Taux de la taxe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 1er juin 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-tribunal-hasselt-2011-06-01-caa7

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
1er juin 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 01.06.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN

IN ZAKE AR nr. 06/506/A

JG P. & I. BVBA, voorheen genoemd C. BVBA, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, voorheen gevestigd te … (…), ….

eiseres,

de heer G. J. verschijnt als zaakvoerder van eiseres, bijgestaan door mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de Rekenplichtige van het Tweede BTW­Ontvangkantoor van Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. O. M. loco mr. R. F., advocaat te …, … en door de heer O. E., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij een fiscaal bestuur tevens dossierbeheerder.

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- de akte van verzet van 13.07.2000;

- de besluiten, de conclusies en stukken van eiseres;

- de besluiten, de synthesebesluiten, de tweede synthesebesluiten en stukken van verweerder;


I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN

De vordering van eiseres betreft het verzet tegen het dwangbevel (RCIV­nr. …) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 17.04.2000 door de heer J. R., e.a. inspecteur van het tweede BTW­Ontvangkantoor te Hasselt en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. C., de gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 17.04.2000.

Het dwangbevel, werd samen met het proces-verbaal van 12.04.2000, op 19.04.2000 betekend aan eiseres middels gerechtsdeurwaarderexploot met bevel tot betalen.

Op 20.06.2000 werd aan eiseres een herhaald bevel, gevolg door uitvoerend beslag op roerende goederen, betekend middels gerechtsdeurwaarderexploot.

Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiseres gevorderd :

- BTW (hoofdsom) : 783.487 BEF (19.422,13 euro);

- boete : 78.000 BEF (1.933,57euro), meer de intresten en kosten.

Bij eiseres werd een controle uitgevoerd met betrekking tot de BTW-wetgeving over de periode van 01.01.1995 tot en met 31.12.1997.

Door verweerder werden inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld en hiervan werd proces-verbaal opgesteld. Volgens verweerder bleek, na onderzoek, dat de in het proces-verbaal vermelde handelingen, waarvan de gegevens op de uitgereikte verkoopfactuur vergeleken werden met de overeenstemmende orders en plannen, geen werk in onroerende staat waren. Tevens stelde verweerder dat evenmin bleek dat deze kasten zodanig waren aangebracht in de woning dat zij onroerend uit hun aard werden na plaatsing. Verweerder meende dat op deze handelingen ten onrechte het in artikel 1, 1° KB nr. 20 van 20 juli 1970 bedoelde verlaagde BTW-tarief van 6 % werd toegepast.

Op 13.07.2000 tekende eiseres middels gerechtsdeurwaarderexploot, verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

Eiseres vordert :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het genoemde dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische staat ongegrond te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 2.200 euro.

II. IN RECHTE

1. De ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. De gegrondheid

Eiseres stelt vooreerst dat de fiscus de bewijslast draagt dat het normale tarief van toepassing is. Volgens eiseres bewijs verweerder in casu echter niets. Eiseres stelt verder dat de door haar geplaatste kasten na hun plaatsing onroerend uit hun aard geworden zijn.

Verweerder daarentegen stelt dat eiseres zelf steeds moet kunnen bewijzen dat werd voldaan aan de voor de toepassing van het BTW-tarief van 6 % gestelde voorwaarden. Verder houdt verweerder voor dat de kasten door hun plaatsing in het gebouw in principe niet onroerend uit hun aard worden. Dergelijke kasten worden volgens verweerder na plaatsing niet op een dergelijke wijze ingelijfd in de woning dat ze onroerend uit hun aard worden en hun plaatsing is niet onontbeerlijk opdat de woning als afgewerkt zou kunnen worden beschouwd.

Art. 37 W.BTW bepaalt dat het de Koning is die de tarieven bepaalt en dat Hij de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven.

Ter uitvoering van artikel 37 W.BTW stelt KB nr. 20 van 20 juli 1970 de tarieven van de BTW vast en geeft de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.

De bijlage bij het KB nr. 20 omvat twee tabellen.

Tabel A geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 % en tabel B geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 12 %. Alle goederen en diensten die niet uitdrukkelijk in een van deze tabellen zijn opgenomen worden onderworpen aan het normale tarief.

Het verlaagd tarief van 6 % is van toepassing op alle goederen en diensten die in tabel A zijn vermeld van KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van goederen en diensten bij die tarieven. Volgens rubriek XXXI van voormelde tabel valt werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, verstrekt door geregistreerde aannemers en eindverbruikers, met betrekking tot privéwoningen van meer dan 15 jaar oud onder het verlaagd tarief van 6 %.

Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken, meer in het bijzonder de plannen en het bijgebrachte fotomateriaal, blijkt dat de kasten en ander maatwerk die het voorwerp uitmaken van deze betwisting, allemaal specifiek ontworpen werden voor de ruimte waarin ze geplaatst werden. Het gaat te dezen om plaatsing van kasten en ander maatwerk die geheel geïntegreerd worden in de woningen waarvoor ze op maat gemaakt worden en op een zodanige manier verwerkt worden om er integrerend, conceptueel en duurzaam deel van uit te maken. De herplaatsing van dergelijke kasten is ongebruikelijk zodat uitbreken ervan niet opportuun is. De theoretische verplaatsbaarheid sluit niet uit dat een goed onroerend van aard is.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze kasten werden geleverd en op een zodanige wijze werden aangebracht aan het onroerend goed dat ze onroerend uit hun aard zijn geworden. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat de kasten om reden van hun plaatsing onroerend uit hun aard zijn geworden zodat eiseres terecht het BTW-tarief van 6 % heeft toegepast.

De vordering van eiseres is derhalve gegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.


Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.


Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond,

Verklaart het dwangbevel (RCIV-nr. …) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 17.04.2000 door de heer J. R., e.a. inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. C., de gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 17.04.2000, onwettig.

Beveelt de terugbetaling van de bedragen welke op basis van voormeld dwangbevel eventueel betaald werden vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van eiseres op 2.200 euro.

Aldus gevonnist te Hasselt op 01.06.2011, en aldaar in openbare terechtzitting van de elfde kamer D, door de voorzitter van de kamer uitgesproken :

Mevrouw M. C., voorzitter van de kamer,

Mevrouw C. P., rechter,

De heer P. S., gerechtelijk stagiair, zetelend als vervangend rechter (art. 259octies, § 6 in fine Ger. W.), en

De Heer L. P., griffier.

L. P. P. S. C. P. M. C.

Textes cités

1
AR no 20 art. 11 occurrence