Taux de la taxe, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 24 avril 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxe, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-preuve-mesure-controle-tribunal-oudenaarde-2003-04-24-110a

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
24 avril 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Audenaerde du 24.04.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, de vijfde kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Rolnummer : 98/440/A

Ten verzoeke van :

1. D. G., zelfstandig helper, geboren te … op 9 juli 1965,

2. en zijn echtgenote S. S., stikster, geboren te … op 24 mei 1966, beiden wonende te …, …;

- eisers op verzet bij exploot van gerechtsdeurwaarder A. C. te … d.d. 13 mei 1998;

- hebbende als raadsman Mter. F. V. O., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, de heer W. H., eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor, G. Schockaertstraat 4, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd en in het exploot van betekening van het dwangbevel met bevel tot betalen woonstkeuze heeft gedaan op het kantoor van gerechtsdeurwaarder I. R., gevestigd te …, … enenerzijds en op het kantoor van gerechtsdeunvaarder L. B., gevestigd te …, … anderzijds;

- verweerder op verzet ;

- hebbende als raadsman Mter. G. D. L., advocaat te ….

De Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

I. Rechtspleging

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend op 13 mei 1998.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 13 maart 2003.

Kennis werd genomen het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

II. Feiten

Aan eisers werd door de gemeente Brakel in 1992 een bouwvergunning verleend voor de transformatie van twee bestaande woningen tot een landelijke woning.

Op 26 juni 1995 werd door eisers de aangifte voorgeschreven door artikel 64 § 4 W.BTW opgesteld waarin zij verklaren eigenaar te zijn van een pas opgericht gebouw. Uit deze aangifte bleek dat het opgenomen werk in onroerende staat werd gefactureerd aan een BTW-tarief van 6 %.

Aan de hand van de vaststellingen door de BTW-administratie verricht tijdens een bezoek ter plaatse, de foto's die spontaan door eisers werden voorgelegd tijdens het plaatsbezoek, het bouwplan, de analyse van de door de bouwheer ingediende aangifte voorgeschreven door artikel 64 § 4 W.BTW en de voorgelegde facturen, besloot verweerder dat de verrichte werken in onroerende staat uitgesloten waren van het verlaagd BTW-tarief van 6 %, doch dat deze onderworpen waren aan het normaal BTW-tarief.

Gezien eisers geen minnelijke regeling wouden aanvaarden en nalieten de aanvullend verschuldigde BTW (zijnde het verschil tussen het normaal BTW tarief en het verlaagd BTW tarief) te betalen, werd een dwangbevel uitgevaardigd dat aan eisers werd betekend op 21 april 1998.

III. De vorderingen

Eisers vorderen bij dagvaardingsexploot d.d. 13 mei 1998 dat het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 26 maart 1998 en op 31 maart 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard, dat hen werd betekend op 21 april 1998, ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard en het dwangbevel teniet zou worden gedaan. Tevens vorderen eisers dat verweerder zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

In hun besluiten neergelegd ter griffie op 11 december 2000 vorderen eisers dat alvorens recht te doen een gerechtsdeskundige zou worden aangesteld met als opdracht zijn advies te geven of het in casu een verbouwing betreft of een nieuwbouw.

IV. Bespreking en beoordeling

De discussie betreft de vraag of eisers al dan niet kunnen genieten van het verlaagde BTW tarief van 6 %, met name of de door eisers gestelde handelingen onder de toepassing vallen van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 en meer bepaald onder de in artikel 1.1. van dit KB bedoelde Tabel A, Titel XXXI, met betrekking tot werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.

Hierin wordt bepaald dat "werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" onderworpen zijn aan het verlaagd tarief van 6 % voor zover volgende voorwaarden zijn vervuld :

1. de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2. de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3. de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste twintig jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 W.BTW;

4. de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het WIB 1992;

5. de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart moeten op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.

Concreet stelt zich de vraag of de uitgevoerde bouwwerken teneinde de twee bestaande woonhuisjes gelegen te …, … te transformeren tot een landelijke woning al dan niet beantwoorden aan "handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben".

Deze beoordeling betreft een soevereine en feitelijke appreciatie vanwege de rechtbank.

Aan de hand van de voorgelegde stukken dient nagegaan of de uitgevoerde werken een verbouwing, verbetering of omvorming van het bestaande gebouw hebben beoogd, dan wel of deze werken hoofdzakelijk hebben geleid tot de oprichting van een 'nieuw' gebouw.

Voor deze beoordeling is het irrelevant hoe de werken door de diensten van stedenbouw, het kadaster of in de opdracht van de architect werden omschreven. Evenmin is de aangifte 43 B van 1 december 1999 bepalend voor het toepasselijk BTW-tarief.

