naar de afdeling Gent op basis van artikel 88, §2 Ger.W. oordeelde de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in het vonnis van 13 november 2023, dat de vordering van de appellant ongegrond was, met veroordeling van de appellant tot de gedingkosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van concluant toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens:

Het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende als volgt:

Te zeggen voor recht dat de werken die concluant uitvoerde aan zijn woning gelegen te … werken betreffen die onder de noemer vallen van 'verbouwingswerken' of 'omvormingswerken, waarop het BTW-tarief van 6% toepasbaar is; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rolrechten en een rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verzoeker begroot op € 1.800,00 per aanleg (Art. 2 van het KB 26 oktober 2007).

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellant toelaatbaar, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en dienvolgens:

Het vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6de Kamer, op de terechtzitting van 13 november 2023, in de zaak met rolnummer 22/4/A, te bevestigen in al haar geledingen;

De oorspronkelijke vordering van appellant (voorheen eiser) ongegrond te verklaren; Appellant te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw van 15 oktober 2021 en het bestreden innings- en invorderingsbericht van 14 december 2021 met schuldnummer 500/2472/89348 te bevestigen;

Appellant te verwijzen in alle kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.650,00 EUR in graad van hoger beroep.

4. De beoordeling

4.1. Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellant uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus terecht onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw (en dus onderworpen zijn aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, bestaat geen discussie.

De vraag of de bouwwerken als een renovatie (standpunt appellant) of als een nieuwbouw (standpunt geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend.

De appellant draagt de bewijslast en dient aan te tonen dat de in zijn opdracht uitgevoerde werken niet onderworpen zijn aan het tarief van 21% en dus de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hadden (zie artikel 1 KB/BTW nr. 20, dat met ingang van 7 januari 2007 de bewijslast voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% bij de belastingplichtige legt, door in een hiërarchie van de btw-tarieven te voorzien).

4.2. De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd. Zo is er sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (zie ook Cass. 25 juni 2020, AR F.19.0069.N, op www.iuportal.be).

4.3. Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 ° van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrekken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".

Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellant, zoals elke andere belastingplichtige, recht heeft op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer zijn renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Het oppervlaktecriterium, dat niet is voorzien in de wet, kan worden aanzien als een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving aldus toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. Met het gedeelte dat (quasi) volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Voormeld administratief standpunt (met het zgn. oppervlaktecriterium) geldt immers enkel in geval van uitbreiding van de bestaande/behouden woning. In ieder geval dienen de werken aan het bestaande/behouden gedeelte te kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw (zie randnummer 4.2.).

4.4. Op basis van de voorgelegde plannen en stukken kan het hof enkel het standpunt van de administratie bijtreden. Uit deze stukken blijkt immers niet dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning, zoals de dragende muren en de buitenmuren.

Uit de plannen (stukken 14, bundel administratie) blijkt dat de oude woning bestond uit een woonvolume van twee verdiepingen met dakverdieping waar aan de achterzijde een lange achterbouw op het gelijkvloers was geplaatst die schuin wegliep van het woonvolume langs de perceelsgrens. De volledige achterbouw werd gesloopt en een deel werd heropgebouwd op het gelijkvloers aan de achterzijde van het oude woonvolume. Dit nieuwe deel (d.i. 4m125 op 9m130) doet in de nieuwe woning dienst als keuken en berging. Het behouden deel van het woonvolume (d.i. 8m135 op 8m340) doet in de nieuwe woning dienst als eetkamer, bureau, zitruimte, inkom met toilet en traphal.

Uit de plannen blijkt duidelijk dat de linker-, rechter- en voorste buiten-/gevelmuren van het oude woonvolume werden behouden (met desgevallend het dichten van (raam-)openingen en het openen van nieuwe (raam-)openingen en met dien verstande dat de linkergevel aangebouwd is tegen de naastgelegen woning) en dat de achtergevel op het gelijkvloers grotendeels werd afgebroken en heropgebouwd. De achtergevel van het oude woonvolume op het gelijkvloers, dat in de oude toestand twee beperkte openingen had, is in de nieuwe toestand quasi volledig opengemaakt van de linkergevel tot over het midden van het volume; op de plannen staat aangeduid dat een draagbalk werd geplaatst. Uit de plannen samen genomen met de door de appellant voorgelegde foto's blijkt ook dat in het verlengde van deze opening een deel van de bestaande buitenmuur werd gerecupereerd en de oude opening werd dicht gemetst met snelbouwstenen. De opening heeft een lengte van bijna 5m; de muur heeft een lengte van 2m755, waarvan minimum de helft nieuw gebouwd is. De achtergevel van het oude volume werd aldus quasi volledig afgebroken en heropgebouwd, althans op het gelijkvloers. De achtergevel op de eerste verdieping werd hergebruikt, zij het dat twee bestaande raamopeningen werden vervangen door twee grotere raamopeningen en dat een derde bestaande raamopening werd dichtgemaakt met nieuwe snelbouwstenen.

