Taux de la taxe, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 19 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxe, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-exoneration-autre-exemption-tribunal-gand-2010-01-19-338a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
19 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 19.01.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer – openbare terechtzitting van 19 januari 2010

Rolnummer AR 08/2799/A

In de zaak van :

VZW B. V L., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres,

hebbende als raad Mter F. V., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van

- de Gewestelijke Directeur der Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, sector Directe Belastingen, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 604

- de Directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Controlecentrum 3, met kantoren te 1000 Brussel, Finance Tower, Kruidtuinlaan 45 bus 3355

verweerder,

hebbende als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend dagvaardingsexploot houdende verzet de dato 11 augustus 2008.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 5 januari 2010 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is een psychiatrische verzorgingsinstelling vallende onder de vrijstelling van BTW bij toepassing van artikel 44 W.BTW zodat haar geen BTW-identificatienummer werd toegekend.

Uit diverse controles bij aannemers in de bouwsector bleek dat eiseres voor het bouwen en verbouwen van psychiatrische verzorgingstehuizen en andere gebouwen in de verzorgingssector aan deze aannemers het attest voorzien in rubriek XXXI, § 1, 5° van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven genomen ter uitvoering van artikel 37 W.BTW, zodat het verlaagd tarief van 6 % werd toegepast.

Naar aanleiding van deze vaststellingen werd het proces-verbaal d.d. 6 september 2005·opgemaakt door G. L., eerst-aanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur als gevolg van de vaststellingen die werden opgenomen in de correctieopgave van 11 mei 2000 die bij dit proces-verbaal was gevoegd.

In bijlage bij die correctie opgave werden lijsten gevoegd betreffende :

- PVT D. W. te … (jaren 1996 tot maart 1999)

- PVT zaal 4 te … (jaren1996 tot 1998)

- PVT St-P. te … (jaren 1996 tot 1998)

- PVT St. A. te … (jaren 1996 tot 30/04/1999).

De werken in onroerende staat gefactureerd aan de VZW P. d. B. v. L. werden gefactureerd in de periode 1996 tot 30.04.1999 en maken het voorwerp uit van een afzonderlijke lijst.

Hieruit blijkt dat volgens verweerder er nog een te storten BTW was van … BEF.

In het proces-verbaal d.d. 6 september 2005 wordt tevens een fiscale geldboete van … BEF verschuldigd gesteld.

De door de BTW gevraagde sommen werden door eiseres betaald onder alle voorbehoud.

Het proces-verbaal werd aan eiseres betekend met betekening-bevel uitgaande van het BTW-Ontvangkantoor Gent I op 15 juli 2008.

Bij gedinginleidend dagvaardingsexploot d.d. 11 augustus 2008 stelde eiseres verzet in tegen voormeld dwangbevel d.d. 15 juli 2008.

2.2. Eiseres vraagt dat, eventueel na het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, de verzet-dagvaarding ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en dat aan het dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg mag gegeven worden en dat de terugbetaling bevolen wordt van de door eiseres in uitvoering van het bestreden dwangbevel onder alle voorbehoud betaalde … EUR BTW, … EUR boeten en … EUR vervolgingskosten, meer de gerechtelijke rente vanaf de datum der dagvaarding en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder gedraagt zich naar de wijsheid van de rechtbank.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de door de administratie te weerhouden maatstaf van heffing en de daaruit voortvloeiende verschuldigde BTW, met gevolgen voor de door de administratie weerhouden proportionele boete

Eiseres merkte in conclusie op dat er een dubbel gebruik van een aantal facturen is opgenomen in de excel-tabellen gevoegd bij het proces-verbaal d.d. 06.09.2005.

Verweerder erkent in conclusie dit dubbel gebruik van facturen. In de op 15 mei 2009 neergelegde syntheseconclusie (stuk 8 - rechtsplegingsdossier) stelt verweerder dat de door eiseres herberekende BTW ten bedrage van … BEF door de administratie erkend wordt als zijnde juist en de vordering dienovereenkomstig zal verminderd worden, waaruit volgt dat er een te herberekenen boete is ten bedrage van … BEF. Daar eiseres een bedrag van … EUR betaalde onder alle voorbehoud aan de BTW-ontvangsten, ontstaat hierdoor voor eiseres een batig saldo.

3.2.2. nopens het 6 pct.-tarief m.b.t. werken in onroerende staat

3.2.2.1. Artikel 1 van het K.B. van 1 december 1995 tot wijziging van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven bepaalt :

"In het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven worden na artikel 1bis tijdelijke bepalingen ingevoegd, luidend als volgt :

Tijdelijke bepalingen

Artikel 1ter. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997, onderworpen aan het tarief van 6 pct. de handelingen bedoeld in tabel B, rubriek X, § 1, van de bijlage bij dit besluit. De uitsluitingen opgenomen in rubriek X, § 2, van dezelfde tabel B blijven van toepassing”.

Rubriek X, § 1, van tabel B van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970, ingevoegd bij het K.B. van 17 maart 1992 en gewijzigd bij het K.B. van 28 maart 1992 en 29 juni 1992, bepaalt :

"Het verlaagd tarief van 12 % is van toepassing op :

[...]

d) woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen en personen in moeilijkheden, en die worden geleverd en gefactureerd aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren :

1° verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;

2° internaten die zijn toegevoegd aan scholen en universiteiten of die ervan afhangen;

3° jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten op de jeugdbescherming of bijzondere jeugdbijstand;

4° opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid."

Artikel 1 van het K.B. van 26 april 1999 tot wijziging van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 bepaalt (inwerkingtreding 1 mei 1999) :

"In rubriek X, § 1, A, d), van tabel B van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) de woorden 'en personen in moeilijkheden' worden vervangen door de woorden 'personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten”;

b) § 1, A, d) wordt aangevuld als volgt :

5° psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de gevoegde overheid zijn erkend;

6° gebouwen, waar, ten titel van een initiatief van beschut wonen erkend door de bevoegde overheid, het op een duurzame wijze huisvesten in dag- en nachtverblijf en het begeleiden van psychiatrische patiënten plaatsheeft;"

3.2.2.2. Volgens eiseres worden psychiatrische verzorgingstehuizen uitdrukkelijk gelijkgesteld met erkende rustoorden voor bejaarden in artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. Voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 komt zij dan ook in aanmerking van de toepassing van het BTW-tarief van 6 % op de aannemingswerken aan de psychiatrische verzorgingstehuizen volgens eiseres.

3.2.2.3. Deze stelling van eiseres vindt steun in het arrest uitgesproken door het Grondwettelijk Hof d.d. 29 oktober 2009 (nr. 169/2009) inzake de prejudiciële vraag betreffende Rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

In voormeld arrest beslist het Grondwettelijk Hof in antwoord op de prejudiciële vraag dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet fundamenteel verschillen van bejaardentehuizen wat het verblijf en de opvang van hulpbehoevenden in het kader van de sociale huisvesting betreft : zodat het redelijkerwijze niet verantwoord is beide categorieën van instellingen aan en verschillend BTW-tarief te onderwerpen wat de werken aan onroerende goederen betreft die voor de. opvang worden aangewend.

In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het Grondwettelijk Hof statueert in het voormeld arrest verder uitdrukkelijk dat de psychiatrische verzorgingstehuizen dienen te worden begrepen in de omschrijving van het toepassingsgebied van het verlaagd tarief inzake sociale huisvesting zoals vastgelegd bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970.

In casu beheert eiseres de kwestieuze psychiatrische verzorgingstehuizen die personen met psychische of psychiatrische problemen - die als "personen in moeilijkheden" dienen gekwalificeerd te worden - in dag- en nachttherapie behandelen.

In toepassing van het voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof, waardoor beslist werd dat het verlaagd tarief van toepassing is voor aannemingswerken voor woningen voor de huisvesting van personen in moeilijkheden waaronder de psychiatrische verzorgingstehuizen ressorteren, werd terecht het verlaagd BTW-tarief van 6 % toegepast op de aan eiseres uitgereikte facturen en creditnota's met betrekking tot de werken in onroerende staat uitgevoerd aan de kwestieuze psychiatrische verzorgingstehuizen.

De vordering is gegrond.

3.2.3. nopens de overige grieven

De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel van eiseres kan leiden.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, lid 1, Ger.W. de gerechtskosten dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde … EUR, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond.

Zegt voor recht dat het dwangbevel ongegrond is en dat het dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg kan hebben.

Beveelt de terugbetaling van de door eiseres in uitvoering van het voormeld dwangbevel met referentie … per 18 juli 2008 onder voorbehoud betaalde bedrag van … EUR BTW, … EUR boeten en … EUR vervolgingskosten of in totaal … EUR te verhogen met de gerechtelijke rente vanaf. de datum der dagvaarding zijnde 11 augustus 2008.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag negentien januari tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.