Parcours procédural
2 étapes · 1 an 5 mois- Décision affichéeTribunal de première instance de Hasselt29.10.2009
- Décision sur appelCour d'appel d'Anvers26.04.2011
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 29.10.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 08/926/A
S. P., en zijn echtgenote
B. Y., beiden samenwonende te …, ….
eisers,
vertegenwoordigd door mr. B. J., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur van de BTW, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09.04.2008;
- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusies en stukken van eisers.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eisers hebben op 07.07.2005 een stedenbouwkundige vergunning bekomen voor het "verbouwen van een tweewoonst met stapelplaats tot 6 appartementen met losstaande garages.
Op 31.05.2006 stelde de heer F. S., wnd. e.a. inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste BTW controlekantoor Beringen een proces-verbaal van vaststellingen op waarin gesteld werd dat : "werd vastgesteld dat een eensgezinswoning gelegen …, … grotendeels werd afgebroken. Naast de zijmuren (tegen de aanpalende woningen) en 2 binnenmuren bleef een klein stuk binnenmuur van de voorgevel overeind. Er werden balken aangebracht om deze constructie te verstevigen. Er werden hiervan drie foto's genomen waarvan kopie in bijlage om een geheel te vormen met dit pv" (zie stuk 1, bundel verweerder).
De administratie was derhalve van oordeel dat de uitgevoerde werkzaamheden niet voldeden aan het begrip omvormings- en verbouwingswerken waardoor 6 % BTW verschuldigd is, maar wel aan het begrip nieuwbouw waarvoor 21 % BTW verschuldigd is.
Hieromtrent kon er geen akkoord bereikt worden; zodoende werd er op 23.10.2007 een proces-verbaal opgesteld door de heer G. V., adjunct fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste BTW-controlekantoor te Beringen (zie stuk 1, bundel verweerder).
In het proces-verbaal werd gesteld dat eisers een inbreuk hadden begaan op het KB nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Voor de in het proces-verbaaI vermelde handelingen (bouwwerken en afbraakwerken) werd het tarief van 6 % toegepast, daar waar voor die handelingen op grond van art. 37, § 1 W.BTW en art. 1, eerste lid van het KB nr. 20 van 20.07.1970 de BTW moet geheven worden tegen het tarief van 21 % de volgende bedragen zijn verschuldigd door eisers :
- … euro BTW;
- … euro geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 31.01.1987 (tabel G, eerste afdeling, IV)
(zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 19.02.2008 werd lastens eisers een dwangbevel uitgevaardigd door de heer F. H., e.a inspecteur a.i. van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, dat geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 20.02.2008 door de wnd. e.a. inspecteur van de BTW te Beringen 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen (zie stuk 2, bundel verweerder). Bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V. te Hasselt van 19.03.2008 werd het dwangbevel aan eisers betekend, samen met bevel tot betaling (zie stuk 3, bundel verweerder). In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de intresten vanaf 21.03.2008 op de som van … euro aan 9,6 %, alsmede de vervolgingskosten.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09.04.2008, stelden eisers een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
De betwisting tussen partijen betreft de vraag of al dan niet terecht het tarief van 6 % werd toegepast.
Eisers zijn van oordeel dat de administratie er ten onrechte vanuit gaat dat de werken in onroerende staat, uitgevoerd aan het pand in de … te …, handelingen zijn die onderworpen zijn aan het tarief van 21 %. Volgens eisers handelt het hier om een renovatie/omvorming van een bestaande woning en is het tarief van 6 % van toepassing.
Krachtens art. 59, § 1 W.BTW rust de bewijslast van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen op de administratie.
Overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals van toepassing op onderhavige betwisting, wordt de BTW geheven :
1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;
2° tegen het tarief van 12 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;
3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in dit wetboek.
Derhalve dient verweerder te bewijzen dat het toegepaste tarief van 6 % niet beantwoordt aan de toepassingsvoorwaarde van rubriek XXXI, § 1, 1° van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20.07.1970, zijnde :
"de handelingen moeten de omvorming, de renovatie, rehabilitatie, de verbetering, herstelling of onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben".
In de aanschrijving nr. 6 van 22.08.1986 (zie stuk 4, bundel eisers) wordt gesteld onder nummer 30 :
“Onder omvorming wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken.
Evenzo wordt het bestaan van de verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw”.
Onder nr. 31, 1° van de aanschrijving wordt gesteld dat als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw wordt aangemerkt: het herbouwen van een gebouw na afbraak zelfs in geval van behoud der fundering en kelders van het oude huis of van de bijkomende elementen van zijn structuur.
De vraag of het nu een nieuwbouw dan wel een renovatie betreft, is derhalve een feitenkwestie.
In casu werd vastgesteld dat :
- de volledige voorgevel werd afgebroken en vernieuwd en dat slechts een deel van de binnenmuur van de voorgevel en twee binnenmuren behouden bleven;
- de achtergevel volledig werd afgebroken en de nieuwe achtergevel niet op dezelfde plaats werd opgebouwd;
- van de vroegere dakconstructie niets behouden bleef;
- de bestaande verdiepingsplaten werden afgebroken en er werden er nieuwe aangebracht;
- de overige constructies (elektriciteit, verwarming en sanitair) volledig nieuw werd gebouwd.
Uit de vaststellingen, alsook uit de overlegde foto's, blijkt dat de interne constructie vrijwel volledig werd verwijderd en dat de voor- en achtergevel alsook het dak volledig werden verwijderd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw; derhalve kan er niet gesproken worden over een verbouwing maar betreft het hier een nieuwbouw.
Het argument van eisers dat de architect bevestigt dat het in casu om een verbouwing gaat en dat het concept er anders had uitgezien als het om een nieuwbouwproject ging, hetgeen goedkoper en makkelijker zou geweest zijn, doen niet af aan het feit dat uit de concrete vaststellingen blijkt dat het niet om een renovatie gaat doch wel om een nieuwbouw.
De vordering van eisers is dan ook ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
Deze vordering is niet in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 29.10.2009, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.