Daarnaast werden overal in de woning nieuwe binnenmuren geplaatst, werden op elke verdieping nieuwe vloerplaten gegoten en werd een volledig nieuwe dakconstructie geplaatst. De administratie stelt terecht dat het erop lijkt dat het gebouw na de sloopwerken binnenin een grote open ruimte was waardoor je kon kijken naar de lucht.

Wat de achtergevel betreft, blijkt aldus uit de plannen dat de stelling van de appellant dat deze werd behouden, geenszins correct is. Dat 'er een glazen schuifraam werd voorzien op de plaats waar voordien de aansluiting met de achterbouw zich bevond', wordt tegengesproken door de plannen. Het glazen schuifraam bevindt zich aan de achterzijde van de nieuwbouw. Het bestaande (en overblijvende) volume (m.n. eetkamer, bureau, traphal, zitruimte en inkom met toilet) heeft aan de achterzijde geen glazen schuifraam want geeft doorgang naar de keuken en berging (zie ook foto's onder stuk 14, bundel appellant). Waar de stelling van de appellant impliceert dat het gedeelte waarin zich op heden de keuken en berging bevinden, niet werd afgebroken, wordt dit tegengesproken door de plannen en de door de appellant zelf voorgelegde foto's.

Dat de trappenhal en de indeling van de vertrekken bij de renovatiewerken werden behouden, wordt eveneens tegengesproken door de plannen. Wat de binnenmuren betreft, blijkt uit de plannen dat deze zich niet meer op dezelfde plaats bevinden als in de oude woning.

Uit de door de appellant voorgelegde foto's (stuk 14, bundel appellant) blijkt bovendien dat op de eerste verdieping de binnen zijgevels opnieuw werden gemetst. De bestaande muren die op de door de appellant voorgelegde foto's zichtbaar zijn, zijn de buitenzijgevels en zijn geenszins binnenmuren (met uitzondering van het kleine deel achtergevel; zie ook hierboven). Alle binnenmuren op deze foto's zijn nieuw opgebouwde binnenmuren in snelbouwsteen.

Dat de woning nog steeds op de oude bestaande funderingen rust, wordt eveneens tegengesproken door de funderingsplannen waarop duidelijk nieuwe funderingskolommen, funderingszolen en funderingsmetselwerk te zien zijn, en waarop uitdrukkelijk staat dat de 'bestaande fundering ongekend' is.

In die omstandigheden kan bezwaarlijk worden gesteld dat de appellant aantoont dat de bouwwerken kwalificeren als een verbouwing. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er nog oude elementen van het bestaande woonvolume werden gerecupereerd, maar deze zijn onvoldoende om te oordelen dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw. Het behoud van uitsluitend de voorgevel (althans deels, gelet op het dichten van openingen en het openen van nieuwe), van de linkerzijgevel (die is aangebouwd aan het naastgelegen huis) en van de rechterzijgevel (opnieuw, met het dichten van openingen en het openen van nieuwe) is niet voldoende om te besluiten dat de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw werden behouden, niet in het minst omdat alle vloerplaten werden vernieuwd, quasi alle binnenmuren werden vernieuwd, de volledige dakconstructie werd vernieuwd, de achtergevel grotendeels werd vernieuwd en de fundering op substantiële wijze werd vernieuwd. Na de afbraakwerken bleef enkel nog een deel van de schil van de oude woning staan, minstens toont de appellant het tegendeel niet aan.

De administratie heeft dan ook terecht besloten dat de bouwwerken kwalificeren als een nieuwbouw en dat het btw-tarief van 21% van toepassing is.

4.5. Of aan het oppervlaktecriterium is voldaan, moet dan ook niet worden onderzocht.

Zoals reeds vermeld in randnummer 4.2, kan met het oppervlaktecriterium slechts rekening worden gehouden indien de bouwwerken aan het bestaande/behouden gedeelte kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw. Aangezien dit niet het geval is, kan de appellant zich niet beroepen op het oppervlaktecriterium. Zelfs indien hij dit wil zou kunnen, stelt de administratie met reden dat de appellant uit het oog verliest dat afgebroken en heropgebouwde gedeeltes van de woning als nieuwe oppervlakte moeten worden aanzien. De administratie stelt terecht dat de volledige oppervlakte van de eerste verdieping en van de zolderverdieping als nieuwe oppervlakte moet worden beschouwd, gelet op het feit dat een nieuwe vloerplaat werd gegoten en dat de binnenmuren werden vernieuwd.

4.6. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De eerste rechter heeft terecht de vordering van de appellant afgewezen als ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. In fiscale zaken is een vordering tot nietigverklaring dan wel ontheffing van een betwiste aanslag een in geld waardeerbare vordering. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep 1.726,74 euro.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd;

 het hof veroordeelt de appellant tot de gerechtskosten van het hoger beroep vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep:

- aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep:

24,00 EUR 1.726,74 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 24 juni 2025.

Aanwezig:

F.C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier