Taux de TVA, Démolition et reconstruction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 26 avril 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de TVA, Démolition et reconstruction

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-demolition-reconstruction-reduit-tribunal-anvers-2023-04-26-b3d4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
26 avril 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

150 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 26.04.2023 (Rôle 22/755/A)

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Taux de TVA – Démolition et reconstruction – Taux réduit de 6% –Transformation

Dispositions légales

Article 1, premier alinéa AR n° 20, rubrique XXXVIII tableau A AR n°20

Résumé du jugement

Le litige porte sur la question de savoir si le taux de 6 % a été appliqué à juste titre lors de la transformation d'un appartement situé au-dessus d'un cabinet dentaire. L'administration a rejeté l'application du taux réduit au motif que les conditions d'une transformation n'étaient pas remplies. L'administration avait constaté que la nouvelle partie, c'est-à-dire l'appartement en duplex situé aux premier et deuxième étages, pouvait fonctionner indépendamment de la partie existante.

Un procès-verbal a été dressé le 5 octobre 2021, après quoi la dette s'élevant à 46.817,62 EUR de TVA et une amende de 4.680,00 EUR, plus les intérêts de retard, a été inscrite au registre de perception et de recouvrement le 17 janvier 2022, lequel a été déclaré exécutoire le 22 janvier 2022.

Le requérant a contesté la position de l'administration et a obtenu gain de cause en première instance. Le premier juge a estimé qu'il a été démontré que la superficie de la partie ancienne est significative par rapport à la nouvelle, étant donné qu'au moins 12 m² du premier étage, c'est-à-dire la dalle, doivent être considérés comme appartenant à la partie ancienne. Le premier juge a ensuite considéré que le cabinet médical relève entièrement de la partie ancienne et que la partie nouvelle se limite à la partie habitable, plus précisément à une extension de la partie habitable préexistante. La nouvelle partie résidentielle ne peut pas fonctionner indépendamment de l'ancienne partie résidentielle. Le fait qu'il y ait également un cabinet médical dans l'ancien espace de vie, qui peut être utilisé séparément, n'y change rien.

L’Etat belge a interjeté appel contre ce jugement.

Texte intégral:

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen d.d. 26.04.2023

Rolnr. 22/755/A

Inzake:

D.F.,

wonende te …, RRN: 60…,

eiser

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. D.H. in eigen naam en Ioco Mr. G.B. te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 87, KBO: 0308.357.159,

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw E.A., in hoedanigheid van

rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw D.S., in hoedanigheid van

rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 18 februari 2022, ingeschreven ter griffie op 18

februari 2022;

- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 8 april 2022, waarbij de

conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

- de wijzigende beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 1 maart 2023,

waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

- de besluiten van partijen.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 22 maart 2023.

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 18 februari 2022.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies en een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 22 maart 2023 waarop de advocaat van eiser en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

Il. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiser F.D. is tandarts sinds 1986.

Eiser is sinds 1987 eigenaar van een pand gelegen in de Frans Breugelmansstraat in Schoten. Het pand bestond uit een woongelegenheid op de eerste verdieping en drie garages op het gelijkvloers.

Op een bepaald moment (dat de rechtbank niet nader kan bepalen op basis van de voorgelegde stukken) werd het gelijkvloers (of minstens een deel daarvan) omgevormd tot een tandartspraktijk. Dit blijkt uit de hieronder vermelde omgevingsvergunning en uit de aanvraag van die vergunning, waarin er telkens sprake is van de "bestaande tandartspraktijk".

Op 11 september 2018 verleende de gemeente Schoten met betrekking tot dit pand een omgevingsvergunning "tot afbraak en het herbouwen van een appartement op de eerste verdieping boven een tandartsenpraktijk". In de vergunning werd over de vergunde werken onder meer vermeld dat de bestaande tandartspraktijk op het gelijkvloerse verdiep intern volledig zou worden vernieuwd, dat de interne organisatie behouden zou blijven, dat toegangen tot de tandartsenpraktijk en tot het bovenliggende appartement van elkaar gescheiden zouden blijven, dat vanuit de garage een binnenhuislift zou worden voorzien naar het te vernieuwen appartement op de verdieping, dat de volledige verdieping boven de verdiepingsvloerpas zou worden afgebroken met behoud van de gemeenschappelijke scheimuren en dat er een nieuw appartement zou worden voorzien op de eerste verdieping en een terugspringende dakverdieping.

De vergunden bouwwerken werden uitgevoerd en hebben geleid tot een duplexappartement op de eerste en tweede verdieping van het gebouw. Op het gelijkvloers is er een tandartspraktijk gebleven.