Derhalve is in casu de discussie tussen eisers en verweerder betreffende het aankruisen van het vakje "nieuw opgericht" onder rubriek 5 niet relevant, temeer daar de valsheid van deze aangifte niet wordt ingeroepen door eisers.

Wat wel dient in acht te worden genomen voor het bepalen van het toepasselijk BTW-tarief, zijn de feitelijke omstandigheden. Het is dus de werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat dat primeert.

Hiervoor kan de rechtbank zich baseren op de vaststellingen in het proces-verbaal van de BTW administratie - welke niet worden betwist door eisers - en waaruit blijkt dat, vertrekkende van twee gescheiden gebouwde huisjes, volgende werken werden uitgevoerd :

- nieuwe funderingen werden gegoten en de oude verstevigd,

- een gewapende betonplaat werd onder de woning aangebracht,

- onder deze vloerplaat werden afvoerleidingen en rioleringsroosters aangebracht,

- betongewelven werden geplaatst boven de volledige gelijkvloerse verdieping,

- opgaand metselwerk werd uitgevoerd,

- een nieuwe kapconstructie werd opgezet,

- nieuw zinkwerk en nieuwe dakbedekking werd aangebracht,

- nieuwe centrale verwarming, sanitaire leidingen en nieuwe toestellen werden geplaatst,

- nieuwe bepleisteringswerken en chapewerken werden uitgevoerd,

- nieuwe vloertegels en nieuwe trap werden aangebracht.

Tevens beschikt de rechtbank over het voorgelegde bouwplan waarop de huidige toestand is opgenomen, foto's betreffende de vroegere en huidige toestand en de overgelegde facturen van de bouwwerken.

Na grondig nazicht van voornoemde stukken meent de rechtbank over voldoende elementen te beschikken om te kunnen oordelen of het in casu gaat over een verbouwing in de betekenis die eraan wordt gegeven in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage aan het KB nr. 20 en in de BTW-aanschrijving nr. 6 van 1986, en derhalve niet dient te worden ingegaan op de vraag van eisers om een gerechtsdeskundige aan te stellen teneinde dit uit te maken.

Op grond van voornoemde gegevens kan worden vastgesteld dat wezenlijke elementen van de beide oude huisjes afgebroken werden om tot de ééngemaakte landelijke woning te komen.

Zulks vindt trouwens bevestiging in het besluit van de Burgemeester van de gemeente … van 5 maart 1992 waarin de woning gelegen te …, … onbewoonbaar werd verklaard en bepaald werd dat de woning niet te verbouwen was gezien het ontbreken van een degelijke fundering onder de draagmuren, wegens de aanwezige vochtigheid en het niet meer voldoen aan de huidige eisen van wooncomfort en sanitaire voorzieningen. Terecht werpen eisers op dat dit besluit slechts betrekking heeft op de helft van de uiteindelijke opgerichte woning, doch zulks neemt niet weg dat hieruit eveneens af te leiden is dat voor de ombouwing van beide huisjes tot één woning heel grondig tewerk moet zijn gegaan.

Voor de toepassing van het juiste BTW-tarief doet het niet ter zake waarom de vroegere muren en het dak dienden afgebroken en/of vervangen. Evenmin is het dienend dat een aantal elementen uit de oude huisjes werden gerecupereerd en opnieuw werden verwerkt in de ééngemaakte woning. Tevens is het irrelevant dat eisers gedurende de werken in de woning nummer 5 zijn blijven wonen.

Wanneer een gebouw praktisch volledig wordt gesloopt kan niet meer gesproken worden van een verbouwing maar dient het begrip nieuwbouw te worden gebruikt.

Bovendien werd de bestaande structuur en het uitzicht van de oude huisjes volledig gewijzigd.

De feitelijke omstandigheden, de kostprijs en de aard der werken wijzen er op dat de twee kleine bouwvallige huisjes door ingrijpende bouwwerkzaamheden werden omgevormd tot één grote landelijke woning die de kenmerken van een nieuw opgericht gebouw vertoont.

Dispositif

Om deze redenen,

De Rechtbank, rechtdoende in eerste aanleg en op tegenspraak ;

Zegt voor recht dat er geen redenen zijn om in te gaan op de vraag van eisers om een gerechtsdeskundige aan te stellen.

Verklaart het verzet ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het anders of meer gevorderde af als ongegrond.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting gehouden in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op vierentwintig april tweeduizend en drie.

Aanwezig :

mevrouw A. D. S., voorzitter der kamer;

mevrouw V. D., e.a. adjunct-griffier.

V. D. A. D. D.