Voor de uitgevoerde werken werd btw aangerekend aan het verlaagd tarief van 6%.

In een besluit van 21 november 2019 kende de gemeente Schoten volgende busnummers toe:

- aan de tandartspraktijk op het gelijkvloers het huisnummer "Frans Breugelmansstraat 3" (een adres waarop volgens de gemeente inschrijven niet was toegelaten);

- en aan de eerste verdieping het huisnummer "Frans Breugelmansstraat 3 bus 1".

De tandartspraktijk op het gelijkvloers wordt op dit moment verhuurd aan een vennootschap die de tandartspraktijk uitbaat. Eiser F.D. is een van de tandartsen die werkzaam is in deze praktijk.

De belastingadministratie voerde een controle uit over de btw. Na diverse contacten met eiser stelde de administratie op 5 oktober 2021 een proces-verbaal op. Daarin werd gesteld dat het verlaagd tarief van 6% niet van toepassing was. Volgens de administratie was er 46.817,62 euro btw en 4.680,00 euro boete verschuldigd.

Deze schuld werd door eiser betaald onder voorbehoud op 27 oktober 2021.

De schuld werd opgenomen in het innings-en invorderingsregister en werd uitvoerbaar verklaard op 20 januari 2022.

Op vraag van eiser besloot de gemeente Schoten op 3 februari 2022 om de woning en de tandartspraktijk slechts één huisnummer toe te kennen, namelijk het huisnummer Frans Breugelmansstraat 3.

III. DE VORDERINGEN

Eiser F.D. vraagt om:

- zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens te zeggen voor recht dat het btw-tarief van 6% rechtmatig werd

toegepast;

- te zeggen voor recht dat de bedragen gevorderd door de belastingadministratie in de

regularisatieopgave d.d. 14 januari 2021 ad € 51.497,62, te weten € 46.817,62 nog te

betalen btw en een proportionele geldboete ad € 4.680,00 niet verschuldigd zijn;

- de terugbetaling te bevelen van het bedrag van € 51.497,62, meer de rechtens

toepasselijke interesten;

- de Belgische staat te horen veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

- de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en aldus

•de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met het kenmerk 202201NL014 en uitvoerbaar verklaard op 20 januari 2022, te bekrachtigen en

•voor recht te zeggen dat ten onrechte het tarief van 6 pct. werd toegepast op de uitgevoerde werken in onroerende staat en

- verweerder niet te veroordelen tot terugbetaling aan eiser van 51.497,62 euro, meer interesten;

- eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding. In de niet te weerhouden veronderstelling dat de vordering van eiser wordt ingewilligd, de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 3.750,00 euro (basisbedrag).

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen.

De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1 Wetgeving en principes

Artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 (tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven) bepaalt:

Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 pct.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van :

a) 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;

Uit artikel 1 van het KB nr. 20 blijkt dat 21 procent het normale tarief van de btw is. Het tarief van 6 procent is een uitzondering.

Het is dus aan de belastingplichtige om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van het tarief van 6 procent. De bewijslast ligt dus bij eiser.

Tabel A bij het KB nr. 20 bepaalt de goederen en diensten die onderworpen zijn aan het tarief van 6 procent. Onder meer "Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" valt onder dit tarief, waarover in punt XXXI van bijlage A het volgende wordt bepaald:

§1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering

ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, ais privé-woning wordt gebruikt;

(...)

§ 3. Worden beoogd :

1° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed; (..)

Punt XXXI van bijlage A geldt voor handelingen aan woningen waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw.

Punt XXXVIII van tabel A bevat gelijkaardige bepalingen over "Renovatie en herstel van privéwoningen", waarbij het dan moet gaan om een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste tien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw.

Om gebruik te kunnen maken van het tarief van 6% voor "Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" of "Renovatie en herstel van privéwoningen" moet de belastingplichtige dus onder meer aantonen dat het gaat om het "verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele" van een privé-woning.

Het mag hoogstens gaan om een "verbouwing" en mag dus niet gaan om een "nieuwbouw".

Er is sprake van "nieuwbouw" (waarop een btw-tarief van 21 pct. van toepassing is) indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N en Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N).

Er is ook sprake van een "nieuwbouw" als wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N).

Er is sprake van "verbouwing", wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N en Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N).

Verder moeten de (verbouwings)werken betrekking hebben op de "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud" van een bestaand gebouw. De "uitbreiding" van een bestaand gebouw, wordt hierbij niet vermeld.

De belastingadministratie heeft in het verleden echter standpunt ingenomen over de interpretatie van bovenvermelde bepalingen uit bijlage A bij KB nr. 20 en daaruit volgt dat via een ruime interpretatie van het begrip "omvorming" toch bepaalde uitbreidingswerken onder het verlaagd tarief kunnen vallen.

In aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 stelde de administratie (onder randnummer 30):

Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.

In beslissing nr. ET. 106.933 van 1 september 1994 werd gesteld:

De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt ais een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.

Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte. Zo kan bijvoorbeeld de uitbreiding van een in de regeling bedoeld woningcomplex (bejaardentehuis, internaat, enz.) met een nieuwe losstaande vleugel, worden aangemerkt ais een omvorming in de zin van voornoemde rubriek XXXI van tabel A (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297), nr. 51).

De administratie is dus van oordeel dat de uitbreiding van een bestaand gebouw een "omvorming" kan zijn, maar dan op voorwaarde dat (vergelijk ook Cass. 25 juni 2021, F.20.0032.N, arrest niet gepubliceerd, geciteerd door advocaat-generaal Van der Fraenen in nr. 2.3. van zijn schriftelijke conclusie bij Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N):

- de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte, meer concreet dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken;

- het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren en het oude gedeelte dus louter aanvult, wat betekent dat het nieuwe gedeelte voor de

aanwending van het gebouw een geheel moet vormen met het oude gedeelte.

2. Concrete toepassing in het geval van eiser

Het wordt door de Belgische staat niet (meer) betwist dat de werken uitgevoerd aan het pand van eiser op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

De discussie tussen partijen gaat over de vraag of al dan niet voldaan is aan de bovenvermelde door de belastingadministratie gestelde voorwaarden

- dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is en

- dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan functioneren van het oude gedeelte.

Volgens de Belgische staat is na de uitvoering van de betrokken werken de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan de helft van de totale oppervlakte en dus niet betekenisvol.

De totale oppervlakte van het gebouw na uitvoering van de betrokken werken is 315 m2.

Het wordt door eiser niet betwist dat de oppervlakte van de tweede verdieping van 73 m2 valt onder het "nieuwe gedeelte" van het gebouw. De Belgische staat betwist niet dat de oppervlakte van de praktijkruimte van 110 m2 op het gelijkvloers valt onder het "oude gedeelte". Hierover zijn partijen het dus eens.

Zowel de oppervlakte van de volledige eerste verdieping van 95m2 als de oppervlakte van het restant van het gelijkvloers van 37 m2 (147 m2 verminderd met 110 m2 praktijkruimte) vallen volgens eiser onder het "oude gedeelte". Volgens de Belgische staat vallen deze oppervlaktes onder het nieuwe gedeelte.

De rechtbank is van oordeel dat het restant van het gelijkvloers valt onder het oude gedeelte van het gebouw. Uit de plannen en foto's blijkt dat op het gelijkvloers geen afbraakwerken zijn gebeurd die zo ver gaan dat dit gedeelte als "nieuw" moet worden beschouwd. Dit op zich leidt er al toe dat het gelijkvloers volledig valt onder het oude gedeelte. Dat betekent dat het oude gedeelte dus al minstens een oppervlakte heeft van 147 m2, zijnde bijna de helft van het totaal van 315 m2.

Verder betwist de Belgische staat niet dat (bij berekening het al dan niet rusten op de bestaande draagstructuren) de vloerplaat van de eerste verdieping kon worden meegerekend bij de bestaande structuren. En op de eerste verdieping zijn de oude scheimuren en de achterste dragende muur behouden (waarbij de rechtbank ook opmerkt dat de administratie in het proces-verbaal op bladzijde 4 aangaf dat een plan en foto's aantonen dat er op de gelijkvloerse verdieping nog dragende structuur is). Dit leidt er volgens de rechtbank toe dat minstens 12 m2 van de eerste verdieping ook geacht moet worden te behoren tot het "oude gedeelte", wat samen met de 147 m2 van het gelijkvloers volstaat om er toe te leiden dat het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken.

De rechtbank merkt hierbij overigens op dat de belastingadministratie noch in de regularisatieopgave, noch in de e-mail van 1 april 2021, noch in het proces-verbaal stelde dat niet voldaan is aan de oppervlaktevoorwaarde. In het proces-verbaal wordt gesteld (bladzijde 4): "Op basis van uw foto's en de berekening is er inderdaad sprake van een omvorming".

Rekening houdend daarmee, toont eiser aan dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte.

Dan resteert er nog de voorwaarde dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan functioneren van het oude gedeelte.

Uit het bovenstaande volgt dat de praktijkruimte volledig valt onder het oude gedeelte. Het nieuwe gedeelte is dus beperkt tot het woongedeelte, meer bepaald een uitbreiding van het voorheen al bestaande woongedeelte. Het nieuwe woongedeelte kan niet onafhankelijk functioneren van het oude woongedeelte. Dat er zich in het oude gedeelte ook een praktijkruimte bevindt die apart bereikbaar is, doet daaraan geen afbreuk.

Bovendien gaat volgens de rechtbank de analogie niet op met dossiers waarbij er een woning werd uitgebreid en er in het nieuwe gedeelte voor het eerst een andere functie werd geïntroduceerd en/of er voor het eerst een aparte ingang werd voorzien (voor het nieuwe gedeelte).

Zoals al vermeld in het overzicht van de feiten, blijkt uit de omgevingsvergunning (stuk 4 van eiser) en uit de aanvraag van die vergunning (stuk 9 van de Belgische staat) immers dat er ook al voorafgaand aan de hier relevante werken een tandartspraktijk was op een gedeelte van het gelijkvloers van het gebouw, dat er toen ook al een woning was op de eerste verdieping van het gebouw en dat een gedeelte van het gelijkvloers toen ook al werd gebruikt in het kader van die woning op de eerste verdieping. Dit blijkt ook uit de plannen van de vooraf bestaande toestand (zie onder meer stuk 7 van eiser, meer bepaald bijlage 2 bij dit stuk). Uit die plannen blijkt ook dat het gebouw al voorafgaand aan de hier relevante verbouwing bestond uit een gedeelte dat bedoeld was voor gebruik als praktijkruimte en een gedeelte dat een woonfunctie had.

Bovendien wijzen de plannen er duidelijk op dat ook voorafgaand aan de hier relevante werken er al twee aparte ingangen waren. Dit wordt bevestigd in de omgevingsvergunning en de aanvraag voor die vergunning, waar wordt gesteld (onderlijning door de rechtbank) "de toegangen tot de tandartsenpraktijk en tot het bovenliggende appartement blijven van elkaar gescheiden". Dat er na de hier relevante verbouwingen nog steeds twee aparte ingangen zijn, is dus een bestendiging van de bestaande toestand en is dus geen nieuwbouw (het is wat dit specifiek aspect betreft zelfs veeleer een minder verregaande "renovatie" dan een meer verregaande "omvorming").

Dat de gemeente Schoten tijdelijk twee aparte busnummers heeft toegekend aan beide ingangen, doet daaraan geen afbreuk. Overigens staat in de aanvraag tot omgevingsvergunning (stuk 9 van de Belgische staat, onderlijning door de rechtbank) dat ook voorafgaand aan de werken er twee aparte huisnummers waren: "Het ingesloten perceel is momenteel volledig bebouwd met een tandartsenpraktijk (...) op het gelijkvloers en een

appartement op de 1e verdieping. Elk heeft zijn eigen huisnummer (...). Het perceel is gelegen langs de gemeenteweg: Frans Breugelmansstraat 3 en 3A te Schoten". Het toekennen van een apart busnummer na uitvoering van de bouwwerken wijst dus veeleer op een bestendigen van de bestaande toestand dan iets helemaal nieuws.

Dat de praktijkruimte verhuurd wordt aan een vennootschap, doet aan het bovenstaande geen afbreuk, net zomin ais de identiteit van de persoon die de kosten voor de verbouwing heeft gedragen.

3. Besluit

Rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de betrokken bouwwerken en met het geheel van bovenstaande elementen, toont eiser aan dat de voorwaarden voor het verlaagd tarief zijn voldaan. Zijn vordering is gegrond.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

De Belgische staat werd in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

Dispositif

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond ais volgt.

De rechtbank stelt vast dat de bedragen gevorderd door de belastingadministratie in het proces-verbaal van 5 oktober 2021 (51.497,62 euro, te weten 46.817,62 euro nog te betalen btw en een proportionele geldboete van 4.680,00 euro), niet verschuldigd zijn.

De rechtbank beveelt de terugbetaling van het bedrag van 51.497,62 euro, meer de rechtens toepasselijke interesten.

De rechtbank veroordeelt de Belgische staat tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor eiser vereffend als volgt:

•bijdrage juridische tweedelijnsbijstand: 22,00 euro

•rechtsplegingsvergoeding: 3.750,00 euro

Dit vonnis werd uitgesproken op zesentwintig april tweeduizend drieëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

R. M., rechter

C. L., griffier

Textes cités

1
AR no 20 art. 14 occurrences